|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:185 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-02-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.360.947 | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Eindarrest. Artikel 350 Fw. Verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Geen verwijzing naar de rechtbank voor homologatie van een akkoord (artikel 329 Fw). Bekrachtiging. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | bijstandsuitkering | | | inkomstenbelasting | | | schenking | | | zorgtoeslag | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.947
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen [nummer]
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.C.W. Plaat
1De voorafgaande procedure
1.1.
Het gerechtshof (hierna: het hof) heeft in het arrest van 15 maart 2024 ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) uitgesproken. [naam1] is tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
In de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) van 5 september 2024 is de termijn van de wsnp verlengd met één jaar.
1.3.
De rechtbank heeft in het vonnis van 23 oktober 2025, het verzoek van de bewindvoerder om de toepassing van de wsnp ten aanzien van [appellant] tussentijds te beëindigen toegewezen en heeft bepaald dat de toepassing van de wsnp vier weken nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan eindigt.
2. De procedure bij het hof
2.1.
In het op 31 oktober 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 oktober 2025. Hij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de toepassing van de wsnp ten aanzien van hem wordt voortgezet, eventueel met een verlenging van de looptijd daarvan.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift;
- het bericht van 22 december 2025 van de bewindvoerder;
- het bericht van 29 december 2025 namens [appellant] met het procesdossier van de rechtbank;
- de berichten van 31 december 2025 namens [appellant] ;
- het bericht van 2 januari 2026 namens [appellant] ;
- het bericht van 5 januari 2026 namens [appellant] .
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2025, waarbij [appellant] is verschenen, vergezeld door [naam2] en bijgestaan door mr. Plaat. Daarnaast is de bewindvoerder verschenen. Op de mondelinge behandeling heeft de bewindvoerder spreekaantekeningen overgelegd.
3De motivering van de beslissing in hoger beroep
De beslissing
3.1.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen, zodat de toepassing van de wsnp vier weken nadat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan tussentijds zal eindigen. Deze beslissing van het hof wordt hierna uitgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder om de wsnp van [appellant] tussentijds te beëindigen toegewezen, omdat [appellant] de informatieplicht niet is nagekomen en hij aanzienlijke nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan [appellant] dat worden verweten.
Het standpunt van [appellant]
3.3.
Volgens [appellant] is een beëindiging van de wsnp niet gerechtvaardigd. De informatieplicht is overwegend positief verlopen. [appellant] verwijst naar het vervolgverslag van de bewindvoerder, waaruit blijkt dat alleen de laatste maanden de nakoming problematisch verloopt. Dat komt door de persoonlijke problemen van [appellant] . Voor zover er nieuwe schulden zijn ontstaan heeft [appellant] die grotendeels afgelost, zodat die geen reden geven voor tussentijdse beëindiging. Tot slot heeft [appellant] een voorstel voor een akkoord aan zijn schuldeisers voor laten leggen en bij de rechtbank ter homologatie ingediend. Op de mondelinge behandeling heeft hij het hof verzocht om een tussenarrest met verwijzing van de zaak naar de rechtbank voor homologatie van het akkoord, dan wel om zelf tot homologatie van het akkoord over te gaan.
De beoordeling door het hof
3.4.
Op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw kan de toepassing van de wsnp worden beëindigd als de schuldenaar een of meer van zijn uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. De wsnp kent een aantal (strikte) verplichtingen, waaronder de verplichting om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van die regeling (hierna: de informatieverplichting).
3.5.
De bewindvoerder heeft, ondanks haar verzoek daartoe, niet alle inkomensgegevens en bankafschriften van [appellant] ontvangen. Vast staat dat de bewindvoerder de bankafschriften over de maanden juni, juli en augustus 2025 niet heeft ontvangen. Van de maand december 2025 heeft [appellant] de bankafschriften tot en met 30 december 2025 naar de bewindvoerder gestuurd, dus zonder 31 december 2025. Uit de bij het hof overgelegde losse bankafschriften van 31 december 2025 volgt echter dat hij die dag veel betalingen heeft verricht. Het saldo en de overige transacties van die dag zijn niet zichtbaar op deze afschriften, waardoor [appellant] de bewindvoerder ook die informatie heeft onthouden. Daarnaast heeft zij niet de aangifte inkomstenbelasting over 2024 noch de definitieve aanslag 2024 ontvangen, maar alleen een brief van de belastingdienst dat er geen voorlopige aanslag wordt opgelegd. [naam2] heeft op de mondelinge behandeling weliswaar toegelicht dat dit betekent dat er op basis van de aangifte geen belastingdruk is, maar [appellant] heeft niet weersproken dat hij de belastingaangifte niet naar de bewindvoerder heeft gestuurd. Ook bij de grote hoeveelheid stukken die [appellant] op het laatste moment aan het hof heeft gestuurd, zit geen aangifte inkomstenbelasting over 2024, maar alleen een door [naam2] opgestelde voorlopige aangifte. Een voorschotbeschikking zorgtoeslag 2025 en de gegevens van de partner van [appellant] zijn door de bewindvoerder ook niet ontvangen. Daar komt bij dat [appellant] helemaal aan het einde van de mondelinge behandeling opmerkte dat hij al in september 2025 een aanvraag heeft gedaan voor een bijstandsuitkering. Dat was onbekend voor de bewindvoerder en [appellant] heeft ook toegegeven dat hij haar daar niet over heeft geïnformeerd. Sterker nog, ook op de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 oktober 2025, toen het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging werd behandeld, heeft hij hier niets over gezegd. Daarmee heeft [appellant] wederom zijn informatieverplichting geschonden.
3.6.
[appellant] heeft erkend dat hij de informatieverplichting het afgelopen jaar niet naar behoren is nagekomen. Hij verwijst in dat kader naar zijn gezondheidssituatie en heeft een rapport overgelegd van [naam3] waaruit volgt dat hij zowel fysieke als mentale beperkingen heeft. De persoonlijke omstandigheden die [appellant] omschrijft zijn naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om de langdurige schending van de informatieverplichting verschoonbaar te achten. Het rapport van [naam3] omschrijft dat [appellant] 16-24 uur belastbaar is voor werk. Daaruit volgt niet dat hij in een zodanige toestand verkeert dat hij zijn bewindvoerder niet kan informeren. Hij is bij aanvang en ook tijdens de wsnp meerdere keren gewezen op zijn informatieverplichting. Hij is het afgelopen jaar bezig geweest met het aanbieden van een akkoord aan zijn schuldeisers en heeft zijn informatieverplichting zoals die voortvloeit uit de wsnp daarbij laten verslonzen. Dat valt hem te verwijten.
3.7.
Daar komt bij dat [appellant] omvangrijke nieuwe schulden heeft laten ontstaan, volgens de bewindvoerder voor een bedrag van ruim € 10.000. [appellant] heeft aangevoerd dat hij die schulden inmiddels grotendeels heeft afgelost. Op de mondelinge behandeling zijn de nieuwe schulden zoals die zijn opgegeven door de bewindvoerder en de overgelegde betaalbewijzen en door [appellant] gestelde regelingen met [appellant] besproken. [appellant] heeft toegegeven dat hij nog ongeveer voor een bedrag van € 3.000 aan huurachterstand heeft. Van een nieuwe schuld aan het CJIB heeft [appellant] aangegeven dat hij op 27 december 2025 een betalingsregeling heeft aangevraagd. Voor de nieuwe schuld aan Evides, die volgens de bewindvoerder niet volledig is afgelost, kon [appellant] niet aangeven of die volledig is betaald. Ook voor andere nieuwe schulden heeft [appellant] onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij die (volledig) heeft betaald, zodat het waarschijnlijk is dat er, naast de huurachterstand, nog andere nieuwe schulden openstaan. Bovendien volgt uit het bankafschrift van de rekening van [appellant] dat het saldo op 30 december 2025 negatief was. Een groot deel van de overgelegde betaalbewijzen zijn afschriften van deze bankrekening op 31 december 2025 en 1 januari 2026. Dat gaat om een bedrag van ongeveer € 2.000. Volgens [appellant] zijn dit betalingen die zijn ouders voor hem hebben verricht om hem te helpen, maar door gebrek aan bewijs daarvan, kan het hof niet vaststellen of nog andere nieuwe schulden zijn ontstaan. Daarnaast heeft een derde een bedrag van € 15.000
beschikbaar gesteld ten behoeve van het door [appellant] aan zijn schuldeisers aangeboden akkoord. Op de vraag van het hof of dat bedrag als lening of als schenking ten behoeve van hem beschikbaar is gesteld reageerde [appellant] op de mondelinge behandeling: ‘Naja, schenking. Er is geen leningsovereenkomst aangegaan. We zien wel.’ Het is daarom niet duidelijk geworden of dit bedrag als nieuwe schuld moet worden aangemerkt. Het laten ontstaan van bovenmatige schulden is nog een reden om de wsnp (op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en onder d Fw) tussentijds te beëindigen.
3.8.
[appellant] heeft [naam2] ingeschakeld om een akkoord met zijn schuldeisers te bereiken. [naam2] heeft het akkoord op 30 december 2025 aangeboden bij de rechtbank en verzocht om zo spoedig mogelijke homologatie. In dat kader heeft [appellant] bij het hof verzocht om deze zaak te verwijzen naar de rechtbank voor homologatie van het akkoord, dan wel om het akkoord zelf te homologeren.
3.9.
Daarover overweegt het hof als volgt. Artikel 329 lid 2 Fw bepaalt dat het ontwerp van akkoord ter griffie moet worden neergelegd. Het is de rechtbank die belast is met de afwikkeling daarvan. Zoals het hof heeft toegelicht voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling, zal het hof bij de beoordeling van dit hoger beroep het aangeboden akkoord meewegen. Als het hof van oordeel is dat het akkoord zodanig kansrijk is dat het als een nieuw relevant feit moet worden beschouwd waar de rechtbank nog naar moet kunnen kijken, dan kan dat een reden zijn om het vonnis van de rechtbank te vernietigen. [appellant] kan dan alsnog zijn akkoord ter homologatie aan de rechtbank voorleggen. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de verzoeken op de mondelinge behandeling om een tussenarrest te wijzen met verwijzing naar de rechtbank of om zelf over te gaan tot homologatie.
3.10.
[naam2] heeft op 27 oktober 2025 namens [appellant] een voorstel toegestuurd naar de schuldeisers met het verzoek om daarmee akkoord te gaan. Dat voorstel houdt in dat preferente schuldeisers 3,16% van hun vordering betaald krijgen en concurrente schuldeisers 1,58 % van hun vorderingen. In het voorstel is aan de hand van diverse bedragen toegelicht waarom dit akkoord gunstiger zal zijn voor de schuldeisers dan een voortzetting van de wsnp. Op de mondelinge behandeling heeft [naam2] verklaard dat de inkomensgegevens waarop het akkoord is gebaseerd afkomstig zijn uit de cijfers en prognoses van de eenmanszaak van [appellant] , zoals die zijn opgesteld door de boekhouder van [appellant] . [appellant] heeft in dat kader een prognose 2025 en 2026 en de door [naam2] opgestelde voorlopige aangiften 2024, 2025 en 2026 overgelegd. Volgens de bewindvoerder kunnen de inkomensgegevens waarop het akkoord is gebaseerd niet kloppen. De bewindvoerder heeft de aangifte inkomstenbelasting over 2024 niet van [appellant] ontvangen en zij heeft grote twijfels over de juistheid van de cijfers die volgen uit de door de boekhouder opgestelde stukken. De bewindvoerder heeft namelijk bankafschriften gezien van de eerste elf weken van 2024 (voorafgaand aan de toelating tot de wsnp) waaruit blijkt dat een bedrag van bijna € 50.000 is overgemaakt op de rekening van [appellant] . De bewindvoerder beschikt ook over de onderliggende facturen. Daarnaast heeft zij toegelicht dat zij beschikt over facturen van 2024 van na die periode. Als zij die bij elkaar optelt komt zij uit op een bedrag van ruim € 84.000 aan omzet over 2024, waarbij de btw over de werkzaamheden is verlegd. Deze bankafschriften en facturen waarnaar de bewindvoerder verwijst zijn door [appellant] niet bestreden. De omzet van de eenmanszaak van [appellant] in 2024 is volgens haar daarom veel hoger, waardoor ook het inkomen van [appellant] veel hoger zou moeten liggen dan waarvan [naam2] op basis van de gegevens van de boekhouder in het akkoord is uitgegaan. Bij gebrek aan de aangifte inkomstenbelasting 2024 of andere onderliggende stukken die iets zeggen over de definitieve cijfers van de eenmanszaak van [appellant] , is het voor het hof niet te controleren of in het akkoord is uitgegaan van een correcte inkomenspositie van [appellant] . Bovendien zal in de homologatieprocedure de bewindvoerder om advies worden gevraagd, zoals [appellant] ook weet. De bewindvoerder heeft op de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat zij negatief zal adviseren op het akkoord.
3.11.
Daar komt bij dat in het akkoord dat op 27 oktober 2025 aan de schuldeisers is toegezonden niet is vermeld dat een paar dagen eerder, op 23 oktober 2025, de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder om de wsnp tussentijds te beëindigen heeft toegewezen. Dat is kwalijk, omdat in het akkoord een vergelijking wordt gemaakt met de situatie dat de wsnp van [appellant] zou doorlopen en de situatie dat de schuldeisers instemmen met het akkoord. De schuldeisers zijn hierdoor onvolledig geïnformeerd. Als de rechtsmiddelen tegen de beslissing van de rechtbank niet slagen eindigt de wsnp en kunnen de schuldeisers, anders dan bij het eindigen van de wsnp met een schone lei - zoals wordt gesuggereerd in het akkoord - hun gehele vordering verhalen op [appellant] (voor zover zijn vermogen dat toelaat).
3.12.
Gelet op deze omstandigheden acht het hof het aangeboden akkoord niet kansrijk genoeg om over te gaan tot vernietiging van het vonnis.
Conclusie
3.13.
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 oktober 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, D. Visser en N.M. Brouwer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|