Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:1463 
 
Datum uitspraak:10-03-2026
Datum gepubliceerd:23-03-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.330.027
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Beroepsfout ARAG. Verjaring claim verzekerde op derde. Verzekerde spreekt ARAG aan. Berekening schade verzekerde via kansschade, na deskundigenbericht in verband met bewijsperikelen in oorspronkelijke procedure.
Trefwoorden:vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.330.027
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 537932)


arrest van 10 maart 2026


in de zaak van



[appellant]


die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [appellant]
advocaat: mr. F. Arts

tegen


ARAG SE

die is gevestigd in Düsseldorf (Duitsland)
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: ARAG
advocaat: mr. W.A.M. Rupert




1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Bij arrest van 11 maart 2025 heeft het hof een deskundige benoemd en hem gevraagd een aantal vragen te beantwoorden. Na het verschijnen van het deskundigenbericht hebben partijen de volgende stukken ingediend:



memorie na deskundigenbericht van [appellant] ;


memorie na deskundigenbericht van ARAG;


antwoordmemorie na deskundigenbericht van [appellant] ;


antwoordmemorie na deskundigenbericht van ARAG.



Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.




2De verdere beoordeling in hoger beroep


2.1
Het hof verwijst naar en blijft bij de overwegingen en beslissingen in zijn tussenarresten van 9 juli en 19 november 2024 en 11 maart 2025.



2.2
Het hof heeft in zijn arrest van 11 maart 2025 Mr. Ing. [naam1] als deskundige in deze zaak benoemd en hem gevraagd een onderzoek in te stellen en het hof schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen:

1) voldoet de vloerverwarmingsinstallatie aan wat [naam2] en [appellant] daarover in de aannemingsovereenkomst en bijbehorende technische omschrijving zijn overeengekomen?

2) kunt u beoordelen of de vloerverwarmingsinstallatie na voltooiing daarvan door [naam2] is aangepast? En zo ja heeft dat invloed op uw antwoord op vraag 1?

3) als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, hoe en in welke zin voldoet de vloerverwarmingsinstallatie dan niet en waar wordt dat door veroorzaakt?

4) Is sprake van een ontwerpfout en/of een constructiefout en zo ja in welke mate?

5) leent het gebrek zich voor herstel (binnen deze vloerverwarmingsinstallatie)? Zo ja:

6) wat zou dat herstel in 2011 bij benadering hebben gekost?

7) wat zal dat herstel in 2025/2026 - indien nog mogelijk - bij benadering kosten?

8) als dat gebrek zich niet voor herstel leent/leende: welke alternatieven zijn er voor een integrale vervanging van de gebrekkige vloerverwarming, of kan het gebrek alleen via een integrale vervanging van de geïnstalleerde vloerverwarming worden opgeheven?

9) wat zouden de in vraag 8 bedoelde alternatieven in 2011 bij benadering hebben gekost en wat zullen deze in 2025/2026 bij benadering kosten?

10) wat zou de in vraag 8 bedoelde integrale vervanging in 2011 bij benadering hebben gekost en wat zal deze in 2025/2026 bij benadering kosten?

11) als er alternatieven zijn voor de integrale vervanging van de vloerverwarmingsinstallatie, hebben die alternatieven dan effect op de verwachte hoogte van de energierekening van [appellant] ? En kunt u de omvang van dat effect inschatten?

12) zijn er andere feiten en omstandigheden waarmee het hof rekening moet houden waar het de (installatie) van de vloerverwarming, het functioneren daarvan vanaf 2011 en het eventuele herstel of de vervanging daarvan betreft?



2.3
Op 11 juni 2025 heeft de deskundige zijn concept-rapportage aan partijen gestuurd en hen de mogelijkheid geboden daarop te reageren.



2.4
Beiden partijen hebben van deze gelegenheid gebruikt gemaakt en een schriftelijke reactie op het concept-deskundigenbericht gegeven. Op beide reacties heeft de deskundige per e-mail aan de advocaten van partijen en in zijn definitieve rapport gereageerd.
Op 11 juli 2025 heeft de deskundige zijn definitieve rapport uitgebracht en aan het hof en partijen ter beschikking gesteld.



2.5
Partijen hebben bij memorie en antwoord-memorie op het deskundigenbericht en de reactie daarop van de andere partij mogen reageren.


Inhoud deskundigenbericht




2.6
De deskundige heeft de vragen van het hof als volgt beantwoord.



2.7 1)

1) voldoet de vloerverwarmingsinstallatie aan wat [naam2] en [appellant] daarover in de aannemingsovereenkomst en bijbehorende technische omschrijving zijn overeengekomen?


“Wat betreft de ongewenste opwarming vanwege de strook met transportleidingen naar de verschillende groepen (ruimten) geldt vanaf 2021 is de NTA 8800 (bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen in Nederland inclusief de bijbehorende ISSO-publicaties (zoals ISSO 75.1 en ISSO 82.1) dat:

"Als een ruimte warmte ontvangt via transmissie van de transportleidingen van een


aangrenzende ruimte, moet de warmte van de transportleidingen worden meegerekend met de warmtebehoefte van die ruimte."

Dit betekent concreet dat als leidingen warmte afgeven aan een ruimte waar ze doorheen lopen, deze warmte meegeteld moet worden bij de transmissieberekening van die ruimte.

Echter deze specifieke bepaling zoals die nu in de NTA 8800 staat, gold in 2010 nog niet in deze vorm. In 2010 werd de energieprestatie van gebouwen nog bepaald volgens de oudere methodiek met de EPC-berekening op basis van de NEN 5128 (voor woningen) en NEN 2916.

In deze oudere methoden was er minder aandacht voor interne warmtetransmissie via transportleidingen. Warmteafgifte van transportleidingen werd niet expliciet meegerekend in de warmtebehoefte van een aangrenzende ruimte, tenzij er sprake was van een installatieopzet waarbij dit aantoonbaar was.

In de woning van [appellant] is de situatie nu zo dat in de betreffende ruimten waar de transportleidingen liggen -zoals de woonkamer- er een oppervlakte van ca. 40% van de ruimte is die verwarmd wordt door de transportleidingen en het overige van de ruimte door de eigen vloerverwarmingsgroep.


Opmerking hierbij:

Uit deze constatering van deze wijze van de aanleg van de vloerverwarming acht de deskundige het zeer aannemelijk dat de klachten van [appellant] gegrond zijn.
Hierdoor is er volgens de deskundige sprake van een installatieopzet waarbij het aantoonbaar is dat er leidingen in de ruimte aanwezig zijn die warmte afgeven aan de ruimte waar ze doorheen lopen en deze warmte dus meegeteld had moet worden bij de transmissieberekening van die ruimte.
Daar er geen transmissieberekeningen zijn opgesteld en dus ook niet overlegd is niet te verifiëren of de warmte van de transportleidingen is meegerekend met de warmtebehoefte van die ruimte.

Opmerking hierbij:

In productie 18 van akte overlegging producties d.d. 4 mei 2022 met producties 1 t/m 42 zijdens [appellant] , de brief van ARAG met kenmerk AL5/2011006948/402B onderwerp: [appellant] / [naam2] -BKL van28 november 2013 staat vermeld:

"Er is dus door u c.q. [naam2] bij de aanvang van de verbouwingswerkzaamheden mede door het ontbreken van een goede warmteverliesrekening een inschattingsfout gemaakt, waarvan de gevolgen achteraf niet te overzien zijn." [arcering door deskundige]
In productie 33 van akte overlegging producties d.d. 4 mei 2022 met producties 1 t/m 42 zijdens [appellant] , in rapport [naam3] ‘onderzoeksrapport vloerverwarming’ d.d. 28-1-2019 staat vermeld in hoofdstuk 2.1.2 Bespreking aan de “keukentafel”.
“Op onze vraag om een warmteverliesberekening aan te leveren met vloerenlegplan melden [toevoeging: lees [naam2] ] dat de eerste er niet is en de tweede er waarschijnlijk niet meer is. Dhr. [appellant] zegt dat deze er nooit is geweest.”
[toevoeging en arcering door deskundige]
Vanuit de informatie in het dossier zoals hierboven vermeld, blijkt dat partijen reeds hebben gecommuniceerd over het bestaan van een warmteverliesberekening –van vooraf aan de levering en montage van de vloerverwarming- en is geconstateerd dat deze er niet was. De deskundige heeft hierdoor geen nader onderzoek gedaan naar het bestaan van een warmteverlies berekening van vooraf aan de levering en montage van de vloerverwarming.

A.h.v. de klachten van de bewoner acht de deskundige het aannemelijk dat er bij de aanleg van de vloerverwarming op de begane grond in de woning van [appellant] geen rekening is gehouden met dat er leidingen in de ruimte aanwezig zijn die warmte afgeven aan de ruimte waar ze doorheen lopen en deze warmte dus meegeteld had moeten worden bij de transmissieberekening van die ruimte en omdat dit niet gebeurt is levert dit een gebrek op en voldoet de vloerverwarmingsinstallatie niet aan wat [naam2] en [appellant] daarover in de aannemingsovereenkomst en bijbehorende TO zijn overeengekomen.”



2.8 2)

2) kunt u beoordelen of de vloerverwarmingsinstallatie na voltooiing daarvan door [naam2] is aangepast? En zo ja heeft dat invloed op uw antwoord op vraag 1?


“De vloerverwarmingsinstallatie is na voltooiing niet door [naam2] aangepast maar door [appellant] met het voorzien van een EVO Home Systeem, de toevoeging van dit systeem heeft geen invloed op mijn antwoord op vraag 1.”



2.9 3)

3) als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, hoe en in welke zin voldoet de vloerverwarmingsinstallatie dan niet en waar wordt dat door veroorzaakt?


“De vloerverwarming op de begane grond in de woning van [appellant] voldoet niet omdat bij de aanleg van de vloerverwarming er geen rekening is gehouden met dat er transportleidingen in de ruimte aanwezig zijn die warmte afgeven aan de ruimte waar ze doorheen lopen.
De woonkamer is noord-oost georiënteerd met de veranda op de zuid-oost oriëntatie. De veranda heeft een gesloten dak en schermt de aan de tuin georiënteerde gevelpuien volledig af van de zon.

De deskundige acht het aannemelijk dat gezien de betere bouwfysische eigenschappen van de voor woonkamer ten opzichte van de bouwfysische eigenschappen van de achter woonkamer, dat de voor woonkamer sneller op temperatuur is dan de achter woonkamer (Eethoek en TV-kamer).
Als dan 's-ochtends vroeg het zonnetje op de noord-oostgevel staat en de woonkamer op temperatuur is en er geen warmte vraag meer is dan zal de achter woonkamer (Eethoek en TV-kamer) nog steeds warmte vragen en ontstaat het probleem van ongewenste opwarming van de voor woonkamer ten gevolge van de warmtelevering via de transportleidingen naar de achter woonkamer.
Bij 40% van de vloer met ongewenste warmtelevering zonder warmtevraag zal dit klachten opleveren bij de bewoner in de woonkamer en zal daar een ongewenste hoge temperatuur
ontstaan.”



2.10 4)

4) Is sprake van een ontwerpfout en/of een constructiefout en zo ja in welke mate?


“Vanwege dat er in de woning van [appellant] een installatieopzet is waarbij het aantoonbaar is dat er leidingen in de ruimte aanwezig zijn die warmte afgeven aan de ruimte waar ze doorheen lopen had deze warmte meegeteld moet worden bij de transmissieberekening van die ruimte.

A.h.v. de klachten van de bewoner en omdat er geen transmissieberekeningen zijn gemaakt is de conclusie van de deskundige dat er geen rekening is gehouden bij de aanleg van vloerwarming met de warmte van de transportleidingen in de ruimten waar deze doorheen lopen en dat is een ontwerpfout.


Opmerking 1 hierbij:

Bij nieuwbouw van particuliere woningen is de in de praktijk de installateur - in dit geval BKL als onderaannemer van [naam2] - verantwoordelijk voor het maken van de warmteverlies-berekening.
In een klein aantal gevallen kan een architect betrokken zijn bij het maken van een globale warmteverlies-berekening, dit is dan in de ontwerpfase van de woning. Daarbij wordt dit dan bijna altijd door de architect overgedragen aan een specialist.


Opmerking 2 hierbij:

De plek van de verdeler/verzamelaar is volgens de TO voorgeschreven in de bijkeuken, dat is geen gunstige locatie, door deze locatie en de transportleidingen naar de vloerverwarmingsleidingen in de keuken, Eethoek en TV-kamer (achter woonkamer) legt dit nogal beslag op het voor de voorwoonkamer beschikbare vloerveld voor de daar benodigde vloerverwarming.
Meer centraal de verdeler/verzamelaar opstellen was beter geweest, helemaal beter was om twee verdeler/verzamelaars te voorzien, 1 in de bijkeuken en bv. 1 in het portaal, mede gezien de nogal van elkaar verschillende bouwfysische uitgangspunten van de voor- en achter woonkamer.”



2.11 5)

5) leent het gebrek zich voor herstel (binnen deze vloerverwarmingsinstallatie)?


“Om het gebrek alleen te herstellen binnen de vloerverwarmingsinstallatie acht de deskundige niet mogelijk. Vanwege de constructie van de vloeren en de aanpassingen die daar dan moeten plaatsvinden acht de deskundige dat bouwkundig en installatietechnisch niet uitvoerbaar.

In de woning van [appellant] zijn op de begane grond naast de vloerverwarming ook radiatoren voorzien. Deze radiatoren zijn nu aangesloten op de verdeler/verzamelaar.

De deskundige ziet alternatief herstel als volgt:
De radiatoren op de begane grond die nu zijn aangesloten op de verdeler/verzamelaar dienen afgekoppeld worden en bij de cv-ketel dient een verdeler te worden voorzien met 2 groepen, 1 voor de radiatoren en 1 voor de vloerverwarming.
Alle radiatoren op de begane grond (bij beide woonkamergedeelten) dienen gekoppeld te worden aan de groep radiatoren bij de cv-ketel.
De groep van de radiatoren kan dan een hogere water aanvoertemperatuur krijgen om de bij de eethoek en TV-hoek de daar aanwezig radiatoren effectiever mee te kunnen laten lopen voor de ruimtetemperatuur beheersing.



2.12 6)

6) wat zou dat herstel in 2011 bij benadering hebben gekost?


“Inschatting door deskundige van de kosten van herstel in 2011:

Het doen van een opname ter plekke en het maken € 2.200,00
van berekeningen en opstellen 'Plan van herstel'
Engineer 5 dagen/8u x € 55,- = € 2.200,-
Het uitvoeren van de benodigde aanpassingen de € 5.600,00
aan verwarmingsinstallatie aanpassingen:


Maken nieuwe verdeler bij CV-ketel


Aanpassen leidingen naar radiatoren op de begane grond.


Materiaal kosten verdeler en leidingen
+ toebehoren € 2.000,-
Monteurs 5 dagen 2 man
80 uren x € 45,- = € 3.600,-
Het in bedrijf stellen van de installatie + € 880,00
verzorgen van alle inregelstaten en
meetrapporten;
lnbedrijfstellers 2 dagen 1 man
16 uren x € 55,- = € 880,-
Het opstellen van het revisiepakket
Engineer 1 dagen/8u x € 55,- = € 440,- € 440,00

Subtotaal € 9.120,00
Onvoorzien 10% € 912,00 +

Subtotaal exclusief staartkosten € 10.032,00

Winst & Risico 4,0% € 401,28
CAR verzekering 0,2% € 20,06
Voorbereider-werkbegeleider 5,0% € 501,60 +

Totaal excl. BTW € 10.954,94
BTW 21% € 2.300,53 +


Totaal incl. BTW € 13.255,48


* Prijspeil 2011

De deskundige schat de herstelkosten in 2011 op totaal € 13.255,48 inclusief BTW”



2.13 7)

7) wat zal dat herstel in 2025/2026 - indien nog mogelijk - bij benadering kosten?


“De CBS bouwkostenindex voor installatiematerialen laten een stijging zien van ca. 50 %
hoger in 2025 vergeleken met 2011.

Volgens het CBS is de gemiddelde loonkostenontwikkeling bij de installatiebedrijven tussen 2011 en 2025 opgeklommen met ca. 60%.

Herberekening op basis van prijspeil 2025 geeft de volgende kosteninschatting:

Het doen van een opname ter plekke en het maken € 3.520,00
van berekeningen en opstellen 'Plan van herstel'
Engineer 5 dagen/8u x € 88,- = € 3.250,-
Het uitvoeren van de benodigde aanpassingen de € 8.760,00
aan verwarmingsinstallatie aanpassingen:
Maken nieuwe verdeler bij CV-ketel
Aanpassen leidingen naar radiatoren op de begane grond.
Materiaal kosten verdeler en leidingen
+ toebehoren € 3.000,-
Monteurs 5 dagen 2 man
80 uren x € 72,- = € 5.760,-
Het in bedrijf stellen van de installatie + € 1.480,00
verzorgen van alle inregelstaten en
meetrapporten;
lnbedrijfstellers 2 dagen 1 man
16 uren x € 88,- = € 880,-
Het opstellen van het revisiepakket
Engineer 1 dagen/8u x € 88,- = € 704,- € 704,00

Subtotaal € 14.392,00
Onvoorzien 10% € 1.439,00 +

Subtotaal exclusief staartkosten € 15.831,00

Winst & Risico 4,0% € 633,25
CAR verzekering 0,2% € 31,66
Voorbereider-werkbegeleider 5,0% € 791,56 +

Totaal excl. BTW € 17.289,67
BTW 21% € 3.630,41 +

Totaal incl. BTW € 20.918,08

* Prijspeil 2025

De deskundige schat de herstelkosten in 2025 op totaal € 20.918,08 inclusief BTW”



2.14 8)

8) als dat gebrek zich niet voor herstel leent/leende: welke alternatieven zijn er voor een integrale vervanging van de gebrekkige vloerverwarming, of kan het gebrek alleen via een integrale vervanging van de geïnstalleerde vloerverwarming worden opgeheven?


“Zie beantwoording deskundige bij vraag 5”



2.15 9)

9) wat zouden de in vraag 8 bedoelde alternatieven in 2011 bij benadering hebben gekost en wat zullen deze in 2025/2026 bij benadering kosten?


“Zie beantwoording deskundige bij vraag 6 en 7”



2.16 10)

10) wat zou de in vraag 8 bedoelde integrale vervanging in 2011 bij benadering hebben gekost en wat zal deze in 2025/2026 bij benadering kosten?


“Zie beantwoording deskundige bij vraag 5
Om het gebrek alleen te herstellen binnen de vloerverwarmingsinstallatie acht de deskundige niet mogelijk. Vanwege de constructie van de vloeren en de aanpassingen die daar dan moeten plaatsvinden acht de deskundige dat bouwkundig en installatietechnisch niet
uitvoerbaar.”



2.17 11)

11) als er alternatieven zijn voor de integrale vervanging van de vloerverwarmingsinstallatie, hebben die alternatieven dan effect op de verwachte hoogte van de energierekening van [appellant] ? En kunt u de omvang van dat effect inschatten?


“Indien het herstel wordt uitgevoerd op de wijze zoals door de deskundige bij vraag 5 is aangegeven zal de vloerverwarming in combinatie met de radiatoren op de begane grond effectiever worden benut om de woning te verwarmen, de deskundige schat in dat het
gasverbruik slechts in hele geringe mate zal wijzigen dan nu het geval is.”



2.18 12)

12) zijn er andere feiten en omstandigheden waarmee het hof rekening moet houden waar het de (installatie) van de vloerverwarming, het functioneren daarvan vanaf 2011 en het eventuele herstel of de vervanging daarvan betreft?


“Neen”


Commentaar partijen op deskundigenbericht




2.19

[appellant] sluit zich in zijn memorie na deskundigenbericht aan bij de conclusie van de deskundige dat de vloerverwarming niet voldoet aan de overeenkomst die tussen [naam2] en [appellant] daarover is gesloten en dat herstel binnen de bestaande vloerverwarming niet mogelijk is. [appellant] keert zich echter tegen de oplossing van de deskundige voor een alternatief herstel. Volgens [appellant] is het voorgestelde alternatief niet uitvoerbaar omdat de radiatoren op de begane grond niet zijn aangesloten op de verdeler/verzamelaar. Het door de deskundige voorgestelde alternatieve herstel brengt geen verandering in de gebrekkige situatie volgens [appellant] . Hij onderbouwt deze stelling met een verwijzing naar de verklaring van [naam4] . Voor het overige handhaaft hij zijn stellingen en verweren zoals eerder in hoger beroep ingenomen.



2.20
ARAG herhaalt in de memorie na deskundigenbericht haar stellingen en verweren zoals zij die eerder in deze procedure heeft ingenomen en concludeert dat de vordering van [appellant] in zijn procedure tegen [naam2] ook zou zijn gestrand als ARAG die vordering niet had laten verjaren, althans de kans op een beter resultaat in die situatie zo klein en daarmee niet reëel is dat toepassing van de leer van de kansschade achterwege dient te blijven en de vorderingen van [appellant] op haar moeten worden afgewezen.


Oordeel hof




2.21
Het hof is van oordeel dat op grond van het deskundigenbericht is komen vast te staan dat [naam2] toerekenbaar tekort is geschoten in de aanleg van de vloerverwarming in de woning van [appellant] . Uit de deskundigenrapportage blijkt immers dat de warmteafgifte van transportleidingen niet is meegerekend in de warmtebehoefte van de aangrenzende ruimte en dat dit in 2010 wel had gemoeten omdat aantoonbaar was dat er leidingen in de ruimte aanwezig waren die warmte afgeven aan de ruimte waar zij doorheen lopen. Dat betekent dat dit in 2010 meegenomen had moeten worden in een (niet gemaakte) transmissieberekening.



2.22
Ten aanzien van de wijze waarop het herstel van deze fout diende plaats te vinden, neemt het hof de conclusie van de deskundige over en maakt die tot de zijne. Dat betekent dat het hof voor zijn oordeel over de door [appellant] van ARAG gevorderde schade tot uitgangspunt neemt dat het herstel op de volgende wijze kan plaatsvinden:

“(…) De radiatoren op de begane grond die nu zijn aangesloten op de verdeler/verzamelaar dienen afgekoppeld worden en bij de CV ketel dient een verdeler te worden voorzien met 2 groepen, 1 voor de radiatoren en 1 voor de vloerverwarming.

Alle radiatoren op de begane grond (bij beide woonkamergedeelten) dienen gekoppeld te worden aan de groep radiatoren bij de CV ketel.


De groep van de radiatoren kan dan een hogere
water
aanvoertemperatuur krijgen om de bij de eethoek en TV-hoek de daar aanwezig radiatoren effectiever mee te kunnen laten lopen voor de ruimtetemperatuur beheersing (…).”




2.23
De stelling dat die wijze van alternatief herstel niet mogelijk zou zijn, zoals [appellant] heeft betoogd, verwerpt het hof. [appellant] heeft dat standpunt onderbouwd met zijn verwijzing naar de verklaring van [naam4] in reactie op het concept-deskundigenbericht. Daar blijkt volgens [appellant] uit dat de radiatoren beneden al rechtstreeks op de CV-ketel zijn aangesloten. Dat zou de door de deskundige voorgestelde wijze van herstel in de weg staan. De deskundige heeft schriftelijk op deze punten van [appellant] gereageerd en heeft deze vragen en antwoorden toegevoegd aan zijn definitief deskundigenbericht als Bijlage 2 en die antwoorden ook verwerkt in zijn definitieve rapport (onder andere op bladzijde 17-19 bij de beantwoording van vraag 5). Zo heeft de deskundige naar aanleiding van dit punt van [appellant] opgemerkt:



dat in het dossier geen aanwijzing is gevonden dat het leidingwerk door GEBA is aangepast;


dat een nadere bestudering van de foto’s daarvoor evenmin aanwijzingen oplevert;


dat hij het daarom zeer aannemelijk vindt dat de radiatoren op de begane grond zijn aangesloten op de 1e groep op de verdeler/verzamelaar (hof: en dus niet rechtstreeks op de CV-ketel);


dat als toch zou blijken dat de radiatoren op de begane grond al zijn aangepast en rechtstreeks op de CV-ketel zijn aangesloten, dat een aanpassing is die dan (in de geadviseerde alternatieve wijze van herstel) niet meer hoeft te worden uitgevoerd.





2.24
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de uitvoerige reactie van de deskundige aldus dat, ook als [appellant] gelijk zou hebben op dit onderdeel, dat de wijze van herstel die de deskundige heeft geadviseerd niet in de weg staat. Het hof verwerpt deze kritiek van [appellant] op het deskundigenbericht en passeert het door [appellant] op dit punt aangeboden bewijs (dat de radiatoren niet zijn aangesloten op de verdeler/verzamelaar) omdat ook als hij in dit bewijs zou slagen dat de wijze van herstel die door de deskundige is geadviseerd en begroot niet in de weg zou staan.



2.25
Voor het hof is het deskundigenrapport daarom sturend voor beantwoording van de vraag of [naam2] toerekenbaar tekort is geschoten in de aanleg van de vloerverwarming in de woning van [appellant] en hoe de daaruit voortvloeiende schade te begroten is.
Dit rapport is in overeenstemming met de opdracht en voorwaarden van het hof in zijn tussenarrest van 11 maart 2025 tot stand gekomen. Daarbij heeft de deskundige ook de inhoud en aanwijzingen uit de Leidraad deskundige in civiele zaken gevolgd. De inhoud van het rapport is logisch van opbouw, duidelijk en consistent en tot stand gekomen na bestudering van het volledige procesdossier, een onderzoek ter plaatse en met inachtneming van de input van beide partijen. Ook heeft de deskundige, zoals onder meer uit het voorgaande volgt, voldoende gerespondeerd op de opmerkingen van beide partijen op het concept-rapport en dat waar nodig verwerkt in zijn definitieve rapport.


Omvang schade




2.26
De deskundige heeft de kosten voor het herstel van het gebrek in de (aanleg van de) vloerverwarming bij benadering berekend op:

In 2011: € 13.255,48, inclusief BTW;
In 2025/2026: € 20.198,08 inclusief BTW.



2.27
Volgens [appellant] - die deze berekeningen als zodanig niet bestrijdt - dient te worden uitgegaan van het bedrag van € 20.198,08 omdat het herstel van de vloerverwarming nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Nu ARAG na het maken van een beroepsfout zich heeft verweerd tegen de gevorderde vergoeding van de door [appellant] als gevolg daarvan geleden schade is ook de uitvoering van het herstel vertraagd waardoor die kosten zijn toegenomen. Het herstel kan volgens [appellant] pas plaatsvinden als ARAG in deze procedure is veroordeeld om schadevergoeding te betalen.



2.28
ARAG bestrijdt dit. Volgens haar moet de omvang van de schade worden beoordeeld naar het moment waarop die is geleden en is de vergoeding voor een vertraging in de betaling van een geldsom beperkt tot de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Daarmee wordt ook de stijging van de herstelkosten van het gebrek in de vloerverwarming (van ruim
€ 13.000 in 2011 tot ruim € 20.000, - in 2025/2026) ondervangen.
Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van wanprestatie treedt verzuim in beginsel na ingebrekestelling. Wat betreft de vordering van [appellant] op grond van toerekenbaar tekortschieten van [naam2] is dat moment gelegen in 2011. Daarvan gaat ook ARAG uit. Dat staat dus tussen partijen vast. Voor de vaststelling van schade, geleden als gevolg van tekortkoming in een contractuele verplichting, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie bij het wegdenken van die tekortkoming.Het hof gaat er van uit dat de schade die [appellant] heeft geleden door het toerekenbaar tekortschieten van [naam2] moet worden begroot op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van dit toerekenbaar tekortschieten, dus in 2011, is geleden.



2.29
Het hof volgt het standpunt van [appellant] dat vertraging in de uitvoering van herstel en de toename van herstelkosten vanaf 2011 aan ARAG zijn toe te rekenen, niet. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarom hij niet eerder tot herstel heeft kunnen overgaan en waarom vertraging in herstel aan ARAG te wijten is. Het hof zal daarom in het vervolg van deze beslissing uitgaan van het bedrag dat volgens de deskundige in 2011 bij benadering nodig zou geweest voor herstel, te weten € 13.255,48.



2.30
Artikel 6:119 BW normeert de omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting van de debiteur wegens vertraging in de nakoming van een geldverbintenis. [appellant] heeft tegenover ARAG aanspraak op wettelijke rente vanaf 2011. Tot 2016 vloeit dat voort uit de toerekenbare tekortkoming van [naam2] jegens [appellant] als onderdeel van schadebedrag. Vanaf 2016 op grond van vertraging in betaling door ARAG nadat zij de claim van [appellant] op [naam2] in 2016 heeft laten verjaren, zoals ARAG ook in 2016 heeft erkend (bij mail van 29 november 2016). Dat [appellant] in de dagvaarding rente vanaf datum dagvaarding vordert, staat niet in de weg aan berekening van rente vanaf 2011 tot betaling door ARAG, omdat [appellant] in de dagvaarding het schadebedrag heeft gebaseerd op vervanging van de vloerverwarming per heden.



2.31
De stelling van [appellant] dat na dat herstel van het gebrek er een effect op de hoogte van zijn energierekening valt te verwachten, wordt gepasseerd. De deskundige heeft in antwoord op vraag 11 van het hof vastgesteld dat het effect op het gasverbruik in heel geringe mate zal wijzigen. [appellant] heeft, terwijl dat wel op zijn weg lag, geen nadere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zijn energierekening (op een te kwantificeren wijze) zal wijzigen.


Kans




2.32
In zijn tussenarresten van 9 juli en 19 november 2024 heeft het hof beslist dat de schade van [appellant] als gevolg van de beroepsfout van ARAG via de leer van de kansschade moet worden berekend (r.o. 4.8 tot en met 4.10 van het tussenarrest van 9 juli 2024 en r.o. 2.3 tot en met 2.6 van het tussenarrest van 19 november 2024). Dat komt omdat niet concreet kan worden vastgesteld hoe het hoger beroep in de zaak [appellant] / [naam2] zou zijn afgelopen indien ARAG de vordering van [appellant] op [naam2] niet had laten verjaren.
Daarom moet de schade van [appellant] als gevolg van de beroepsfout van ARAG worden ingeschat aan de hand van de goede en kwade kansen die [appellant] zou hebben gehad in het hoger beroep in de zaak [appellant] / [naam2] . Het hof heeft in zijn tussenarrest van 9 juli 2024 (r.o. 4.11 tot en met 4.16) een opsomming gegeven van de feiten en omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de inschatting van deze goede en kwade kansen. In zijn arrest van 19 november 2024 heeft het hof daaraan nog een en ander toegevoegd (r.o. 2.7).



2.33
Het hof stelt bij zijn verdere inschatting van de goede en kwade kansen nogmaals voorop dat partijen in deze procedure alleen het vonnis 2021 uit de procedure [appellant] / [naam2] hebben overgelegd en niet de onderliggende processtukken, zodat het hof van dat vonnis moet uitgaan, echter alleen voor zover die verweren door ARAG in deze procedure ook als verweer tegen de vorderingen van [appellant] zijn aangevoerd. In zijn arrest van 19 november 2024 heeft het hof die als volgt opgesomd:



verjaring;


finale kwijting;


geen toezeggingen in VSO 2014;


geen sprake van gebrek; en


betwisting hoogte schade.





2.34
Ten aanzien van het onder 1. genoemde verjaringsverweer (van [naam2] in de zaak [appellant] / [naam2] ) heeft het hof overwogen dat dat geen behandeling meer behoeft nu dat de grondslag voor de vorderingen in dit geschil betreft. In rov. 4.14 van het tussenarrest van 9 juli 2024 heeft het hof ten aanzien van het verweer van [naam2] dat hij in 2014 geen toezeggingen aan [appellant] (tot herstel van de gebreken in de vloerverwarming) heeft gedaan, reeds beslist hoe het dat verweer als aanknopingspunt voor de goede en kwade kansen zal meewegen.



2.35
Met het genoemde deskundigenbericht is komen vast te staan dat er sprake was een toerekenbare tekortkoming van [naam2] in de nakoming van zijn verplichtingen ten aanzien van de vloerverwarming en dat het herstel daarvan in 2011 € 13.255,48 zou hebben gekost. Daarmee zijn de verweren van ARAG onder 4 en 5 beoordeeld.



2.36
Ten aanzien van de onder 2 in de VSO 2011 opgenomen finale kwijting (van [appellant] aan [naam2] ) heeft het hof in r.o. 4.10 en 4.13 van het tussenarrest van 9 juli 2024 geoordeeld dat het niet met zekerheid concreet kan vaststellen hoe op dat punt in het hoger beroep tegen het vonnis 2021 zou zijn beslist. Ook heeft het hof geoordeeld dat het beroep op de finale kwijting in de VSO 2011 in die procedure een bevrijdend verweer van [naam2] zou zijn geweest, waarvan stelplicht en bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) op hem zou hebben gerust. Dat betekent dat [appellant] in deze procedure slechts aannemelijk hoeft te maken dat dit bevrijdend verweer van [naam2] niet zou zijn gehonoreerd.


Samenvatting goede en kwade kansen




2.37
Het hof stelt voorop dat bij de inschatting van wat er zou zijn gebeurd zonder de fout van ARAG maar een beperkte mate van zekerheid kan worden bereikt omdat het gaat om een inschatting van een hypothetische situatie. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op [appellant] . Aan de stellingen van [appellant] over de hypothetische situatie mogen echter geen (te) strenge eisen worden gesteld, omdat ARAG hem de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over wat zijn positie zou zijn geweest als de hypothetische situatie zich had voorgedaan.



2.38
In de tussenarresten van 9 juli en 19 november 2024 en dit arrest zijn aanknopingspunten voor de inschatting van de goede en kwade kansen in het hoger beroep tegen het vonnis 2021 weergegeven. Samengevat heeft het hof daarover als volgt geoordeeld:



toerekenbare tekortkoning [naam2] is komen vast te staan (r.o. 2.21 van dit arrest);


finale kwijting in VSO 2011: uitkomst onzeker (r.o. 4.10 en 4.13 tussenarrest 9 juli 2024);


toezeggingen in VSO 2014: door [appellant] onvoldoende stellingen in deze procedure over ingenomen (r.o. 4.14 tussenarrest 9 juli 2024);


hoogte schade is komen vast te staan (4.14 tussenarrest 9 juli 2024 en 2.29 van dit arrest).





2.39
Tegen de achtergrond van de in 2.33 weergegeven/samengevatte aanknopingspunten voor de goede en kwade kansen, schat het hof de kans, dat het hoger beroep van [appellant] tegen het vonnis 2021 gunstiger voor hem zou zijn geweest dan dat vonnis, op 40%.
Dat is een reële kans op succes. Daarmee faalt het verweer van ARAG dat [appellant] door haar fout geen kans op een beter resultaat is ontnomen.


Toepassing kans




2.40
Dit betekent dat uitgaande van de door de deskundige begrote schade van
€ 13.255,48 het hof de schade van [appellant] als gevolg van de fout van ARAG inschat op

€ 5.302,19 (40% van € 13.255,48) in hoofdsom.
Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2011 (vgl. randnummer 2.30).


Subsidiaire grondslag




2.41
In hoger beroep heeft [appellant] voorts gesteld dat ARAG hem niet of niet voldoende heeft uitgelegd wat de gevolgen zijn van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (de VSO 2011) en het geven van finale kwijting. Daarmee heeft ARAG/Tulp als juridisch belangbehartiger niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam jurist mag worden verwacht, waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming. ARAG is voor de gevolgen en met name de schade die [appellant] daardoor lijdt aansprakelijk, aldus [appellant] .
Volgens ARAG is dat niet juist en heeft zij de inhoud van het voorstel aan [naam2] met [appellant] besproken.



2.42
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] deze stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door ARAG onvoldoende concreet onderbouwd.
Uit het verweer van ARAG blijkt immers dat [appellant] zelf op 22 juni 2011 een voorstel voor een regeling met [naam2] heeft geformuleerd (en aan ARAG heeft gestuurd) waarin de termen “eindregeling” en “eindvoorstel” meerdere malen worden genoemd. Op basis daarvan heeft ARAG een conceptbrief aan [naam2] opgesteld en [appellant] op 28 juni 2022 om commentaar daarop gevraagd. [appellant] heeft met de conceptbrief ingestemd en aan ARAG geschreven dat hij hoopt dat het voorstel door de tegenpartij geaccepteerd wordt, “zodat wij er eindelijk een keer een punt achter kunnen zetten”. Hieruit volgt dat [appellant] wilde dat er in juni 2011 een definitieve regeling met [naam2] zou worden getroffen en dat hij hierover met ARAG heeft gesproken en gecommuniceerd en zich ervan was bewust dat daarmee zijn geschil met [naam2] zou eindigen. Tegen die achtergrond treft het (subsidiaire) verwijt dat [appellant] nu aan ARAG maakt, namelijk dat deze hem onvoldoende zou hebben geïnformeerd over de gevolgen van een regeling met [naam2] , geen doel.


Conclusie




2.43
Het hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk. Het hof zal het bestreden vonnis deels vernietigen en opnieuw rechtdoende ARAG veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.302,19, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf tot de betaling door ARAG.
Nu partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten van beide instanties compenseren, in die zin dat partijen elk de eigen kosten van de procedure bij de rechtbank en het hof dienen te dragen. Dat geldt ook voor de kosten van de deskundige.





3De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:


3.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 april 2013, met uitzondering van onderdeel 5.1, en opnieuw rechtdoende:



3.2
veroordeelt ARAG een bedrag van € 5.302,19, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 te betalen aan [appellant] ;



3.3
compenseert de proceskosten van beide instanties in die zin dat partijen elk hun eigen kosten dragen en de kosten van het deskundigenbericht elk voor de helft dragen;



3.4
verklaart de veroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;



3.5
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, P.J. van der Korst en Ch. van Dijk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.



















HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3067.


HR 26 april 2002, NJ 2004/210 ECLI:NL:HR:2002:AD9339.


HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388 (Spelersmakelaar) en HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53
Link naar deze uitspraak