|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:3095 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-05-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.352.625/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Beroepsaansprakelijkheid accountant. Schending zorgplicht. Niet volgen welke corona-gerelateerde subsidiemogelijkheden voor klant mogelijk van belang zouden kunnen zijn en niet tijdig informeren van de klant daarover. Voldoende reden om aan te nemen dat de klant voor een specifieke subsidie in aanmerking zou zijn gekomen, indien die tijdig zou zijn aangevraagd. Geen eigen schuld bij klant. | | Trefwoorden | : | inkomstenbelasting | | | melkvee | | | omzetbelasting | | | subsidieregelingen | | | subsidies | | | tuinbouw | | | vee | | | vennootschapsbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.625/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 187810
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
Omnyacc Leeuwarden Accountants & Adviseurs B.V. (hierna: Omnyacc)
die is gevestigd in Leeuwarden
advocaat: mr. M.B. Esseling
en
[geïntimeerde] B.V. (hierna: [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. P.W. Huitema.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Omnyacc heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 30 oktober 2024 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 1 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
1.3
Hierna heeft het hof arrest bepaald.
2De kern van de zaak
2.1
Omnyacc heeft allerhande administratieve diensten verleend aan [geïntimeerde] . Na de Covid-19-uitbraak heeft zij op basis van staatssteunmaatregelen voor [geïntimeerde] corona-gerelateerde subsidies aangevraagd. Volgens [geïntimeerde] heeft Omnyacc echter verzuimd op tijd voor het derde kwartaal van 2021 een corona-subsidie aan te vragen, waardoor zij corona-subsidie is misgelopen en schade heeft geleden.
2.2
[geïntimeerde] heeft vervolgens bij de rechtbank gevorderd dat Omnyacc wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 477.595.
2.3
De rechtbank heeft deze vordering, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, toegewezen en Omnyacc veroordeeld in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.4
Het hof laat het vonnis van de rechtbank grotendeels in stand en beslist op de omvang van de schadevergoeding voor een klein deel anders. Na de feiten te hebben weergeven, zal het hof de redenen geven die tot deze beslissing hebben geleid.
3De relevante feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich bezighoudt met het houden van melkvee en
vleeskalveren en de groothandel in levend vee. De heren [naam1] (hierna: [naam1] ) en [naam2] (hierna: [naam2] ) zijn via [naam1] Holding B.V. en [naam2] Holding B.V. bestuurders van [geïntimeerde] .
3.2
[naam1] is verder via zijn holding indirect enig bestuurder en aandeelhouder van [naam1] B.V. Deze vennootschap richt zich op het houden van vleeskalveren en het beheren van en beleggen in vermogensbestanddelen.
3.3
Omnyacc is een accountant- en (belasting)advieskantoor. De heer [naam3] (hierna: [naam3] ) is als registeraccountant verbonden aan dit kantoor. Op de website van Omnyacc is onder meer [naam3] genoemd als één van de medewerkers van haar team subsidies, waarbij is vermeld dat haar adviseurs op de hoogte zijn van het steeds veranderende subsidielandschap.
3.4
Tussen [geïntimeerde] als opdrachtgever en Omnyacc als opdrachtnemer is medio juni 2018 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Met een brief van 25 juni 2018 heeft Omnyacc de aan haar verstrekte opdracht schriftelijk bevestigd. Daarin staat dat Omnyacc
met ingang van boekjaar 2017 de samenstelling van de jaarrekeningen en het opstellen van de publicatierapporten, de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting, alsmede de financiële administratie en de loonadministratie voor [geïntimeerde] en haar bestuurders [naam1] Holding B.V. en [naam2] Holding B.V. gaat verzorgen. Verder staat in de opdrachtbevestiging dat Omnyacc de aangiften inkomstenbelasting voor [naam1] en [naam2] en hun partners gaat verzorgen. [naam1] en [naam2] hebben de opdrachtbevestiging op 26 juni 2018 ondertekend geretourneerd aan Omnyacc.
3.5
In de periode waar dit geschil betrekking op heeft, stond op de website van Omnyacc onder meer het volgende:
Er zijn ruim 3.000 subsidies in Nederland, alleen zijn er nog veel mogelijke subsidies en
regelingen onbekend. Een gemiste kans! Jij wilt toch ook het uiterste halen uit de mogelijkheden die de overheid biedt? Ben je klant bij Omnyacc dan word je altijd op de hoogte gebracht van mogelijke subsidies en regelingen.
3.6
Na en vanwege de uitbraak van het Covid-19-virus (hierna ook: corona) heeft de Nederlandse overheid in maart 2020 een aantal noodmaatregelen getroffen om de verspreiding van dat virus tegen te gaan, zoals onder meer het tijdelijk sluiten van verschillende sectoren. In verband hiermee heeft de overheid ook financiële maatregelen getroffen ter ondersteuning van ondernemers die schade leden als gevolg van deze noodmaatregelen. Eén van de maatregelen was de regeling ‘Tegemoetkoming Vaste Lasten’ (hierna: TVL). Op grond hiervan konden (bepaalde groepen) ondernemers met omzetverlies een tegemoetkoming in de vaste lasten krijgen. De TVL diende door de ondernemers of door een door hen aangestelde gemachtigde, tijdig aangevraagd te worden.
3.7
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voerde de TVL uit en was belast met de behandeling van aanvragen en de uitbetaling van (voorschotten op) de TVL-subsidies. Indien een ondernemer een aanvraag indiende tot verlening van subsidie op grond
van de TVL, volgde een besluit op die aanvraag (‘het verleningsbesluit’). In het
verleningsbesluit werd ook een voorschot op de subsidie verstrekt. Later volgde de aanvraag
tot vaststelling van de subsidie en het besluit op die aanvraag (‘het vaststellingsbesluit’),
waarin de volledige subsidie definitief werd vastgesteld.
3.8
De TVL was staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie. Staatssteun is in beginsel verboden, maar de
Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de
COVID-19 uitbraak (‘Tijdelijke kaderregeling’) verruimde de mogelijkheden om staatssteun
te verstrekken aan ondernemingen die waren getroffen door de pandemie en bepaalde aan
welke vereisten deze steun moest voldoen. Eén van die vereisten was dat de steun niet meer
bedroeg dan het staatssteunplafond. Voor land- en tuinbouwbedrijven was dit plafond in 2021 bepaald op € 225.000.
3.9
In 2020 althans begin 2021 is [geïntimeerde] vanwege haar financiële situatie door haar bank bij de afdeling bijzonder beheer ondergebracht.
3.10
Op 1 februari 2021 heeft Omnyacc een nieuwsbrief aan [geïntimeerde] gestuurd. Daarin staat onder meer:
De coronacrisis houdt nog steeds aan. (...) Daarom breidt het kabinet het steunpakket flink uit en worden bestaande regelingen aangescherpt. (...)
Staat het onderwerp waar jij vragen over hebt er niet tussen? Wij doen er alles aan om jou bij te staan. Schroom niet om te bellen of mailen als je meer vragen hebt of wilt sparren over jouw situatie. Samen staan we sterk!
(…)
2. Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)
De TVL wordt ook verruimd. (...) Bovendien komt er een soortgelijke regeling voor de land- en tuinbouw.
Deze nieuwsbrief heeft [geïntimeerde] doorgezonden naar [naam3] met de vraag:
Komen wij ook eens ergens voor in aanmerking?
3.11
Bij e-mailbericht van 4 februari 2021 schrijft [geïntimeerde] aan [naam3] , onder verwijzing naar de TVL, onder meer:
(...)
We hebben mega verlies
Pak die lui aan en zorg dat we voor de regeling in aanmerking komen!!
Kom op man regel dit aub.
Graag hoor ik van jullie van wat wel kan !!!
Hier onder stuk er genoeg kalverhouders wel voor in aanmerking komen en nu ook nog komen !!
2020 was een rampjaar hoe kunnen wij nou niet daarvoor in aanmerking zijn gekomen ?
Regelen we toch wat, we hebben er meer recht op dan wie dan ook
3.12
In reactie hierop heeft [naam3] op 4 februari 2021 per mail de voorwaarden van de TVL aan [geïntimeerde] gestuurd. Daarbij heeft hij vermeld dat van belang is dat er een omzetdaling is van meer dan 30%, dat hij in de gaten zal houden wanneer het aanvraagloket opengaat en dat hij er dan samen met een medewerker van [geïntimeerde] voor zal gaan zitten.
3.13
Met een e-mailbericht van 10 februari 2021 heeft (een medewerker van) [geïntimeerde] aan [naam3] gevraagd waarom [geïntimeerde] niet in aanmerking komt voor de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Behoud van Werkgelegenheid (hierna: de NOW) en andere corona gerelateerde steunmaatregelen. In reactie hierop heeft [naam3] dezelfde dag per mail geantwoord dat [geïntimeerde] niet in aanmerking komt voor de NOW1 en NOW3, maar wel voor de NOW2. Verder heeft [naam3] aangegeven dat de omzet van het eerste kwartaal van 2021 van belang is voor het recht op TVL en dat zowel het loket voor de NOW2 als de TVL nog niet open is. [naam3] besluit zijn mail met de opmerking dat hij echt zijn best doet. [geïntimeerde] heeft hierop per mail onder meer geschreven:
Als er nog meer steun en of subsidie posten bekend zijn, of iets anders laat het ons weten, en probeer creatief te zijn!
3.14
Met een e-mailbericht van 12 februari 2021 heeft [geïntimeerde] [naam3] erop gewezen dat de TVL voor het eerste kwartaal van 2021 (hierna: TVL Q1 2021) vanaf 15 februari 2021 aangevraagd kan worden en hem verzocht om dit te doen.
3.15
Omnyacc heeft – in de persoon van [naam3] – op 16 februari 2021 de TVL Q1 2021 namens [geïntimeerde] aangevraagd. Op basis van het verwachte omzetverlies is de TVL daarin berekend op € 90.000. Deze aanvraag is door de RVO goedgekeurd en er is aan [geïntimeerde] een voorschot van € 72.000 toegekend en uitbetaald.
3.16
Op 28 mei 2021 dan wel 31 mei 2021 heeft (een medewerker van) [geïntimeerde] informatie aan [naam3] gezonden over de TVL voor het derde kwartaal van 2021 en de daarbij geldende maximale bedragen en voorwaarden en daarover vragen gesteld.
3.17
Op 25 juni 2021 heeft de RVO informatie over de subsidie ‘Ongedekte Vaste Kosten land- en tuinbouw’ (OVK) op haar website gezet. Volgens deze informatie is dit een extra subsidie voor land- en tuinbouwbedrijven die door de coronamaatregelen in de problemen zijn gekomen en de maximale TVL al hebben aangevraagd. Ook is vermeld dat de OVK een aanvulling is op de TVL.
3.18
De OVK-regeling is op 6 juli 2021 in de Staatscourant gepubliceerd. In de daarbij
behorende toelichting staat onder meer dat (middel)grote bedrijven in de land- en tuinbouw
geen gebruik kunnen maken van de aangekondigde verhogingen van de subsidiegrens voor
de TVL omdat het voor hen geldende staatssteunplafond vanwege Europese staatssteunregels € 225.000 bedraagt en dat de OVK een regeling biedt op grond waarvan bepaalde land- en tuinbouwbedrijven toch aanspraak kunnen maken op aanvullende financiële ondersteuning. De OVK Q3 2021 kon van 14 oktober tot en met 15 november 2021 worden ingediend. De RVO heeft dit op 5 oktober 2021 ook op haar website vermeld.
3.19
Op 26 augustus 2021 heeft Omnyacc een update van haar ‘coronadossier’ op haar website geplaatst. In de daarin opgesomde maatregelen van de overheid is de OVK-regeling als zodanig niet vermeld. Onderaan in dit dossier is een ‘disclaimer’ geplaatst wat betreft het actueel zijn van een en ander ‘op het moment dat deze door jou worden gelezen’.
3.20
Op 29 september 2021 heeft Omnyacc een opdrachtbevestiging aan [geïntimeerde] gestuurd voor het samenstellen van verschillende elementen in de aanvraag tot (definitieve) vaststelling van de TVL Q1 2021. Op 7 oktober 2021 heeft Omnyacc een opdrachtbevestiging aan [geïntimeerde] gestuurd voor het verrichten van verschillende werkzaamheden met betrekking tot het aanvragen van de TVL voor het derde kwartaal van 2021 (hierna: TVL Q3 2021).
3.21
In een nieuwsbrief van 21 oktober 2021 van Omnyacc over de coronamaatregelen die zijn gestopt, verlengd of nieuw zijn uitgevaardigd, wordt de OVK-regeling niet genoemd.
3.22
Omnyacc heeft op 27 oktober 2021 de definitieve vaststelling van de TVL Q3 2021 namens [geïntimeerde] aangevraagd bij de RVO. De TVL Q3 2021 is daarin op basis van het verwachte omzetverlies berekend op € 294.616,60.
3.23
Op 11 november 2021 heeft Omnyacc de aanvraag tot definitieve vaststelling van de TVL Q1 2021 ingediend.
3.24
In een nieuwsbrief van 17 november 2021 van Omnyacc over nieuw getroffen coronasteunmaatregelen is onder meer vermeld:
In aanvulling op bovengenoemde steunmaatregel wordt ook de extra TVL voor de land- en tuinbouwsector (OVK) in het vierde kwartaal van 2021 voortgezet.
3.25
In een besluit van 2 december 2021 heeft de RVO de aanvraag tot het verlenen van de TVL Q3 2021 afgewezen omdat het staatssteunplafond van € 225.000 voor het jaar van 2021 al was bereikt. Namens [geïntimeerde] heeft de heer [naam4] daarna in een telefoongesprek met de RVO om opheldering over dat besluit gevraagd, in welk verband [geïntimeerde] daarbij is gevraagd waarom zij niet een aanvraag op basis van de OVK-regeling heeft ingediend.
3.26
Omnyacc heeft namens [geïntimeerde] op 21 december 2021 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Daarin is aangevoerd dat [geïntimeerde] tussen wal en schip valt, omdat zij buiten haar schuld om geen aanspraak meer kan maken op de OVK over het derde kwartaal van 2021 (OVK Q3 2021), terwijl zij daar wel recht op zou hebben. Namens [geïntimeerde] is door Omnyacc bepleit dat [geïntimeerde] niet tijdig kon weten dat het maximale subsidiebedrag voor de TVL door haar was bereikt en zij dus aanspraak kon maken op de OVK Q3 2021. Toen de aanvraagperiode voor dit kwartaal sloot, was er namelijk nog geen beslissing genomen over de definitieve vaststelling van de TVL Q1 2021 en de aanvraag tot verlening van (een voorschot op) de TVL Q3 2021, aldus Omnyacc namens [geïntimeerde] .
3.27
In een e-mailbericht van 10 januari 2022 heeft [geïntimeerde] [naam3] onder meer geschreven dat de OVK is gemist doordat het niet door [naam3] is berekend en is aangevraagd. [naam3] heeft daarop onder meer geantwoord:
Ik heb al eerder aangegeven dat ik niet op de hoogte was van de OVK regeling. Of mij dat te verwijten is laat ik graag aan een ander over. Ik doe mijn stinkende best voor jullie maar ik krijg hier geen goed gevoel over.
3.28
Met een besluit van 7 maart 2022 is de TVL Q1 2021 definitief vastgesteld op € 225.000.
3.29
In het voorjaar van 2022 heeft [geïntimeerde] zich gewend tot een ander accountantskantoor, Alfa Accountants en Adviseurs (hierna: Alfa accountants).
3.30
Op 4 april 2022 heeft [geïntimeerde] de OVK voor het eerste kwartaal van 2022 (OVK
Q1 2022) aangevraagd bij de RVO. Deze aanvraag is door Omnyacc opgesteld terwijl de gegevens daarvoor door Alfa Accountants aan Omnyacc zijn aangeleverd. Met een besluit van 5 april 2022 is deze aanvraag goedgekeurd en is bepaald dat het voorlopige subsidie-bedrag € 485.000 bedraagt en dat [geïntimeerde] daarop een voorschot zal ontvangen van 80%.
3.31
Alfa Accountants heeft in een brief van 21 april 2022 meegedeeld dat de door [geïntimeerde] misgelopen subsidie van de OVK Q3 2021 op € 477.595 kan worden berekend.
3.32
Met een besluit van 12 augustus 2022 is het bezwaarschrift tegen het afwijzings-besluit van 2 december 2021 ongegrond verklaard. Daarvoor is als reden gegeven dat de ingangseis voor het aanvragen van de OVK is dat de maximale steun voor de TVL is aangevraagd. Dit was het geval toen de aanvraag voor de TVL Q3 2021 op 27 oktober 2021 werd ingediend. Op dat moment was er volgens de RVO nog ruim voldoende tijd om de OVK Q3 2021 voor de sluiting van het aanvraagloket op 15 november 2021 aan te vragen.
3.33
Met een brief van 19 september 2022 heeft [geïntimeerde] Omnyacc aansprakelijk gesteld voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van het niet indienen van een aanvraag voor de OVK Q3 2021. Omnyacc heeft alle aansprakelijkheid afgewezen.
3.34
Op 17 januari 2023 heeft Alfa Accountants namens [geïntimeerde] de aanvraag tot (definitieve) vaststelling van de OVK Q1 2022 ingediend. Met een besluit van 26 januari 2023 is de OVK Q1 2022 vastgesteld op een bedrag van € 485.000.
4De toelichting op de beslissing van het hof
Omvang van het beroep
4.1
Het gaat in deze zaak om een vordering tot schadevergoeding op grond van aansprakelijkheid van een accountant. De rechtbank heeft die aansprakelijkheid aangenomen. Omnyacc is daartegen met vier bezwaren (‘grieven’) opgekomen. Die bezwaren lenen zich voor de volgende thematische bespreking.
Maatstaf aansprakelijkheid
4.2
Bij beroepsaansprakelijkheid staat centraal de norm dat een beroepsbeoefenaar - in dit geval een accountant - ten opzichte van zijn cliënt de zorgvuldigheid in acht moet nemen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Gelet op de contractuele verhouding tussen partijen komt het daarbij aan op de invulling van de in artikel 7:401 BW vervatte norm dat een opdrachtnemer (de accountant) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen.
4.3
De omstandigheden van het geval bepalen of aan die norm is voldaan, en ingeval van aansprakelijkheid vanwege een tekortkoming is in het bijzonder ook de inhoud van de opdracht bepalend. De zorgplicht van een opdrachtnemer als een accountant kan meebrengen dat deze de cliënt daarnaar gevraagd en ook uit eigener beweging van informatie voorziet, waarbij de omvang van die informatieverplichting afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van de opdrachtgever.
4.4
Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort ook, zoals in dit geval ook door Omnyacc is aangevoerd, dat op het handelen van een accountant mede van toepassing zijn de gedrags- en beroepsregels ten behoeve van een goede uitoefening van het accountantsberoep die mede een invulling geven aan wat van een accountant in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
4.5
Dit geval kenmerkt zich allereerst door het volgende.
Omnyacc afficheerde zichzelf (op haar website) als een kantoor waarvan haar adviseurs ‘op de hoogte zijn van het steeds veranderende subsidielandschap’ waarbij werd gecommuniceerd dat haar klanten ‘altijd op de hoogte worden gebracht van mogelijke subsidies en regelingen’, een en ander onder aanduiding van [naam3] als één van haar subsidiespecialisten;
tussen [geïntimeerde] en Omnyacc bestond vanaf juni 2018 een opdrachtrelatie, op basis waarvan Omnyacc – in de persoon van [naam3] – verschillende financieel-administratieve werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichtte;
voor specifieke benoemde werkzaamheden stelde Omnyacc opdrachtbevestigingen op (zie rechtsoverweging 3.4 en 3.20);
naast de in de opdrachtbevestigingen benoemde werkzaamheden verrichte Omnyacc, zo heeft [geïntimeerde] gesteld en blijkend uit overgelegde facturen, allerhande (ad hoc) werkzaamheden, zoals advieswerkzaamheden en ongespecificeerde administratieve dienstverlening;
na en in verband met de door overheid getroffen coronasteunmaatregelen voor ondernemers heeft Omnyacc een ‘coronadossier’ op haar website geplaatst waarin die ondersteuningsmaatregelen werden opgesomd en uitgelegd en in welk dossier de wijzigingen en aanvullingen e.d. periodiek werden bijgehouden;
Omnyacc is (in ieder geval vanaf begin 2021) haar klanten periodiek nieuwsbrieven over corona-gerelateerde ondersteunings-/subsidiemaatregelen gaan zenden, in welk verband werd meegedeeld dat Omnyacc ‘er alles aan doet’ om de klant bij te staan;
[geïntimeerde] heeft [naam3] in februari 2021 benaderd met de vraag voor welke ondersteuningsmaatregelen zij in aanmerking komt, onder toevoeging dat 2020 voor haar een rampjaar is en zij een megaverlies heeft. Op dat moment was of kort daarna is [geïntimeerde] vanwege haar financiële moeilijkheden door haar bank ondergebracht bij de afdeling bijzonder beheer. [naam3] was daarvan op hoogte;
Omnyacc heeft vervolgens zonder specifieke opdrachtbevestiging(en) voor [geïntimeerde] voorschotten op subsidies aangevraagd op basis van de TVL-regeling en de NOW-regeling, in welk verband [geïntimeerde] specifiek aan [naam3] heeft gevraagd haar te laten weten als er nog meer steun en/of subsidieposten (mogelijk) zijn.
4.6
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] een dringende behoefte had aan financiële ondersteuning, dat [naam3] als haar accountant en financieel adviseur daarmee bekend was en dat [geïntimeerde] op hem een beroep deed haar zo veel als mogelijk in aanmerking te laten komen voor corona-gerelateerde subsidies. Omnyacc heeft daaraan ook gevolg gegeven door voor [geïntimeerde] een beroep te doen op de TVL- en de NOW-regeling en in dat verband voorschotten op die subsidies aan te vragen. Nog daargelaten dat Omnyacc het zelf tot haar taak rekende om haar klanten altijd – en dus ook ongevraagd – te wijzen op mogelijke subsidies, geldt dat [geïntimeerde] in dit geval daar expliciet om heeft gevraagd, nota bene aan een door Omnyacc zelf aangewezen subsidiespecalist. Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van het hof voor [naam3] alle reden zelfstandig en proactief te blijven volgen welke corona-gerelateerde subsidies voor [geïntimeerde] mogelijk van belang zouden kunnen zijn en [geïntimeerde] daarover tijdig te informeren. Gelet op een en ander mocht [geïntimeerde] daar ook op vertrouwen.
4.7
Het staat vast dat de op 6 juli 2021 gepubliceerde OVK-regeling voor [geïntimeerde] een relevante corona-gerelateerde regeling zou kunnen zijn en dat Omnyacc [geïntimeerde] niet vóór het sluiten van het tijdvak waarbinnen een aanvraag op basis van die regeling voor het derde kwartaal van 2021 kon worden ingediend, over die regeling heeft geïnformeerd. Door dit na te laten is Omnyacc in zoverre tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht tegenover [geïntimeerde] .
4.8
Het verweer van Omnyacc dat zij aan [geïntimeerde] geen (concrete) opdracht heeft bevestigd voor het continue volgen van de mogelijkheden voor een corona-gerelateerde steunmaatregel, zodat [geïntimeerde] daarover geen verwachting heeft mogen hebben, kan haar, gezien wat in rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 is overwogen, niet baten. Nog daargelaten dat is gebleken dat Omnyacc ook zonder voorafgaande opdrachtbevestiging werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichtte, geldt dat zij steeds zonder voorbehoud heeft gecommuniceerd over het informeren van klanten over mogelijke subsidies. In algemene zin stelde Omnyacc immers dat zij haar klanten steeds op de hoogte zou houden van subsidiemogelijkheden, terwijl [geïntimeerde] op specifieke vragen over dergelijke subsidies in haar geval is verzekerd dat [naam3] ‘echt zijn best doet’ en haar eerder ook heeft meegedeeld ‘in de gaten te houden wanneer het aanvraagloket opengaat’. Daarbij komt dat van een professioneel opdrachtnemer als een accountant (dus van [naam3] ) mocht worden verwacht dat hij tegenover zijn cliënt ( [geïntimeerde] ) geen misverstand had laten bestaan over wat volgens hem wel of juist niet onder de gegeven opdracht zou vallen. Gesteld noch gebleken is dat Omnyacc ( [naam3] ) ooit op enig moment kenbaar heeft gemaakt dat wat [geïntimeerde] vroeg over subsidiemogelijkheden, daaronder begrepen het volgen van en informeren over en het aanvragen van voorschotten, alleen zou worden gedaan als daar (voorafgaand) een expliciete opdracht voor werd gegeven, die dan door Omnyacc eerst had moeten zijn aanvaard en bevestigd.
4.9
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [naam3] zijn zorgplicht als goed opdrachtnemer heeft geschonden en in de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht tekort is geschoten. Dit maakt Omnyacc in beginsel schadeplichtig.
Schade
4.10
Wat betreft het antwoord op de vraag of, en zo ja, welke schade [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de hiervoor vastgestelde tekortkoming/beroepsfout van [naam3] , overweegt het hof het volgende. Deze schade moet worden vastgesteld door een vergelijking van de werkelijke situatie zoals die zich heeft voorgedaan met de hypothetische situatie dat Omnyacc niet was tekortgeschoten. Degene die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is schade lijdt, dient met een schadevergoeding zoveel mogelijk te worden gebracht in de (hypothetische) situatie waarin hij zonder die gebeurtenis zou hebben verkeerd.
4.11
[geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar de definitief toegekende OVK-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 betoogd dat bij tijdige indiening van de aanvraag voor het derde kwartaal van 2021 eveneens een OVK-subsidie zou zijn toegekend omdat de grondslagen en begrippen onveranderd zijn geweest. Onder verdere verwijzing naar de berekening van Alfa Accountants van 21 april 2022 van de misgelopen OVK-subsidie stelt [geïntimeerde] haar schade op het daarvoor berekende bedrag van € 477.595.
4.12
Omnyacc heeft in dit verband aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet van een formele rechtskracht van de besluiten van de RVO kan worden uitgegaan en dat niet aannemelijk is dat positief op de aanvraag voor de OVK Q3 2021 zou zijn beslist. [geïntimeerde] had volgens Omnyacc in die aanvraag dan moeten aangeven dat zij deel uitmaakte van een groep, waartoe ook [naam1] B.V. behoort, zodat niet of nauwelijks sprake was van een relevante omzetdaling. Verder is sprake geweest van omzetverschuiving van [geïntimeerde] naar [naam1] B.V. en zijn ten onrechte voerkosten en mestloon als vaste kosten in de aanvraag voor de OVK Q1 2022 opgevoerd, zodat aan de toekenning van die subsidie geen betekenis kan toekomen. Haar beroepsregels stonden er dus ook aan in de weg een klant te wijzen op een subsidieregeling waarvoor de klant niet in aanmerking komt, althans alleen in aanmerking komt als een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven, aldus Omnyacc.
4.13
Hoewel aan Omnyacc kan worden toegegeven dat in haar rechtsverhouding tot [geïntimeerde] de formele rechtskracht van het vaststellingsbesluit van 26 januari 2023 over de OVK Q1 2022 (zie rechtsoverweging 3.34) haar niet kan worden tegengeworpen, ziet zij eraan voorbij dat er vanuit moet worden gegaan dat de RVO de aanvraag van [geïntimeerde] voor de OVK Q1 2022 inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de RVO – als de ter zake bevoegde instantie – heeft bezien of [geïntimeerde] voldeed aan de voorwaarden voor verlening van de OVK Q1 2022. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] door de RVO niet werd aangemerkt als een onderdeel van een groep, dat voor de RVO de juiste omzetcijfers zijn gepresenteerd en dat de voerkosten en het mestloon niet ten onrechte zijn opgevoerd.
4.14
Dat [geïntimeerde] samen met [naam1] B.V. een groep zou vormen in de zin van de corona-gerelateerde subsidieregelingen zoals de TVL en de OVK, baseert Omnyacc in hoofdzaak op het feit dat [naam1] Holding B.V. alle aandelen houdt van [naam1] B.V. en 50% van de aandelen in [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar een gemotiveerde uiteenzetting van kennis- en adviescentrum Extendum B.V. van 26 april 2023 betwist dat de familiaire band tussen de broers (via hun holdingmaatschappijen) ertoe leidt dat zij ( [geïntimeerde] ) en [naam1] B.V. verbonden ondernemingen zijn in de zin van de OVK-regeling. Omnyacc heeft daar geen voldoende overtuigende andersluidende deskundige opinie tegenover gesteld. Het van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants verkregen antwoord is dat naar oordeel van het hof niet omdat daarin alleen wordt aangehaald dat een familiaire band al voldoende is om te besluiten dat die natuurlijke personen in gemeenschappelijk overleg handelen, terwijl Extendum in haar opinie ingaat op de feitelijke situatie dat twee ondernemingen met elkaar concurreren en economisch onafhankelijk van elkaar gezien kunnen worden. Ook is aldus Extendum geen sprake van handelen van [naam1] en [naam2] in gezamenlijk overleg.
4.15
Buiten het voorgaande geldt dat Omnyacc heeft meegewerkt aan de aanvraag voor de OVK Q1 2022 die, naar zij nu stelt, om meerdere redenen onjuist zou zijn. Uit de door Omnyacc bedoelde VGBA volgt echter ook dat een accountant zich steeds aan de daarin benoemde fundamentele beginselen moet houden. Dat betekent onder meer – geparafraseerd – dat een accountant wordt geacht zich niet in te laten met informatie die materieel onjuist, onvolledig of misleidend is en dat een accountant van een derde verkregen informatie kritisch evalueert alvorens zijn professionele dienst te verlenen. In dit geval geldt dat [naam3] zich in de aanvraag voor de OVK Q1 2022 heeft geschaard achter het ontkennende antwoord op de vraag of [geïntimeerde] onderdeel was van een groep. Ook in de eerdere aanvragen aangaande de TVL heeft [naam3] het antwoord van [geïntimeerde] gevolgd dat zij geen onderdeel was van een groep. Gelet op de gelijkblijvende groepsdefinitie in de regelingen heeft Omnyacc onvoldoende toegelicht waarom haar huidige visie daarover zou prevaleren boven haar eerdere visie. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat sprake is geweest van omzetverschuiving naar [naam1] B.V. Bij de beoordeling of [geïntimeerde] in verband met omzetdaling in aanmerking kwam voor de corona-gerelateerde subsidies, waren immers steeds de btw-aangiften het uitgangspunt. Het staat vast dat Omnyacc die btw-aangiften steeds verzorgde, zodat zonder nadere toelichting, die naar het oordeel van het hof ontbreekt, niet valt in te zien dat die aangiften toch niet zouden kunnen worden gevolgd. In dat verband geldt tot slot dat het hof ook niet inziet dat het gegeven dat een grote afnemer van [geïntimeerde] een grote levering later heeft betaald dan gebruikelijk was, een bevestiging voor omzetverschuiving zou opleveren. Naar Omnyacc zelf stelt, hanteert [geïntimeerde] in haar administratie het factuurstelsel, wat betekent dat [geïntimeerde] de door haar berekende btw moet verwerken in haar btw-aangifte en moet afdragen op het moment dat de factuur wordt verstuurd. Dat wordt dus niet anders als de klant vervolgens later betaalt dan gebruikelijk.
4.16
Omnyacc heeft nog aangevoerd dat [naam1] B.V. voor [geïntimeerde] management-diensten heeft verricht, dat [naam1] B.V. een financiering had van [geïntimeerde] , dat [naam1] B.V. nauwelijks kosten maakte bij een forse omzet, dat klanten van [geïntimeerde] ook klanten van [naam1] B.V. waren en dat [naam1] B.V. ook gebruik maakte van (onderdelen van) de organisatie en de middelen van [geïntimeerde] . Zo al juist, dan geldt dat Omnyacc tegen de achtergrond van de uiteenzetting van Extendum niet toereikend heeft uitgelegd dat die feitelijke omstandigheden relevant – laat staan doorslaggevend – zouden zijn bij de beoordeling of [geïntimeerde] een verbonden onderneming zou zijn in de zin van de corona-gerelateerde regelingen en met name de OVK-regeling.
4.17
Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat de aanvraag voor de OVK Q1 2022 op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Omnyacc heeft verder onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een aanvraag voor de OVK Q3 2021 op de hiervoor besproken aspecten anders zou zijn ingediend. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de RVO ook positief zou hebben beslist op de aanvraag voor de OVK Q3 2021 als die (tijdig) was ingediend.
4.18
Uit een en ander volgt dat [geïntimeerde] als gevolg van het niet (tijdig) indienen van de aanvraag voor de OVK Q3 2021 deze subsidie is misgelopen. [geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar de berekening van Alfa Accountants (zie rechtsoverweging 3.31) die schade op € 477.595 gesteld. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de daarop door Omnyacc uitgeoefende kritiek van omzetverschuiving en het ten onrechte meenemen van mestloon en voerkosten als ongedekte vaste lasten geen doel treft. Aan het in dit verband tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerde verweer dat ‘uitsluitend mocht worden gekeken naar de opbrengsten uit de kalvermesterij omdat [geïntimeerde] in 2021 was gestopt met het houden van melkvee en de handel in vee niet onder de OVK-regeling viel’, gaat het hof voorbij. Allereerst is dat verweer te laat opgebracht, maar ook als dat anders zou moeten worden gezien, is dat argument in dit verband onvoldoende begrijpelijk toegelicht.
4.19
Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen of in voldoende mate aannemelijk is dat [geïntimeerde] vanwege het niet (tijdig) indienen van de aanvraag voor de OVK Q3 2021 al deels door Omnyacc is gecompenseerd en/of dat [geïntimeerde] zich kosten heeft bespaard. Wat betreft een mogelijke compensatie heeft [geïntimeerde] immers zelf aangevoerd dat Omnyacc vanwege het niet (tijdig) indienen van bedoelde subsidieaanvraag op de factuur van 14 januari 2022 een coulancekorting van € 3.000 excl. btw heeft verleend. Omnyacc heeft echter tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat zij die korting uit commerciële motieven heeft verleend en dat daarmee de kosten van onder meer het voeren van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 2 december 2021 (zie rechtsoverweging 3.25 en 3.26) voor [geïntimeerde] werden gecompenseerd. Tegen die achtergrond is er onvoldoende reden gebleken om in het kader van de begroting van de schade met die coulancekorting rekening te houden als een al toegekende compensatie. Omnyacc heeft het hof weinig concrete aanknopingspunten aangereikt voor een conclusie dat [geïntimeerde] zich kosten heeft bespaard doordat voor haar geen aanvragen voor bevoorschotting en definitieve vaststelling van de OVK Q3 2021 zijn gedaan. Uit de factuur van 22 januari 2022 blijkt wel dat Omnyacc voor de (vier) aanvragen voor de bevoorschotting en de definitieve vaststelling van de TVL Q1 2021 en TVL Q3 2021 € 6.360,50 (excl. btw) in rekening heeft gebracht. Bij gebrek aan verdere aanknopingspunten schat het hof de kosten van de aanvragen voor de bevoorschotting en de definitieve vaststelling van de OVK Q3 2021 op € 2.500 (excl. btw). Omdat het gaat om begroting van schade is de btw hier verder niet relevant.
4.20
Een en ander leidt ertoe dat van de gestelde schade € 475.095 in beginsel voor rekening van Omnyacc komt.
Eigen schuld
4.21
Omnyacc heeft gesteld dat sprake is van eigen schuld (artikel 6:101 BW) van [geïntimeerde] . Omnyacc heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat [geïntimeerde] als ondernemer zelf bekend had kunnen en moeten zijn met de invoering van de OVK-regeling zodat zij haar eigen verantwoordelijkheid miskent. Verder heeft zij aangevoerd dat [geïntimeerde] zelf ook een adviseur ( [naam4] ) had ingeschakeld over de vraag voor welke ondersteuningsmaat-regelen [geïntimeerde] in aanmerking zou kunnen komen en dat die adviseur ook niet heeft achterhaald dat er een OVK-regeling was.
4.22
Artikel 6:101 lid 1 BW bepaalt dat de vergoedingsplicht, als de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt verminderd door de schade te verdelen over de benadeelde en vergoedingsplichtige in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt als de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
4.23
In verband met dit beroep herhaalt het hof dat Omnyacc – in de persoon van [naam3] – tegenover [geïntimeerde] is opgetreden als een financieel(administratief) dienstverlener, dat op [naam3] uit hoofde daarvan een bijzondere zorgplicht rustte die mede strekte ter bescherming van [geïntimeerde] tegen het gevaar van een gebrek aan kunde, kennis en inzicht. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [naam3] deze zorgplicht geschonden. [geïntimeerde] mocht er in beginsel van uitgaan dat [naam3] zijn zorgplicht tegenover haar zou naleven. Hieruit volgt dat [geïntimeerde] niet bedacht hoefde te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoefde te verdiepen in de mogelijkheid dat er nog andere, relevante ondersteunings-maatregelen waren, waarop niet door Omnyacc / [naam3] werd gewezen. Dit geldt temeer omdat Omnyacc zelf communiceerde dat zij haar klanten ook ongevraagd op de hoogte zou brengen van mogelijke subsidies en regelingen (zie rechtsoverweging 3.5), waarbij [naam3] door Omnyacc in dat verband is aangeduid als ‘subsidiespecialist’ en Omnyacc / [naam3] zeer bekend was / waren met de door [geïntimeerde] ervaren noodzaak van financiële ondersteuning van haar door de corona-beperkingen getroffen onderneming. Dit is ook van belang bij de causaliteitsafweging op de voet van art. 6:101 BW.
4.24
Uit een en ander volgt dat de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] verantwoordelijk is voor haar eigen bedrijfsvoering niet betekent dat [geïntimeerde] , wat betreft de voor haar mogelijke ondersteuningsmaatregelen, niet mocht vertrouwen op wat Omnyacc haar daarover meldde. Het plaatsen van een artikel over de OVK-regeling op een website van een brancheorganisatie, waarbij [geïntimeerde] aangesloten is, maakt dat niet anders, nog daargelaten dat uit niets blijkt dat [geïntimeerde] destijds van dat artikel (tijdig) kennis heeft genomen.
4.25
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde] toegelicht dat de door haar in de zomer van 2021 ingeschakelde adviseur [naam4] zich in eerste instantie geheel op een ander aspect van de onderneming van [geïntimeerde] heeft gericht en dat hij pas eind november 2021 door [geïntimeerde] is gevraagd zich te verdiepen in de vraag waarom een beslissing op de door haar aangevraagde TVL uitbleef. Dat is door [naam4] bevestigd, zowel in een schriftelijke verklaring als een verklaring tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. [naam3] heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling na raadpleging van zijn agenda bevestigd dat hij op 5 december 2021 met [naam4] voor het eerst heeft gesproken. Dat vindt steun in het e-mailbericht van 26 november 2021 aan [geïntimeerde] waarin [naam4] om de naam en het telefoonnummer van [geïntimeerde] ’s accountant vraagt. Met een en ander is voldoende aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] in de hier relevante periode van eind juni 2021 tot en met 15 november 2021 niet werd bijgestaan door een andere adviseur die een opdracht had met betrekking tot corona-gerelateerde ondersteuningsmaatregelen.
4.26
Daarmee kan dus niet worden geconcludeerd dat de door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van de tekortkoming van Omnyacc mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Deze schade moet als consequentie daarvan volledig worden gedragen door Omnyacc. Het beroep op artikel 6:101 BW wordt dan ook verworpen.
Wettelijke rente en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten
4.27
In hoger beroep is door Omnyacc niet afzonderlijk bestreden de toegewezen wettelijke rente – de ingangsdatum van 19 september 2022 daaronder begrepen – of de toegewezen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 1.000. Die beslissingen blijven, gezien het voorgaande, dan ook in stand.
De conclusie
4.28
Het hoger beroep slaagt voor een klein deel. In plaats van € 477.595 zal aan schadevergoeding € 475.095 worden toegewezen. Voor het overige faalt het hoger beroep.
4.29
De omstandigheid dat in hoger beroep een lager bedrag wordt toegewezen, brengt mee dat in zoverre toewijsbaar is de door Omnyacc gevorderde veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van wat Omnyacc op basis van het vonnis van 30 oktober 2024 te veel heeft betaald, vermeerderd met de gestelde wettelijke rente.
4.30
Omdat Omnyacc overwegend in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
4.31
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 oktober 2024, behalve de beslissing in rechtsoverweging 5.1 die hierbij wordt vernietigd en beslist opnieuw als volgt:
5.2
veroordeelt Omnyacc om aan [geïntimeerde] te betalen € 475.095, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 19 september 2022 tot de dag van betaling;
5.3
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Omnyacc van wat Omnyacc op grond van het vonnis van 30 oktober 2024 te veel aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Omnyacc tot aan de dag van terugbetaling;
5.4
veroordeelt Omnyacc tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 6.803 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten × het toepasselijke tarief VII à € 5.619)
5.5
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
5.6
verklaart de veroordelingen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, M. Willemse en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.
Het vonnis is niet gepubliceerd.
De Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), die gebaseerd is op de artikelen 19 e.v. van de Wet op het accountantsberoep.
Vgl. o.m. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998.
Als bedoeld in artikel 2 VGBA.
Vgl. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|