Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:2596 
 
Datum uitspraak:28-04-2026
Datum gepubliceerd:10-09-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.366.654/01
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling. Artikel 285 lid 1 sub f FW verklaring ontbreekt.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
zorgtoeslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.366.654
zaaknummer rechtbank Overijssel NL:TZ:2600233:R-RK



arrest van 28 april 2026


in de zaak van



[appellante]
,
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd.





1De procedure bij de rechtbank

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij vonnis van 16 maart 2026 het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.




2De procedure bij het hof


2.1.
Bij (op 23 maart 2026 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 maart 2026. Wagenaar verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.



2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift;
- een brief van 13 april 2026 met nadere producties 2 tot en met 10;
- een e-mail van 16 april 2026 met nadere producties 11 tot en met 14.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door mr. Dooijeweerd. De beschermingsbewindvoerder van [appellante] , S. Akkas, is via een telefonische verbinding verschenen. Ter zitting heeft mr. Dooijeweerd spreekaantekeningen overgelegd.





3De motivering van de beslissing in hoger beroep


Feiten en omstandigheden



3.1.
De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt (op peildatum 16 april 2026) € 12.678,67. Volgens [appellante] is de schuldenlast begin 2023 ontstaan als gevolg van een opeenstapeling van persoonlijke, financiële en medische omstandigheden. Zij heeft in maart 2023 zelf ontslag genomen, waardoor zij geen recht had op een WW-uitkering en in de bijstand terecht kwam. Mede als gevolg van een korting op haar uitkering kwam [appellante] , naar haar zeggen, achter te lopen met het betalen van de vaste lasten en andere rekeningen. In september 2023 heeft zij bovendien tweemaal een TIA (lichte beroerte) gehad. Het aanvraagproces voor een uitkering wegens ziekte heeft enige tijd geduurd. In die periode had [appellante] geen inkomen en kon zij haar financiële verplichtingen, waaronder het betalen van de huur, niet nakomen.



3.2.
Op 9 januari 2024 heeft [appellante] een tweede-kans-overeenkomst gesloten met haar verhuurder. In dat kader is per 21 mei 2024 bewind ingesteld over de goederen van [appellante] met benoeming van H. Nagel als beschermingsbewindvoerder. Op 22 mei 2025 is H. Nagel ontslagen als bewindvoerder en is Stabilum, aan welke organisatie Akkas is verbonden, als beschermingsbewindvoerder benoemd.



3.3.

[appellante] heeft op 7 april 2025 een verzoek moratorium (voorkoming ontruiming woning) en een verzoek tot toelating tot de wsnp ingediend. Het verzoek moratorium is op 14 april 2025 toegewezen voor een periode van zeven weken (eindigend op 2 juni 2025). Op 2 juni 2025 is het verzoek van [appellante] tot voortzetting van het moratorium toegewezen tot en met 14 oktober 2025. Het verzoek tot toelating tot de wsnp is ter zitting van 2 maart 2026 door de rechtbank behandeld.



3.4.
Sinds september 2025 ontvangt [appellante] een WIA-uitkering. Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat [appellante] momenteel weer een bijstandsuitkering ontvangt. Daarnaast ontvangt zij huur-en zorgtoeslag.



3.5.
Vanaf eind augustus tot medio december 2025 is er contact geweest tussen de beschermingsbewindvoerder en de Stadsbank Oost-Nederland (hierna: SON) over een buitengerechtelijke minnelijke regeling. De SON heeft daarbij vragen gesteld over auto’s die volgens de SON op naam van [appellante] stonden en bedragen die zij van derden op haar leefgeldrekening ontving. Volgens de SON is er geen sprake van een stabiele situatie dan wel is er onvoldoende informatie om een aanvraag schuldregeling op te kunnen bouwen of te kunnen starten. Sinds december 2025 ligt het traject stil.


Het oordeel van de rechtbank




3.6.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat aan het verzoek van [appellante] om tot schuldsanering te worden toegelaten, een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet) ontbreekt. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt volgens de rechtbank volledig bij [appellante] , omdat zij geen enkele medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de mogelijkheden van het tot stand brengen van een minnelijke regeling. De rechtbank heeft [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.



3.7.
Ten overvloede heeft de rechtbank geoordeeld dat ook als [appellante] wel ontvankelijk zou zijn, de rechtbank haar verzoek zou hebben afgewezen. Zij heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij de verplichtingen uit de wsnp naar behoren zal nakomen en evenmin dat zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te vergaren. [appellante] komt reeds geruime tijd de inlichtingenplicht niet na en reserveert baten die uitstijgen boven het vrij te laten bedrag niet voor haar schuldeisers. Van een saneringsgericht houding is volgens de rechtbank bij [appellante] geen sprake.

Beoordeling van het hof



- geen terugverwijzing naar de rechtbank (schending hoor en wederhoor)




3.8.

[appellante] heeft aanvankelijk in haar beroepschrift primair (en op de mondelinge behandeling nog subsidiair) verzocht haar zaak terug te verwijzen naar de rechtbank omdat er sprake is van een schending van hoor en wederhoor door de rechtbank. [appellante] kon door een migraineaanval niet naar de zitting komen en ook haar beschermingsbewindvoerder was niet aanwezig. Volgens [appellante] had de rechtbank de zaak moeten aanhouden en mocht de rechtbank niet afgaan op de (in haar nadeel gedane) verklaringen van haar toenmalige advocaat, mr. Raaijmakers.



3.9.
Het hof gaat hieraan voorbij. [appellante] werd in eerste aanleg en ook op de bijbehorende zitting bijgestaan door een advocaat. Die advocaat heeft niet gevraagd om aanhouding van de zaak, noch heeft de advocaat aangegeven niet meer voor [appellante] op te treden. De rechtbank kon en mocht er dus van uitgaan dat de advocaat namens Wagenaar het woord heeft gevoerd en overeenkomstig haar wensen heeft verklaard. Bovendien heeft zij in hoger beroep, zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling, voldoende de gelegenheid gehad haar standpunten naar voren te brengen. Zelfs als er sprake zou zijn geweest van een schending van hoor en wederhoor in eerste aanleg, dan is dit gebrek via de herstelfunctie van het hoger beroep gerepareerd.


- het ontbreken van de vereiste verklaring (285 lid 1 sub f Fw)




3.10.
Bij een verzoek om tot de schuldsanering te worden toegelaten, moet een verklaring worden gevoegd waaruit blijkt (1) dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen en (2) welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker heeft. Deze verklaring kan alleen maar worden afgegeven door de in de wet genoemde personen of instanties (artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw).



3.11.
Het hof constateert dat [appellante] deze verklaring, net als bij de rechtbank, ook in hoger beroep niet heeft overgelegd. Dat deze verklaring ontbreekt wordt door [appellante] ook niet betwist.



3.12.
Het staat vast dat het traject voor een buitengerechtelijke minnelijke regeling bij de SON is stilgevallen voordat duidelijk is geworden wat de (on)mogelijkheden voor zo’n regeling waren. Sinds medio december 2025 is er geen contact meer geweest tussen de bewindvoerder en de SON. Dat had wel voor de hand gelegen. [appellante] heeft erop gewezen dat uit de opstelling van de grootste schuldeiser, de verhuurder, blijkt dat het voortzetten van dat traject geen zin had. Daaruit volgt volgens [appellante] dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Nog los van het feit dat dit niet is gebleken – tijdens de mondelinge behandeling heeft de beschermingsbewindvoerder namelijk verklaard dat de verhuurder wel tot een betalingsregeling bereid is gebleken en dat daaraan tot op heden gevolg is gegeven – blijft het een feit dat er ten onrechte concrete stappen in het onderzoek naar de mogelijkheden voor een buitengerechtelijke schuldenregeling achterwege zijn gebleven en dat de wettelijk vereiste verklaring bij het verzoekschrift ontbreekt. Daarbij is, mede tegen de achtergrond van het voornoemde, niet aannemelijk dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling kansloos is.



3.13.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellante] alsnog in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen (artikel 287 lid 2 Fw). Zij werd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bijgestaan door een advocaat. Zij is sinds december 2025 voldoende in de gelegenheid geweest om er – al dan niet via haar beschermingsbewindvoerder – zorg voor te dragen dat het minnelijke traject bij de SON (weer) werd opgestart. Mocht daarbij dan inderdaad zijn gebleken dat er geen reële mogelijkheden bestaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, had zij de vereiste verklaring kunnen verkrijgen.


Conclusie




3.14.
Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.





4De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 16 maart 2026.


Dit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, D. Visser en M.H.F. van Vugt en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Link naar deze uitspraak