Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:1785 
 
Datum uitspraak:24-03-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.336.804
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:6814. Vordering tot vernietiging van arbitrale vonnissen. In het tussenarrest heeft het hof de vernietigingsprocedure geschorst om de commissie van scheidslieden in staat te stellen de geconstateerde grond voor vernietiging van een onderdeel van het arbitrale eindvonnis ongedaan te maken. De commissie heeft de arbitrale procedure vervolgens heropend, partijen gehoord en een herzien arbitraal eindvonnis gewezen. Het hof oordeelt in dit eindarrest dat de geconstateerde grond voor vernietiging van het oorspronkelijke arbitrale eindvonnis daarmee is weggenomen. Verder is niet gebleken van een grond voor vernietiging van het herziene arbitrale eindvonnis. Het hof wijst de vordering tot vernietiging daarom af.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.336.804
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 565205



arrest van 24 maart 2026


in de zaak van



[appellant]


die woont in [woonplaats1]
die optreedt als eiser
hierna te noemen: [appellant]
advocaat: eerst mr. D.J. Kramer (onttrokken), daarna mr. H.C.M. Schaeken (onttrokken), nu mr. W. van Veldhuizen
tegen



[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats2]
die optreedt als gedaagde
hierna te noemen: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.J.G. Peters





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
Het hof heeft op 5 november 2024 een tussenarrest gewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:


de akte uitlaten met het oog op artikel 1065a lid 4 Rv na herstelvonnis van [geïntimeerde] ;


de antwoordakte van [appellant] .





1.2.
Hierna heeft [appellant] het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.






2De verdere beoordeling van de zaak


Kern van de zaak en beslissing tot nu toe



2.1.
Het hof heeft in rov. 2.1 en 2.2 van het tussenarrest de kern van de zaak en de beslissing weergegeven. Dit komt op het volgende neer. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is een geschil gerezen over de wijze waarop de agrarische onderneming die zij samen hebben gedreven moet worden afgewikkeld.

Op verzoek van [geïntimeerde] en met instemming van [appellant] heeft de kantonrechter drie scheidslieden aangewezen ter beslissing van dit geschil. De scheidslieden hebben drie arbitrale vonnissen gewezen. [appellant] vindt dat de arbitrale vonnissen moeten worden vernietigd omdat de scheidslieden de beginselen van hoor en wederhoor en van onpartijdigheid hebben geschonden en de vonnissen daarom in strijd zijn met de openbare orde. [geïntimeerde] betwist dat. Het hof is tot de conclusie gekomen dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, omdat het arbitrale eindvonnis mede is gewezen op basis van een door één van de scheidslieden opgesteld taxatierapport, terwijl partijen geen gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten. Dit betekent dat de wijze waarop het eindvonnis tot stand is gekomen op dit punt in strijd is met de openbare orde. In zoverre doet zich een vernietigingsgrond voor. Het geconstateerde gebrek leent zich echter wel voor herstel. Het hof heeft de vernietigingsprocedure daarom geschorst om de commissie van scheidslieden in staat te stellen de grond voor vernietiging ongedaan te maken, door alsnog hoor en wederhoor toe te passen en een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat in dat kader wordt aangevoerd. Het hof heeft de zaak voor dat doel verwezen naar de commissie van scheidslieden. Partijen hebben gelegenheid gekregen zich vervolgens uit te laten met het oog op de door het hof op de voet van artikel 1065a lid 4 Rv te nemen beslissing.

Herzien arbitraal eindvonnis na heropening van de arbitrale procedure




2.2.

[geïntimeerde] heeft bij zijn akte het herziene arbitraal eindvonnis overgelegd dat de commissie van scheidslieden op 28 april 2025 heeft gewezen. Daaruit blijkt dat de commissie partijen bij e-mailbericht van 25 november 2024 uitleg heeft gegeven over de wijze waarop het arbitraal geding zal worden heropend en bij e-mailbericht van 28 november 2024 het concept-taxatierapport heeft voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept-taxatierapport. Zij hebben dat gedaan. De commissie heeft aan de hand van de ontvangen reacties van partijen geoordeeld dat het taxatierapport geen aanpassing behoeft. Naar het oordeel van de commissie heeft dat tot gevolg dat ook de andere onderdelen uit het arbitrale eindvonnis - die in verband staan met het deel van het eindvonnis ten aanzien waarvan het gebrek is geconstateerd - ongewijzigd blijven. De commissie heeft daarom (I) onder verbetering en aanvulling van de gronden naar aanleiding van het alsnog toegepaste beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het taxatierapport bepaald dat de waarde van de gemeenschappelijke onroerende zaken als genoemd in het taxatierapport € 525.765 is en blijft, en (II) bepaald dat daarmee de oordelen en beslissingen van het arbitrale eindvonnis van 16 mei 2023 ongewijzigd blijven.


Standpunten van partijen over het vervolg




2.3.

[geïntimeerde] is het eens met deze uitspraak. Hij concludeert dat de vordering tot vernietiging moet worden afgewezen. Verder verzoekt hij een redelijke uiterste datum vast te stellen waarop [appellant] het erf moet hebben ontruimd en verlaten en daaraan een dwangsom te koppelen voor het geval [appellant] niet aan zijn verplichting tot ontruiming voldoet. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat dit arrest heeft te gelden als exequatur om de arbitrale vonnissen ten uitvoer te leggen.


2.4.

[appellant] stelt zich allereerst op het standpunt dat het hof het arbitraal eindvonnis direct had moeten vernietigen in plaats van de zaak terug te verwijzen, nu het vonnis in strijd met de openbare orde is gewezen. Hij vraagt het hof daarom het arbitraal eindvonnis alsnog te vernietigen.

Verder kan hij de manier waarop het agrarisch erf met bijgebouwen is getaxeerd niet volgen. Daartoe voert hij het volgende aan. De vof was ooit eigenaar van het gehele complex bestaande uit erf, bijgebouwen en de bedrijfswoning. In 2003 is ten behoeve van Rabobank een recht van hypotheek gevestigd op deze drie percelen. Toen in 2004 de bedrijfswoning aan [geïntimeerde] werd overgedragen, bleef daarop het recht van hypotheek rusten. Zo bezien vormen de percelen - voor de bank en het bedrijf - nog altijd één geheel. Het totale complex is meer waard dan de afzonderlijke bestanddelen. Als de bestanddelen afzonderlijk worden verkocht, is dat zelfs nadelig voor de waarde. De arbiters onderkennen dit, maar besluiten toch om het erf met bijgebouwen te waarderen alsof dit aan een derde zou worden verkocht, met name omdat de bedrijfswoning in het verleden al aan [geïntimeerde] is overgedragen en dus niet meer tot het vermogen van de vof behoort. Deze redenering is volgens [appellant] onlogisch en leidt ook tot een onrechtvaardige uitkomst, omdat [geïntimeerde] het hele complex krijgt voor de prijs van slechts de bestanddelen afzonderlijk. Dit gaat ook ten koste van [appellant] , die zonder de benodigde middelen niet verder kan ondernemen. [appellant] betoogt dat, doordat de arbiters geen rekening hebben gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, de vereffening niet plaatsvindt zoals partijen dat hebben bedoeld en gevorderd en dat de arbiters zich dus niet houden aan hun opdracht. Dat levert volgens hem ook een grond voor vernietiging op. Verder voert hij verweer tegen de verzoeken/vorderingen in de akte van [geïntimeerde] .

Geen heroverweging van de beslissing op grond van artikel 1065a lid 1 Rv




2.5.
Met zijn betoog dat het hof het arbitraal eindvonnis zonder meer had moeten vernietigen vraagt [appellant] het hof in feite terug te komen van de beslissing om de vernietigingsprocedure te schorsen en de zaak te verwijzen naar de commissie van scheidslieden, om deze in staat te stellen de geconstateerde grond voor vernietiging ongedaan te maken. Die beslissing is een eindbeslissing waaraan het hof in beginsel is gebonden. De eisen van een goede procesorde brengen wel mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag bevoegd is om, nadat partijen gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing. Voor heroverweging ziet het hof in dit geval echter geen grond. Zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen, raakt het geconstateerde gebrek weliswaar aan de openbare orde, maar leent het zich voor herstel: door de commissie in staat te stellen alsnog hoor en wederhoor toe te passen en een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming daarvan. Het hof heeft daarbij overwogen geen reden te zien voor twijfel dat de commissie dat naar eer en geweten, onafhankelijk en onpartijdig, zal doen. In deze omstandigheden heeft het hof aanleiding gezien gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 1065a lid 1 Rv om de zaak terug te verwijzen naar de commissie om het gebrek te herstellen door heropening van het geding. In de parlementaire geschiedenis is weliswaar (in het algemeen) opgemerkt dat een vonnis dat in strijd met de openbare orde is gewezen niet voor terugverwijzing in aanmerking komt, maar een categorische beperking op dat punt volgt niet uit de tekst van de wet. De ratio en het systeem van de wet dwingen daar ook niet toe. Dat is anders als de rechter tot het oordeel komt dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt: in dat geval ontbreekt een van de vereisten voor arbitrage en kan van terugverwijzing naar arbitrage ook geen sprake zijn. Bij de hier geconstateerde vernietigingsgrond (strijd met de openbare orde wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor) doet zich dat echter niet voor. Toepassing van artikel 1065a lid 1 Rv in deze situatie komt ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces. Het is het hof dan ook niet gebleken dat de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.




Geen grond voor vernietiging van het herziene arbitraal eindvonnis




2.6.
Het hof begrijpt dat [appellant] het niet eens is met de wijze waarop de commissie van scheidslieden het agrarisch erf en de bedrijfsgebouwen heeft getaxeerd. Een grond voor vernietiging levert dat echter niet op. Het hof ziet ook niet in dat de commissie, door het erf en de bedrijfsgebouwen te taxeren op de wijze zoals zij heeft gedaan, zich niet aan haar opdracht heeft gehouden. De opdracht volgt uit de beschikking van de rechtbank van 2 december 2020 waarbij de scheidslieden zijn benoemd in het tussen partijen gerezen geschil over de beëindiging van de vof, de voortzetting van de door de vof gedreven onderneming door [geïntimeerde] of [appellant] en de toedeling, verdeling en/of vereffening van het vennootschapsvermogen. In dat kader moest onder meer het vennootschapsvermogen worden gewaardeerd. De vorderingen die partijen in de arbitrale procedure hebben ingesteld vloeien daaruit voort. [appellant] heeft niet gesteld dat partijen de scheidslieden in dat kader een bepaalde maatstaf hebben opgedragen die zij voor de waardering moeten aanleggen. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat partijen een andere (gezamenlijke) bedoeling hadden ten aanzien van de wijze van waardering dan de commissie heeft gehanteerd. Ook in dat opzicht bestaat dus geen grond voor vernietiging van het herziene arbitraal eindvonnis.


Conclusie ten aanzien van de vordering van [appellant]




2.7.
De conclusie is dat de door het hof geconstateerde grond voor vernietiging van het oorspronkelijke arbitraal eindvonnis is weggenomen. Verder is niet gebleken van een grond voor vernietiging van het herziene arbitraal eindvonnis. Mede gelet op de beslissingen die in het tussenarrest al zijn genomen, betekent dit dat de vordering van [appellant] tot vernietiging van de arbitrale vonnissen moet worden afgewezen.


Beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde]




2.8.
De vordering van [geïntimeerde] om een uiterste datum vast te stellen waarop [appellant] het erf moet hebben ontruimd en verlaten en daaraan een dwangsom te koppelen valt buiten het bestek van deze vernietigingsprocedure. Hetzelfde geldt voor de vordering te bepalen dat dit arrest heeft te gelden als exequatur om de arbitrale vonnissen ten uitvoer te leggen; het verlof voor tenuitvoerlegging moet in een afzonderlijke verzoekschriftprocedure aan de voorzieningenrechter worden gevraagd (zie artikel 1062 Rv). Het hof zal [geïntimeerde] daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.


Beslissing over de proceskosten




2.9.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen broers van elkaar zijn en de familieverhouding op de achtergrond een rol speelt bij hun geschil.













3De beslissing

Het hof:


3.1.
wijst de vordering van [appellant] af;



3.2.
verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;



3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M.S.A. van Dam en M.G. van ‘t Westeinde, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Link naar deze uitspraak