Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:3325 
 
Datum uitspraak:26-05-2026
Datum gepubliceerd:08-07-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.356.005
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW. Vonnis treedt in de plaats van een (deel van een) tot levering van een registergoed bestemde akte. Niet tijdig inschrijven hoger beroep in het rechtsmiddelenregister leidt tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep.
Trefwoorden:koopovereenkomst
landbouwgrond
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.356.005
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 431023


arrest in het incident van 26 mei 2026


in de zaak van





1 [verkoper1]
die woont in [woonplaats1] (Portugal)
2. [verkoper2]
die woont in [woonplaats2]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie
hierna samen te noemen: [verkopers]
advocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs

en




1 [koper1] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
2. [koper2]
die woont in [woonplaats3]
3. [koper3]
die woont in [woonplaats4]
die bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en gedaagden in reconventie
hierna samen te noemen: [kopers]
advocaat: mr. E.M. Uijttewaal





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[verkopers] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 8 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de akte uitlaten ontvankelijkheid (ex art. 3:301 lid 2 i.v.m. art. 3:300 lid 2 BW) tevens houdende voorwaardelijk verzoek mondelinge behandeling;


de antwoordakte uitlaten niet ontvankelijkheid.





1.2.
Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Hierna heeft het hof arrest bepaald.







2De zaak in het kort


2.1.

[kopers] en [verkopers] zijn met elkaar in onderhandeling getreden over de verkoop door [verkopers] aan [kopers] van een perceel landbouwgrond dat in eigendom toebehoort aan [verkopers] Tussen partijen is in geschil of tussen hen een koopovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van het perceel landbouwgrond. Dit geschil heeft geleid tot de procedure bij de rechtbank.



2.2.
De rechtbank heeft (in conventie) de (primaire) vordering van [kopers] toegewezen en beslist:

“(…)



5.1.

verklaart voor recht dat dat tussen [kopers] enerzijds en [verkopers] anderzijds (…) een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het perceel landbouwgrond (…),




5.2.

veroordeelt [verkopers] hoofdelijk tot nakoming van de onder 5.1 genoemde koopovereenkomst door het perceel landbouwgrond (…) aan [kopers] te leveren, tegen ontvangst van de in de koopovereenkomst bepaalde koopprijs en [kopers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten;




5.3.

bepaalt dat, indien [verkopers] niet aan de onder 5.2 genoemde veroordeling voldoen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [verkopers] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte en de toestemming om het perceel te betreden voor de benodigde onderzoeken;




5.4.

veroordeelt [verkopers] hoofdelijk in de beslagkosten (…) te vermeerderen met de wettelijke rente,




5.5.

veroordeelt [verkopers] hoofdelijk in de proceskosten (…),



5.6.

veroordeelt [verkopers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente (…) over de proceskosten (…),



5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


(…)”,


Daarnaast heeft de rechtbank (in reconventie) de vorderingen van [verkopers] om [kopers] te veroordelen tot opheffing van het beslag en schadevergoeding wegens het gelegde beslag afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, [verkopers] veroordeeld in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.



2.3.

[verkopers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. In het geval sprake is van een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een (deel van een) tot levering van een registergoed bestemde akte, moet het hof ambtshalve beoordelen of is voldaan aan het voorschrift dat het instellen van hoger beroep binnen acht dagen na het instellen ervan is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank.

Uit de wet (artikel 3:301 lid 2 BW) volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is als niet wordt voldaan aan dit voorschrift. [verkopers] hebben niet tijdig in het rechtsmiddelregister laten inschrijven dat hoger beroep is ingesteld.



2.4.

[verkopers] stellen zich op het standpunt dat zij ontvankelijk zijn in het hoger beroep om redenen die hierna in de beoordeling van de zaak nader zullen worden besproken. [kopers] nemen het standpunt in dat het hoger beroep van [verkopers] in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



2.5.
Het hof zal beslissen dat [verkopers] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep en licht dat hierna toe. Dit betekent dat het vonnis van de rechtbank in stand blijft.





3De toelichting op de beslissing van het hof


Juridisch kader


3.1.
Rust op een partij de verbintenis om een registergoed over te dragen aan zijn wederpartij, maar werkt hij niet mee aan het opmaken en ondertekenen van de tot levering van het registergoed bestemde notariële akte, dan kan de rechter, op vordering van de wederpartij, bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van de akte of een deel daarvan (artikel 3:300 lid 2 BW). Dit is een vorm van reële executie.



3.2.
Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet het hoger beroep tegen een uitspraak in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het hoger beroep worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan (hierna: het rechtsmiddelenregister). Artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die is vereist bij het verkrijgen van registergoederen. Dit brengt mee dat de rechter ambtshalve moet nagaan of aan het voorschrift is voldaan.


Uitleg artikel 3:300 lid 2 BW



3.3.
Om vast te stellen of sprake is van een uitspraak als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW (zie hiervoor onder 3.1) moet de rechter de uitspraak zo nodig uitleggen. Om daarbij uitlegperikelen te voorkomen verdient het – zoals dit hof eerder heeft beslist – aanbeveling dat partijen in hun vordering en vervolgens de rechter in zijn beslissing duidelijk vermelden dat de gevorderde reële executie is gebaseerd op artikel 3:300 lid 2 BW en dat met zoveel woorden wordt vermeld dat het vonnis in de plaats treedt van de akte of een gedeelte daarvan.



3.4.

[verkopers] voeren aan dat de beslissing van de rechtbank in het dictum onder 5.3 niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke uitspraak waarin is bepaald dat deze in de plaats treedt van (een deel van) de tot levering van een registergoed bestemde akte omdat deze niet valt onder de letterlijke tekst van artikel 3:301 BW.



3.5.
De beslissing van de rechtbank in het dictum onder 5.3 heeft betrekking op een door partijen gezamenlijk op te maken notariële leveringsakte en is een letterlijke toewijzing van de vordering van [kopers] waarin een expliciete verwijzing naar artikel 3:300 lid 2 BW is opgenomen en waarin met zoveel woorden is vermeld dat het vonnis op grond van dat artikel “(…) in de plaats treedt van de wilsverklaring van [verkopers] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte (…)” (zie hiervoor onder 2.2). Mede gelet op hetgeen hiervoor is vermeld moet deze beslissing van de rechtbank zo worden uitgelegd dat de rechtbank daarmee een deel van de notariële akte – te weten: de verklaring van [verkopers] – door het vonnis heeft vervangen. Dit betekent dat – anders dan [verkopers] aanvoeren – sprake is van een uitspraak in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW.


Beperkte strekking artikel 3:301 lid 2 BW



3.6.
Het is vaste rechtspraak dat artikel 3:301 lid 2 BW, mede gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid, een beperkte strekking heeft. Die beperkte strekking brengt mee dat artikel 3:301 lid 2 BW niet van toepassing is op gevallen die niet door de wettekst worden bestreken of waarin de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. De eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister geldt slechts voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden. Artikel 3:301 lid 2 BW is dus niet van toepassing indien op het moment waarop het rechtsmiddel wordt aangewend, vaststaat dat de uitspraak niet ter vervanging van de akte van levering of een deel daarvan in de openbare registers is ingeschreven of nog kan worden ingeschreven.



3.7.

[verkopers] voeren aan dat artikel 3:301 lid 2 BW niet aan de orde is omdat tot op heden geen notariële akte aan hen is voorgelegd met het verzoek daaraan hun medewerking te verlenen en dat laatste ook niet mogelijk is omdat de voorwaarden die [kopers] op grond van de koopovereenkomst moeten vervullen, nog niet zijn vervuld.



3.8.
De verplichting om het hoger beroep in te schrijven in het rechtsmiddelenregister geldt ook als de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld nog in de plaats van een deel van de akte van levering kan treden (zie hiervoor onder 3.6). Die situatie doet zich in dit geval voor zodra [kopers] aan de in de koopovereenkomst gestelde voorwaarden voldoen en [verkopers] hun verplichting om het perceel landbouwgrond aan [kopers] te leveren vervolgens niet nakomen. Dit betekent dat de omstandigheid dat [kopers] nog geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om het vonnis in de plaats te doen treden van een deel van de notariële akte niet tot gevolg heeft dat de eis van inschrijving niet geldt. [verkopers] moesten het hoger beroep dus inschrijven in het rechtsmiddelenregister. Het betoog van [verkopers] dat artikel 3:301 lid 2 BW toepassing mist omdat tussen partijen niet in geschil is dat onder de huidige omstandigheden nog geen levering van het perceel landbouwgrond kan plaatsvinden, zodat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is, gaat gelet op het bovenstaande evenmin op.


Reikwijdte onderzoek artikel 3:301 lid 2 BW



3.9.
Bovendien geldt dat het onderzoek dat de rechter in het kader van artikel 3:301 lid 2 BW verricht niet zover gaat dat hij ook ambtshalve toetst of is voldaan aan de voorschriften voor de inschrijfbaarheid van het vonnis in de openbare registers. Dit betekent dat de rechter bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van het hoger beroep alleen nagaat of het rechtsmiddel tijdig is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Hij slaat daarbij geen acht op het moment waarop het vonnis is betekend aan de partij die het hoger beroep instelt (artikel 3:301 lid 1 onder b BW) of op de voorwaarden die aan de werking van het vonnis zijn verbonden (artikel 3:301 lid 3 BW).





3.10.
Dit brengt mee dat hetgeen [verkopers] hebben aangevoerd ten aanzien van de nietige inschrijving van het vonnis in de openbare registers en het voorwaardelijke karakter van de leveringsplicht van [verkopers] buiten het bestek van het toetsingskader van artikel 3:301 lid 2 BW vallen en om die reden voor het overige onbesproken kunnen blijven.


Omvang niet-ontvankelijkheid



3.11.
Uit de beperkte strekking van artikel 3:301 lid 2 BW volgt ook dat niet tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister alleen tot niet-ontvankelijkheid leidt voor zover met het rechtsmiddel wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.



3.12.
Zoals hiervoor is overwogen had het hoger beroep tegen het dictum onder 5.3 van het vonnis moeten worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister en is dat niet (tijdig) gebeurd. De in het dictum onder 5.2 van het vonnis opgenomen veroordeling van [verkopers] om het perceel landbouwgrond te leveren aan [kopers] en [kopers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten, staat in onlosmakelijk verband met de beslissing in het dictum onder 5.3. Ook de in het dictum onder 5.1 opgenomen verklaring voor recht dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen, is daarmee onlosmakelijk verbonden. De (ver)koop is immers de titel van de overdracht die door de levering wordt bewerkstelligd. Dit brengt mee dat [verkopers] ook niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep tegen de titel die naar het oordeel van de rechtbank aan de leveringsplicht ten grondslag ligt. Ditzelfde geldt voor de proceskosten en de vorderingen in reconventie die onlosmakelijk zijn verbonden met de conventie.



3.13.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is aan de orde geweest dat [verkopers] niet met een aparte grief willen opkomen tegen de veroordeling in de beslagkosten zoals opgenomen in het dictum onder 5.4. Hieruit volgt dat dit onderdeel van het vonnis geen nadere bespreking behoeft. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. De omstandigheid dat [verkopers] nog niet van grieven hebben gediend staat aan dat oordeel niet in de weg.


De conclusie



3.14.

[verkopers] worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep en het hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Omdat zij in het ongelijk worden gesteld, zullen [verkopers] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.






4De beslissing

Het hof:


4.1.
verklaart [verkopers] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;



4.2.
veroordeelt [verkopers] tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep van [kopers] ter hoogte van: - € 1.935,- aan salaris van de advocaat van [kopers] (1,5 procespunt x het toepasselijke tarief II);



4.3.
wijst af wat verder of anders is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. R. Verkijk, D.M.I. De Waele en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
























HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR: 2007:AZ7615


HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR: 2015:2531 en Hof Arnhem -Leeuwarden 15 oktober 2024, ECL:I:NL:GHARL:2024:6344 r.o. 5.2


Hof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7369, r.o. 3.6


HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5570 r.o. 3.3 en Hof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2018, ECL:I:NL:GHARL:2018:7369 r.o. 3.6


HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR: 2007:AZ7615 r.o. 3.4 en Hof Arnhem -Leeuwarden 15 oktober 2024, ECL:I:NL:GHARL:2024:6344 r.o. 5.3


HR 27 maart 2020 ECLI:NL:HR: 2020:538 r.o. 3.5 en Hof Arnhem -Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6344 r.o. 5.3


HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:ECLI AZ7615 r.o. 3.3.1 en 3.3.2


HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR: 2015:2531 en Hof Arnhem -Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6344 r.o. 5.3


Vgl HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR: 2021:647 r.o. 3.3.1 en Hof ’s-Hertogenbosch 14 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1634 r.o. 3.6.7
Link naar deze uitspraak