|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:1790 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.347.013 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | 3:44 lid 4 BW, 7:347 BW en 7:359 BW.
Misbruik van omstandigheden bij aangaan schriftelijke reguliere pachtovereenkomst door demente verpachter. Schriftelijke pachtovereenkomst dus vernietigd. Bestaande mondelinge pachtovereenkomst die door vernietiging weer relevant is wordt ontbonden omdat pachters zich met misbruik van omstandigheden niet als goed pachters hebben gedragen (artikel 7:347 BW). Vergoeding van werkelijk geleden schade voor voortgezet gebruik ondanks betekening ontruimingsvonnis begroot op grond van wat geliberaliseerde pacht zou hebben opgebracht. Geen schenking tractor aan pachters. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | erfgenamen | | | geliberaliseerde pacht | | | grondkamer | | | landbouwgrond | | | pachtkamer | | | perceel | | | schenker | | | schenking | | | stallen | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.013
zaaknummer rechtbank Limburg 10236860
arrest van de pachtkamer van 24 maart 2026
in de zaak van
1 [appellant1]
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeente1]
hierna: [appellant1]
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeente1]
hierna: [appellant2] en samen met [appellant1] , [appellanten] (in mannelijk meervoud)
advocaat: mr. J.M.M. Kroon
en
de erfgenamen van [erflater]
die woonde in [woonplaats1] , gemeente [gemeente1]
hierna: de [erfgenamen]
advocaat: mr. E.H.M. Harbers
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 19 augustus 2025 heeft op 15 januari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna is arrest bepaald.
2. De kern van de zaak; feiten; wat partijen vorderen en de rechtbank heeft beslist
De kern van de zaak
2.1.
Het gaat er in deze zaak om of [appellanten] misbruik hebben gemaakt van omstandigheden bij het aangaan van een schriftelijke reguliere pachtovereenkomst tussen [erflater] en [appellanten] Het hof is van oordeel dat dat het geval is. Hierna wordt uitgelegd waarom en worden nog enkele ander geschilpunten beoordeeld. Het vonnis wordt bekrachtigd.
De feiten waarvan het hof uitgaat
2.2.
[erflater] ( [erflater] ) was eigenaar van een aantal percelen landbouwgrond. [appellant1] gebruikte percelen landbouwgrond van [erflater] tegen betaling. Deze percelen landbouwgrond zijn door vererving overgegaan op de [erfgenamen] .
2.3.
[erflater] , die is geboren in 1935 , is in mei 2017 gediagnosticeerd met Alzheimer (beginnend). Hij heeft mevrouw [gemachtigde] ( [gemachtigde] ) bij levenstestament in juni 2017 een algemene volmacht gegeven die ook op dat moment is ingegaan. Op 17 januari 2019 heeft de casemanager Hulp bij Dementie Midden-Limburg geschreven dat [erflater] zelf aangeeft langzaam het overzicht kwijt te raken. Men heeft vastgesteld dat hij duidelijk meer vergeetachtig is en vaker hetzelfde vertelt. Op 4 maart 2020 heeft de klinisch geriater van [erflater] vastgesteld dat sprake is van gevorderde dementie.
2.4.
[gemachtigde] heeft rentmeester [rentmeester] ingeschakeld die [appellanten] eind 2018 benaderd heeft om de mondelinge pacht schriftelijk vast te leggen en daarbij geliberaliseerde pacht heeft aangeboden.
2.5.
In november 2018 heeft [gemachtigde] met een van de heren [appellanten] gebeld en aangegeven dat zij gevolmachtigde van [erflater] was. [appellanten] hebben eind 2018, naar aanleiding van het bezoek van [rentmeester] , met [erflater] gesproken over het vastleggen van de pacht en hebben toen de heer [adviseur] van [adviesbureau] ingeschakeld om een pachtovereenkomst op te stellen tussen zowel [appellant1] als [appellant2] als pachters en [erflater] . Zij hebben daarvoor ook van [erflater] zijn identiteitsbewijs gekregen om de pachtovereenkomst te kunnen opstellen. Bij het terugbrengen daarvan zijn [appellant2] en [gemachtigde] elkaar in het huis van [erflater] tegengekomen. Bij het opstellen van deze pachtovereenkomst heeft [adviseur] zich gebaseerd op de informatie die hij heeft gekregen van [appellanten] en heeft hij geen direct contact gehad met [erflater] . Ook op 7 januari 2019 heeft [gemachtigde] gebeld met één van de heren [appellanten] Zij heeft toen aangegeven enige en algemeen gevolmachtigde van [erflater] te zijn. [appellanten] hebben verklaard dat zij altijd hebben gezegd dat [erflater] geen last had van dementie en nog scherp was.
2.6.
De pachtovereenkomst die [adviseur] heeft opgesteld is getekend (alhoewel [erflater] heeft betwist dat het zijn handtekening is, die op het document staat) en gedateerd op 28 januari 2019 (hierna wordt deze pachtovereenkomst aangeduid als de pachtovereenkomst van januari 2019). [appellanten] hebben deze pachtovereenkomst ingestuurd naar de grondkamer, die de pachtovereenkomst heeft goedgekeurd.
2.7.
De pachtovereenkomst van januari 2019 ziet op de percelen landbouwgrond kadastraal bekend gemeente [gemeente2] sectie [sectieletter 1] nummers [...] , [...] , [...] , gemeente [gemeente3] sectie [sectieletter 2] nummers [...] , [...] en [...] en gemeente [gemeente4] sectie [sectieletter 3] nummers [...] , [...] , [...] met een totale oppervlakte van 6.61.83 ha (hierna: de percelen A), en op de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente4] sectie [sectieletter 3] [...] , [sectieletter 3] [...] , [sectieletter 6] [...] , gemeente [gemeente2] sectie [sectieletter 4] [...] en gemeente [gemeente5] [sectieletter 5] [...] (hierna: de percelen B). Perceel [gemeente4] sectie [sectieletter 6] [...] wordt hierna ook perceel [X] genoemd.
2.8.
[erflater] heeft op enig moment een John Deere tractor (hierna: de tractor) aangeschaft. Deze tractor werd tot het vonnis van de pachtkamer in Roermond gehouden door [appellanten] [gemachtigde] had deze teruggevraagd, maar [appellanten] hebben hem niet teruggegeven. Naar aanleiding van het vonnis van de pachtkamer in Roermond is de tractor aan [gemachtigde] teruggegeven, maar zonder kentekenbewijs.
De vorderingen van partijen
2.9.
[erflater] heeft bij de pachtkamer in Roermond na een eisvermindering het volgende gevorderd:
I. (a) Een verklaring voor recht dat tussen [erflater] en [appellanten] geen schriftelijke pachtovereenkomst voor de percelen A en de percelen B tot stand is gekomen. Als dat niet wordt toegewezen wil [erflater] dat de pachtovereenkomst van januari 2019 wordt vernietigd en, als dan een mondelinge pachtovereenkomst zou herleven ten aanzien van de percelen A en B, dat deze mondelinge overeenkomst dan wordt ontbonden op grond van artikel 7:376 BW. [erflater] wil ook dat de percelen A worden ontruimd op straffe van een dwangsom. (b) Als deze vorderingen onder I (a) niet worden toegewezen wil [erflater] dat voor recht verklaard wordt dat de percelen B niet tot het gepachte behoren en dat vastgelegd wordt dat de pachtovereenkomst van januari 2019 alleen betrekking heeft op de percelen A.
II. Een veroordeling van [appellanten] tot afgifte van de tractor.
2.10.
[appellanten] hebben bij de pachtkamer in Roermond geen tegenvordering ingesteld.
De beslissing van de pachtkamer in Roermond
2.11.
De pachtkamer in Roermond heeft de pachtovereenkomst van januari 2019 vernietigd, de tussen [erflater] en [appellant1] bestaande mondelinge pachtovereenkomst ontbonden en [appellanten] veroordeeld om binnen 60 dagen na betekening van het vonnis de percelen A te ontruimen. Ook heeft zij [appellanten] veroordeeld om de tractor binnen 14 dagen na betekening van het vonnis af te geven. Verder zijn de vorderingen van [erflater] afgewezen.
Wat partijen in hoger beroep vorderen
2.12.
Zowel [appellanten] als de [erfgenamen] zijn in hoger beroep gekomen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Ook hebben [appellanten] in hun hoger beroep gevorderd dat, als dit hof oordeelt dat de pachtovereenkomst tussen [erflater] en [appellant1] ten onrechte is ontbonden waardoor de (mondelinge) pachtovereenkomst tussen [appellant1] en [erflater] herleeft, het hof deze mondelinge pachtovereenkomst alsnog schriftelijk vastlegt en [appellant2] als pachter in de plaats stelt van [appellant1] , of als dat niet toegewezen wordt, voor recht verklaart dat met ondertekening van de pachtovereenkomst van januari 2019 een schriftelijke pachtovereenkomst tot stand is gekomen voor de percelen A. [appellanten] willen ook een verklaring voor recht dat – zo begrijpt het hof – de tractor eigendom is van [appellanten] en een bevel tot teruggave van deze tractor aan [appellanten] .
2.13.
De [erfgenamen] hebben in hun hoger beroep hun eis vermeerderd. Zij willen dat [appellanten] , die het gepachte niet ontruimd hebben, worden veroordeeld om als schadevergoeding te betalen een bedrag van € 13.539 per jaar vanaf 3 november 2024 tot de datum van daadwerkelijke ontruiming. Ook vorderen de [erfgenamen] aanvullend de afgifte van een kentekenbewijs voor de tractor op straffe van een dwangsom, omdat [appellanten] de tractor wel hebben afgegeven maar het kentekenbewijs niet. Ook hebben de [erfgenamen] voorwaardelijk hoger beroep ingesteld. Als dit hof het vonnis van de pachtkamer in Roermond ten aanzien van de vernietiging van de pachtovereenkomst van januari 2019 niet in stand laat, dan willen de [erfgenamen] dat dit hof de pachtovereenkomst van januari 2019 met betrekking tot de percelen A en B ontbindt en beveelt deze percelen te ontruimen op straffe van een dwangsom en als dat niet wordt toegewezen dat in ieder geval de pachtovereenkomst ten aanzien van het perceel [X] op grond van artikel 7:377 BW wordt ontbonden.
3De toelichting op de beslissing van het hof
[appellant] kan niet voor het eerst in hoger beroep tegenvorderingen instellen
3.1.
[appellanten] hebben voor het eerst in hoger beroep tegenvorderingen ingesteld. Daartegen maken de [erfgenamen] terecht bezwaar. Het is niet mogelijk voor het eerst in hoger beroep tegenvorderingen in te stellen. Het hof zal [appellanten] dan ook ten aanzien van deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Het betreft de vorderingen van [appellanten] tot vastlegging van een pachtovereenkomst en indeplaatsstelling van [appellant2] en de gevorderde verklaringen voor recht. De vordering tot teruggave van de tractor is wel ontvankelijk, omdat het een vordering betreft tot ongedaanmaking van een prestatie die ter uitvoering van het bestreden vonnis is verricht (namelijk afgifte van de tractor). Daarop gaat het hof hieronder in.
[appellanten] hebben misbruik gemaakt van omstandigheden
3.2.
De pachtkamer in Roermond heeft geoordeeld dat de pachtovereenkomst van januari 2019 door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en heeft deze daarom vernietigd. Daartegen komen [appellanten] op.
3.3.
Misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 lid 4 BW is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij het verrichten van die rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien. Tot die omstandigheden kan behoren dat de ander door de desbetreffende rechtshandeling (ernstig) is benadeeld. Tussen de rechtshandeling en de bijzondere omstandigheid moet een causaal verband bestaan: zonder de bijzondere omstandigheid zou de rechtshandeling niet tot stand gekomen zijn. Het hof sluit daarbij aan bij de maatstaf die de pachtkamer in Roermond heeft uiteengezet, waartegen partijen ook niet zijn opgekomen.
3.4.
Het hof stelt het volgende voorop. Vaststaat dat [appellanten] het tot stand komen van de pachtovereenkomst van januari 2018 hebben bevorderd. Zij hebben deze immers laten opstellen en door [erflater] laten ondertekenen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat [erflater] daadwerkelijk de pachtovereenkomst van januari 2019 heeft getekend, komt het er in dit geval op aan of (i) hij door een bijzondere omstandigheid daartoe is bewogen en het anders niet zou hebben gedaan, en (ii) of hetgeen [appellanten] wisten of moesten begrijpen hen van het bevorderen van die overeenkomst moest weerhouden. Het hof is van oordeel dat aan deze twee vereisten is voldaan en licht dat hieronder toe.
(i) [erflater] is door zijn dementie bewogen de pachtovereenkomst van januari 2019 aan te gaan
3.5.
Vaststaat dat bij [erflater] dementie is vastgesteld. Die dementie is in de loop van tijd erger geworden. Dat blijkt uit de verschillende medische rapportages. Uit het verslag van 17 januari 2019 van de casemanager Hulp bij Dementie Midden-Limburg blijkt dat [erflater] zelf zijn zaken op dat moment niet meer goed kon overzien. In 2020 was er sprake van ernstige dementie. Wanneer deze vaststaande feiten gecombineerd worden met de nadelige gevolgen van de pachtovereenkomst voor [erflater] , komt het hof tot de conclusie dat de dementie van [erflater] ertoe heeft geleid dat hij de pachtovereenkomst van januari 2019 heeft getekend. Die nadelige gevolgen bestaan eruit dat ten opzichte van de mondelinge pachtovereenkomst die tussen partijen bestond, in de pachtovereenkomst van januari 2019 perceel B [X] aan de pachtrelatie is toegevoegd en dat [appellant2] partij is bij de pachtovereenkomst van januari 2019.
3.6.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij perceel B [X] niet al voor 2019 in gebruik hadden. [appellanten] hebben geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt, terwijl zij daartoe wel in staat moeten worden geacht. [erflater] heeft verklaringen overgelegd en een aanzegging door de gemeente waaruit blijkt dat het perceel in gebruik was bij [gebruiker1] . Op de mondelinge behandeling bevraagd heeft [appellant1] verklaard dat telkens als hij het perceel wilde maaien, dat al door iemand anders was gebeurd. Ook uit de omschrijving bij de pachtbetalingen voor 2019, waarbij klaarblijkelijk naar kavels is verwezen, kan niet afgeleid worden dat B [X] daaronder viel. Het hof is van oordeel dat [appellanten] daarmee onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken dat voor de overeenkomst van januari 2019 B [X] niet tot het gepachte behoorde. De verpachting van dit perceel betekent dan ook dat [erflater] met de pachtovereenkomst van januari 2019 een voor hem nadelige transactie is aangegaan. Dat klemt in dit geval temeer, omdat dit perceel naast de woning van [erflater] ligt en de verpachting daarom ook invloed heeft op dit woonperceel.
3.7.
Ook de toevoeging van [appellant2] aan de pachtrelatie is ongunstig voor [erflater] . [appellanten] hebben betoogd dat zij indeplaatsstelling hadden kunnen vorderen op grond van artikel 7:363 BW, ook als de mondelinge pacht werd voortgezet die bestond voor de pachtovereenkomst van januari 2019 en dat deze vordering tot indeplaatsstelling zou zijn toegewezen. Er is gezien de overgelegde jaarstukken en gecombineerde opgaven reden om aan te nemen dat het bedrijf van [appellant2] en zijn bedrijfsvoering aan de eisen voldoen die daaraan bij indeplaatsstelling gesteld zouden moeten worden. De rechter beslist echter over een dergelijke vordering naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Ook andere factoren kunnen daarbij een rol spelen. Door de pachtovereenkomst van januari 2019 aan te gaan is aan [erflater] de mogelijkheid ontnomen om over de indeplaatsstelling en de gevolgen daarvan advies in te winnen, daarover een geïnformeerde afweging te maken, mede in het licht van alle omstandigheden, en zo nodig de rechter te vragen daarover een uitspraak te doen.
3.8.
Er was dus geen sprake van een vastlegging van de al bestaande pachtrelatie. De pachtovereenkomst van januari 2019 is ook niet als zodanig opgesteld. Het argument dat vastlegging van een al bestaande pachtovereenkomst geen rechtshandeling zou zijn, zoals [appellanten] hebben betoogd, die dus ook niet op grond van misbruik van omstandigheden vernietigd kan worden, gaat al om die reden niet op. Dat [erflater] wilde dat [appellant2] zou gaan pachten leidt niet tot een andere conclusie, omdat daarmee nog niet uitgesloten is dat die wil als gevolg van misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en is geuit en dat sprake is van een wilsgebrek.
(ii) Wat [appellanten] wisten of moesten begrijpen had hen van het bevorderen van de pachtovereenkomst van januari 2019 moeten weerhouden
3.9.
Wat [appellanten] wisten of hadden moeten begrijpen ziet niet alleen op de wetenschap van de dementie van [erflater] , maar ook op hun wetenschap omtrent wat als benadeling van het slachtoffer kan worden aangemerkt, en omtrent alles wat overigens van belang zou kunnen zijn voor het oordeel of zij zich van het bevorderen van de totstandkoming van de rechtshandeling had behoren te onthouden.
3.10.
Vaststaat dat [gemachtigde] twee keer met [appellanten] gesproken heeft. [appellanten] hebben onvoldoende betwist dat [gemachtigde] in die gesprekken heeft gezegd dat zij een volmacht voor [erflater] had om zijn zaken te regelen. [appellanten] hebben niet gemotiveerd ontkend dat [gemachtigde] ook duidelijk heeft gemaakt dat [erflater] last had van dementie. Zij hebben op die vraag gereageerd door te benadrukken dat [erflater] volgens hen ten tijde van het tekenen van de pachtovereenkomst niet dement was, maar nog scherp was en wist wat hij wilde. Het hof is echter van oordeel dat [appellanten] uit de mededelingen van [gemachtigde] hadden moeten begrijpen dat er kennelijk zorg bestond over de mentale gezondheid van [erflater] en dat [erflater] [gemachtigde] daarom had aangesteld als gevolmachtigde omdat hij kennelijk problemen ervoer om zelf zijn eigen zaken te regelen. Dat had aanleiding moeten zijn voor [appellanten] om extra zorgvuldig en transparant op te treden, om zeker te stellen dat voor de belangen van [erflater] gewaakt werd. [appellanten] hebben dat niet gedaan. Zij hebben, mogelijk daartoe aangezet doordat [rentmeester] aanstuurde op een geliberaliseerde pachtovereenkomst, bewust [gemachtigde] buiten het sluiten van de pachtovereenkomst gehouden, terwijl zij hadden moeten begrijpen dat zij betrokken wilde worden maar ook móest worden omdat zij om goede redenen een volmacht had. Ook [rentmeester] , die hen had bezocht namens [erflater] , hebben zij verder niet betrokken. Daarbij hebben ze er ook niet voor gekozen om precies de pachtrelatie vast te leggen die al bestond, maar hebben ze die relatie in hun voordeel veranderd. [appellanten] hadden moeten begrijpen dat deze omstandigheden hen hadden moeten weerhouden deze pachtovereenkomst door [erflater] te laten ondertekenen. Daarmee hebben zij misbruik gemaakt van omstandigheden.
3.11.
[appellanten] hebben zich erop beroepen dat [erflater] ontstemd was dat [gemachtigde] zich met het vastleggen van de pacht bemoeide. Dat leidt niet tot een ander oordeel. Zij waren ermee bekend dat [erflater] volgens de mededeling van [gemachtigde] dementerend was en dat [gemachtigde] om die reden gevolmachtigd was. Dat had hen ervan moeten weerhouden om de pachtovereenkomst – zonder tussenkomst van [gemachtigde] – met [erflater] te sluiten.
3.12.
Het hof zal dus de vernietiging van de pachtovereenkomst van januari 2019 bekrachtigen.
Moet de mondelinge pachtovereenkomst tussen [appellant1] en [erflater] ontbonden worden
3.13.
De pachtkamer in Roermond heeft geoordeeld dat [appellanten] door misbruik te maken van omstandigheden ernstig tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichting zich als een goed pachter te gedragen. Daarom heeft de pachtkamer de mondelinge pachtovereenkomst die bestond voor de pachtovereenkomst van januari 2019 ontbonden. Daartegen komen [appellanten] op.
3.14.
[appellanten] hebben zich ten aanzien van het gebruik van het gepachte niet als een goed pachter gedragen (7:347 BW) door te handelen op de wijze als hiervoor vastgesteld. Dergelijk handelen kan ook betrekking hebben op gedragingen van de pachter die buiten gebruik van het gepachte liggen mits voldoende verband bestaat met de pachtovereenkomst. De ernst van deze tekortkoming rechtvaardigt ook de ontbinding van de mondelinge pachtovereenkomst tussen [appellant1] en [erflater] , omdat door te handelen zoals zij gedaan hebben, [appellanten] van de zwakte van [erflater] gebruik gemaakt hebben om in hun eigen voordeel de pachtrelatie te wijzigen. Het hof zal dan ook de ontbinding van de mondelinge pachtovereenkomst bekrachtigen.
3.15.
De voorwaarde voor het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep van de [erfgenamen] is niet vervuld. Het hof hoeft dat daarom niet te behandelen.
[appellanten] moeten schadevergoeding betalen
3.16.
De [erfgenamen] hebben in hun hoger beroep schadevergoeding gevorderd van € 13.539 per jaar omdat [appellanten] de percelen A niet ontruimd hebben, ondanks betekening van het vonnis. Daarbij beroepen de [erfgenamen] zich op artikel 7:359 BW.
3.17.
Op grond van artikel 7:359 BW heeft een verpachter recht op een vergoeding gelijk aan de pachtprijs, als een pachter het gepachte onrechtmatig onder zich houdt, onverminderd het recht van de verpachter op het meerdere.
3.18.
Nu het hof het vonnis van de pachtkamer in Roermond ten aanzien van de vernietiging en ontbinding zal bekrachtigen en ook niet betwist is dat [appellanten] deze percelen ondanks betekening van het vonnis van de pachtkamer in Roermond niet hebben ontruimd, staat vast dat [appellanten] de percelen A onrechtmatig in gebruik hebben gehouden. De [erfgenamen] hebben recht op schadevergoeding.
3.19.
De [erfgenamen] hebben hun schade begroot op het bedrag aan geliberaliseerde pacht dat zij hadden kunnen vragen, als zij de gronden geliberaliseerd hadden kunnen verpachten. Daarmee doen zij niet zozeer een beroep op de vergoeding gelijk aan de pachtprijs, waarnaar artikel 7:359 BW verwijst, als wel op een vergoeding van hun werkelijke schade, wat artikel 7:359 BW ook mogelijk maakt.
3.20.
[appellanten] betogen dat de [erfgenamen] deze schade onvoldoende hebben onderbouwd, omdat zij onvoldoende hebben toegelicht wie dan welk gewas op het gepachte zou telen en de pachtsommen onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof volgt hen daarin niet. De grond was zodanig waardevol dat [appellanten] , ondanks een rechterlijk bevel daartoe, deze niet hebben ontruimd. Dat deze gronden geliberaliseerd verpacht hadden kunnen worden is dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof is, dankzij zijn deskundige leden, in staat te oordelen dat de door de [erfgenamen] gevorderde geliberaliseerde pacht realistisch is. De oppervlaktes die de [erfgenamen] genoemd hebben voor tuingrond voor asperges en voor aardappelen zijn niet betwist. Het hof zal de gevorderde € 13.539 per jaar vanaf 3 november 2024 tot de datum van werkelijke ontruiming dus toewijzen.
De tractor is van de [erfgenamen] en [appellanten] moeten het kentekenbewijs afgeven
3.21.
[appellanten] komen ertegen op dat de pachtkamer in Roermond heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [erflater] de tractor aan [appellanten] heeft overgedragen. Zij bieden hiervan ook bewijs aan door het horen van zichzelf als getuigen.
3.22.
Niet betwist is dat [erflater] de tractor heeft gekocht en de eigenaar was. [appellanten] beroepen zich er echter op dat [erflater] deze tractor aan hen geschonken heeft. Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Dat aan deze elementen is voldaan, kan uit de stellingen van [appellanten] niet worden afgeleid. Dat [appellanten] vinden dat zij recht hebben op de tractor omdat zij landbouwwerktuigen gestald hebben is voldoende toegelicht. Maar dat [erflater] bedoeld heeft ten laste van zijn vermogen het vermogen van [appellanten] te verrijken is niet gebleken. Onvoldoende toelichting is gegeven hoe, waar, wanneer en op welke manier [erflater] daarmee heeft ingestemd of op grond van welke omstandigheden [appellanten] op een dergelijke wilsovereenstemming gerechtvaardigd mochten vertrouwen. Hetzelfde geldt voor de in eerdere gedingstukken genoemde afspraak om de tractor in betaling te gegeven voor het stallen van landbouwwerktuigen. Aan bewijs komt het hof daarom niet toe.
3.23.
De [erfgenamen] hebben afgifte gevorderd van het kentekenbewijs voor de tractor. Nu het hof de veroordeling van [appellanten] om de tractor af te geven zal bekrachtigen zal het hof deze vordering toewijzen. Omdat [appellanten] niet voldaan hebben aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de pachtkamer in Roermond zal het hof aan deze veroordeling de gevorderde dwangsom verbinden. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. Het hof zal daaraan een maximum verbinden van € 10.000.
Bewijsaanbod
3.24.
De bewijsaanbiedingen van [appellanten] worden gepasseerd. Voor zover zij hierboven al niet behandeld zijn en de aanbiedingen voldoende specifiek zijn kunnen de stellingen waarvan bewijs is aangeboden niet tot een andere conclusie leiden.
De conclusie
3.25.
Het hoger beroep van [appellanten] slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in het hoger beroep van [appellanten] veroordelen. Het hof zal [appellanten] ook veroordelen in de proceskosten van de [erfgenamen] in het incident, waarin dit hof eerder arrest heeft gewezen.
3.26.
Het hoger beroep van de [erfgenamen] slaagt. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in het hoger beroep van de [erfgenamen] veroordelen. Onder die proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.27.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 28 augustus 2024, behalve de beslissing onder 5.8 die hierbij wordt vernietigd;
4.2.
verklaart [appellanten] niet ontvankelijk ten aanzien van hun vorderingen uiteengezet in rov. 3.1;
4.3.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van een schadevergoeding van € 13.539 per jaar, te rekenen vanaf 3 november 2024 tot de datum van daadwerkelijke ontruiming van de percelen van [erflater] ;
4.4.
veroordeelt [appellanten] tot afgifte van het kentekenbewijs behorende bij de aan de [erfgenamen] afgegeven tractor binnen veertien dagen na betekening van het arrest, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat [appellanten] in gebreke blijven met een maximum van € 10.000;
4.5.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van de [erfgenamen] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 135,96 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van het exploot van vervroeging aan [appellanten]
€ 5.160 aan salaris van de advocaat van de [erfgenamen] (2 procespunten voor de hoofdzaak en 1 procespunt voor het incident x het toepasselijk tarief II à € 1.290 en 2 procespunten voor het incidenteel appel x de helft van het toepasselijke tarief II);
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, J.H. Lieber en S.C.P. Giesen en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B.Th.W. Lamers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Hoge Raad 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327.
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:762.
C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, M.v.A. II p. 212.
Vgl. Hoge Raad 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1858.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|