Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2025:8094 
 
Datum uitspraak:16-12-2025
Datum gepubliceerd:31-12-2025
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.358.292/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Geschil over uitleg meerwaardeclausule. Drie incidenten in hoger beroep: schorsing tenuitvoerlegging, zekerheidsstelling en opheffing beslag. Het hof wijst de incidentele vorderingen af. Het bestreden vonnis berust niet op één of meer kennelijke misslagen.
Trefwoorden:agrarisch
landbouw
omzetbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.358.292/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 142444)


arrest van 16 december 2025 in de incidenten tot schorsing van de tenuitvoerlegging, althans tot het stellen van zekerheid en tot opheffing van beslag


in de zaak van



[appellant] Holding B.V.

gevestigd in [vestigingsplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en die eiseres is in de incidenten
en die bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. H.P. Plas te Utrecht

tegen




1K3Delta B.V.
gevestigd in Andelst
2. Dekker Grondstoffen B.V.
gevestigd in IJzendoorn
die verweersters zijn in de incidenten
en die bij de rechtbank optraden als eiseressen
hierna: Dekker-K3
advocaat: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen.




1De procedure bij de rechtbank
Bij de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank) is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 28 mei 2025 van de rechtbank (hierna: het vonnis).





2De procedure bij het hof

2.1
Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 29 juli 2025;
- de memorie van grieven van 26 augustus 2025, waarin zijn opgenomen incidentele vorderingen tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex art. 351 Rv, tot het stellen van zekerheid ex art. 235 Rv en tot het opheffen van beslag;
- de antwoordconclusie in de incidenten van 9 september 2025.



2.2
Partijen hebben arrest gevraagd in de incidenten en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.

3 De beoordeling in de incidenten




3.1
Voor zover van belang voor de beoordeling in de incidenten, gaat het in deze zaak om het volgende.



3.2
Het hof gaat hierbij uit van de feitenvaststelling door de rechtbank. Aan de grieven hiertegen van [appellant] gaat het hof in (dit deel van) deze procedure voorbij, tenzij anders vermeld.



3.3
De rechtsvoorganger van Dekker-K3 heeft een aantal in de gemeente Emmen gelegen percelen cultuurgrond verkocht aan [appellant] (hierna ook: de percelen). De koopprijs bedroeg 1 miljoen Euro en de levering heeft [in] 2007 plaatsgevonden.



3.4
In de leveringsakte is de volgende meerwaardeclausule opgenomen:

"wijziging bestemming verkochte/kwalitatieve verplichting/kettingbeding

Artikel 6


Partijen hebben met betrekking tot het verkochte het volgende bepaald over in de toekomst eventueel te realiseren andere bestemmingen:
1. a. (...)
b. Indien er gedurende een termijn van vijfentwintig jaar na levering van het gekochte een ontwikkeling plaatsvindt die ruimte biedt voor gebruik anders dan agrarisch gebruik casu quo uitoefening van bedrijfsmatige landbouw, casu quo het duurzaam realiseren van een agrarisch bouwperceel, van het gekochte, is de koper aan verkoper een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is gelijk aan vijftig procent (50% )van het bedrag dat wordt gevonden door van de waarde in het economisch verkeer van het gekochte met de veranderde bestemming de waarde in het economisch verkeer van het gekochte met slechts een agrarische bestemming af te trekken. De waarde in het economisch verkeer met slechts een agrarische bestemming wordt gevonden door de percelen te waarderen met de fictie als ware zij alleen agrarisch te gebruiken.
(...)"



3.5
Voor de percelen zijn in 2018 twee omgevingsvergunningen verleend: één voor het realiseren van een windpark met 14 windturbines voor een periode van 16 jaar en één voor het realiseren van een zonneakker voor een periode van 30 jaar. Deze vergunningen zijn inmiddels in rechte onaantastbaar.



3.6

[appellant] heeft op 18 juli 2019 vier rechten van opstal gevestigd op de percelen ten behoeve van Energiepark Pottendijk. De notarieel op 14 december 2020 vastgelegde retributie bedraagt voor de windturbines € 15.000 per jaar per MW geïnstalleerd vermogen en € 10,000 per jaar per hectare voor de zonnepanelen (bedragen exclusief omzetbelasting).



3.7
Namens Dekker-K3 is [appellant] aangeschreven tot nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de meerwaardeclausule. [appellant] heeft dit geweigerd met het argument dat geen sprake is van een situatie die valt onder de meerwaardeclausule.



3.8
In opdracht van Dekker-K3 heeft [naam1] te [plaats1] de meerwaarde vastgesteld op € 6.684.896,65 (bij 30 jaar windopbrengst en 30 jaar zonopbrengst) respectievelijk € 5.565.938,87 (bij 16 jaar windopbrengst en 30 jaar zonopbrengst).



3.9
In de nadien gewisselde correspondentie heeft [appellant] volhard in haar standpunt dat de meerwaardeclausule niet van toepassing is, waarna Dekker-K3 een gerechtelijke procedure zijn gestart.



3.10
In eerste aanleg hebben Dekker-K3 gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.342.448,32 dan wel € 2.782.969,43 ten titel van nakoming van haar verplichtingen uit de meerwaardeclausule, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Tevens vorderen Dekker-K3 dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van € 2.000.000 wegens niet nakoming van haar verplichtingen uit de meerwaardeclausule, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.11
In het vonnis heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan Dekker-K3 te betalen € 3.342.448,32 te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 27 augustus 2020. Tevens is [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De veroordelingen zijn door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



3.12
Het vonnis is op 18 juli 2025 betekend aan [appellant] . Op 13 augustus 2025 hebben Dekker-K3 ten laste van [appellant] beslag gelegd op 27 onroerende zaken, zoals omschreven in het proces-verbaal van de deurwaarder.



3.13

[appellant] heeft tegen het vonnis een waaier aan grieven (31) ontwikkeld en in de hoofdzaak concludeert zij tot vernietiging daarvan en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Dekker-K3, kosten rechtens.



3.14
In het incident tot schorsing tenuitvoerlegging althans zekerheidsstelling (p. 26-38 van de memorie van grieven c.a.) vordert [appellant] schorsing van de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis van de rechtbank van 28 mei 2025, dan wel dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat Dekker-K3 zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.342.448,32. Tevens vordert [appellant] in dit incident opheffing van het executoriale beslag. In het incident tot opheffing van het conservatoire beslag vordert [appellant] opheffing van het beslag op de in 3.12 bedoelde onroerende zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom indien Dekker-K3 de beslagen niet binnen de door het hof te bepalen termijn opheffen. Dekker-K3 hebben de incidentele vorderingen van [appellant] bestreden en het hof gevraagd die af te wijzen.


het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging




3.15
Het hof beoordeelt deze incidentele vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven en die op het volgende neerkomen:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken.



3.16

[appellant] heeft aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank om de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niet is gemotiveerd, dan wel dat die beslissing ten onrechte is gemotiveerd aangezien zij ( [appellant] ) geen verweer heeft gevoerd of heeft bedoeld te voeren tegen de door Dekker-K3 gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring. Het hof gaat hieraan voorbij. In rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank toegelicht (en daarmee gemotiveerd) waarom zij de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Daarmee is sprake van een gemotiveerde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring in de zin van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad. Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden is het niet zo dat de rechtbank alleen op een gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring mag ingaan als daartegen verweer is gevoerd. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt overigens dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling door de rechtbank op 24 juni 2024 inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Bij die gelegenheid is van haar kant aangevoerd dat het om een heel hoog bedrag gaat. [appellant] zegt solvabel te zijn, maar de uitkomst van de zaak is sterk afhankelijk van de uitleg van het contract. Als het vonnis in het nadeel van [appellant] uitvalt, dan moet er gelegenheid zijn om in hoger beroep te gaan. Dat hoger beroep zou eigenlijk moeten worden afgewacht, aldus nog steeds [appellant] . De rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 berusten dus niet op een misslag. Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden, blijkt daaruit ook dat de rechtbank de belangen van partijen heeft meegewogen bij haar beslissing. De enkele door [appellant] gestelde mogelijkheid om van een eventueel veroordelend vonnis in beroep te gaan, heeft de rechtbank als onvoldoende aangemerkt.



3.17
Het voorgaande betekent dat het criterium genoemd in 3.15 onder c mede van toepassing is. De feiten en omstandigheden die [appellant] in de memorie van grieven c.a. heeft opgenomen in paragraaf 3.4, genaamd 'belangenafweging', laat het hof derhalve buiten beschouwing, voor zover daarmee bij het in eerste aanleg nemen van de beslissing omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad al rekening kon worden gehouden.



3.18
Het hof gaat niet mee in de opvatting van [appellant] zoals geformuleerd in paragraaf 3.3 van de memorie van grieven c.a., genaamd 'Uitzondering op uitgangspunt'. Deze opvatting komt erop neer dat om redenen van billijkheid een afwijking moet worden aangenomen van het uitgangspunt dat een veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet zijn wanneer met een grote mate van zekerheid mag worden aangenomen dat (een verzameling van) grieven tegen het bestreden vonnis zullen slagen, ook wanneer de overwegingen waartegen die grieven zich richten, niet kwalificeren als kennelijke misslag. Die opvatting komt er immers op neer dat de kans van slagen van het hoger beroep wél zou moeten worden betrokken in de beoordeling van het incident. Aangezien de Hoge Raad heeft bepaald dat dit juist níet de bedoeling is, maar dat kennelijke misslagen wel gevolgen kunnen hebben, zal het hof zich bij de beoordeling tot dat laatste beperken.



3.19
In paragraaf 3.5 van de memorie van grieven c.a., genaamd 'Kennelijke misslagen' beroept [appellant] zich op negen in haar ogen kennelijke misslagen. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat pas van een dergelijke misslag kan worden gesproken wanneer er geen twijfel over kan bestaan dat het beroepen vonnis op een vergissing berust. Van een dergelijke misslag is niet reeds sprake als ook een andere beslissing mogelijk zou zijn geweest. Afgezet tegen deze maatstaf overweegt het hof dat voor geen van de onder a) t/m i) door [appellant] aan de orde gestelde aspecten van het vonnis geldt dat reeds op het eerste gezicht - dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek - duidelijk is dat het onjuist is. Het hof herhaalt dat het enkele feit dat over een of meer aspecten in een rechterlijke beslissing wellicht anders kan worden gedacht, niet volstaat voor een dergelijke constatering. Op dit een en ander strandt het in paragraaf 3.5 gevoerde betoog.



3.20
De volgende vraag is dan of [appellant] nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de beslissingen van de rechtbank wordt afgeweken. Het hof stelt vast dat dergelijke feiten en omstandigheden niet zijn gesteld door [appellant] .



3.21
Het hof concludeert dat, gegeven de relevante beoordelingscriteria, er geen aanleiding is voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.


het incident tot opheffing van het beslag




3.22
In het kader van dit incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft [appellant] verder gevraagd om de beslagen op te heffen, stellende dat het gaat om (inmiddels) executoriaal beslag terwijl uit de beslagstukken blijkt dat conservatoir beslag is gelegd. Het hof ziet voor een dergelijke beslissing geen grondslag in de artikelen 235 en 351 Rv. In het kader van het hierna te behandelen incident, waarbij het specifiek gaat over de opheffing van het beslag, zal het hof indien nodig ook ingaan op de vraag of het beslag conservatoir of executoriaal is.



3.23
Het hof legt de vordering van [appellant] aldus uit dat zij vordert dat het beslag op de onroerende zaken (zie 3.12) wordt opgeheven, onverschillig of het conservatoir of executoriaal beslag is.



3.24
Het gaat hier om een provisionele vordering ex art. 223 Rv. Artikel 223 Rv biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdzaak) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdzaak. Die incidentele vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Aan dit vereiste is voldaan. Dat [appellant] een voldoende spoedeisend belang heeft bij opheffing van het beslag, wil het hof wel aannemen.



3.25
Op grond van art. 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van het beslag uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.



3.26

[appellant] heeft ter onderbouwing van haar incidentele vordering in de eerste plaats aangevoerd dat Dekker-K3 de waarheidsplicht van art. 21 Rv hebben geschonden toen zij hun beslagverzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank voorlegden. Met name zouden Dekker-K3 ten onrechte hebben vermeld dat [appellant] niet bereid is om enige vorm van zekerheid te stellen. [appellant] werkt dit uit met een verwijzing naar de correspondentie die tussen partijen heeft plaatsgevonden, en waarin [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij het onredelijk vindt dat Dekker-K3 voor wat betreft de hoogte van de door hen verlangde zekerheid aansluiten bij de veroordeling in het vonnis dat kennelijke misslagen bevat. Aldus tot zover [appellant] .



3.27
Het is het hof uit de gedingstukken niet aannemelijk geworden dat [appellant] een concreet en onvoorwaardelijk aanbod tot zekerheidsstelling heeft gedaan, voor welk bedrag dan ook, gelijk ook Dekker-K3 hebben aangevoerd. Het hof is daarom van oordeel dat de door [appellant] geschetste omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de voorzieningenrechter (in de woorden van [appellant] ) is misleid.



3.28
De vordering van Dekker-K3 is door de rechtbank toegewezen in een uitgebreid vonnis, dat zeventien pagina's beslaat. Dat vonnis berust niet op kennelijke misslagen, zoals hiervoor is overwogen. Onder deze omstandigheden ziet het hof evenmin grond voor het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Dekker-K3.



3.29
Voor opheffing van het beslag ziet het hof op grond van de hiervoor opgenomen overwegingen dan ook geen aanleiding. Het hof kan dus buiten beschouwing laten of het beslag conservatoir of executoriaal is, aangezien dat voor de beslissing niet uitmaakt.



3.30
Aan het slot van haar incident stelt [appellant] dat, indien het hof tot het oordeel komt dat het beslag niet wordt opgeheven, zij er recht op en belang bij heeft dat het beslag wordt opgeheven indien voor de vordering zekerheid wordt gesteld voor een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. [appellant] legt ‘de bal’ daarmee bij het hof, terwijl zij op grond van art. 705 lid 2 Rv zelf ‘aan zet’ is: indien [appellant] voldoende zekerheid stelt (in dit geval: voor minimaal het volledige bedrag van de toegewezen vordering) zou het beslag kunnen worden opgeheven. Een dergelijk aanbod ligt er niet, zodat het hof hierin geen aanleiding ziet het beslag op te heffen.


het incident tot zekerheidsstelling




3.31
Hierop zijn ook de criteria zoals genoemd in 3.15 onder a en c van toepassing. Voor wat betreft de vragen of sprake is van één of meer kennelijke misslagen dan wel of door [appellant] nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de beoordeling van het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging.



3.32

[appellant] heeft zich, ten slotte, op een restitutierisico beroepen, dat reden zou moeten zijn om Dekker-K3 zekerheid te laten stellen. Dekker-K3 hebben bestreden dat van een dergelijk risico sprake is. In haar antwoordconclusie is aangegeven dat zij niet voornemens zijn het vonnis verder ten uitvoer te leggen voordat het hof uitspraak heeft gedaan. Het hof ziet geen grond om onder deze omstandigheden Dekker-K3 tot enige vorm van zekerheidsstelling te verplichten.


slotsom




3.33
Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot de slotsom dat de incidentele vorderingen zullen worden afgewezen. De beslissing over de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om verder te procederen.






4De beslissing

Het hof:


in de incidenten


4.1
wijst de vorderingen af;



4.2
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;


in de hoofdzaak



4.3
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 27 januari 2026 voor memorie van antwoord;



4.4
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 december 2025.



HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.


Proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 24 juni 2024, p. 5.
Link naar deze uitspraak