Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:3726 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:30-06-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.354.298
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aansprakelijkheid notaris wegens schending zorgplicht. Causaal verband met schade voldoende aannemelijk. Eigen schuld van 40% wegens niet of nauwelijks lezen van concepten door professionele partij.
Trefwoorden:koopovereenkomst
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.354.298
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 434342


arrest van 9 juni 2026


in de zaak van:


Trip Advocaten Notarissen B.V.

die is gevestigd in Groningen
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde partij
hierna: Trip
advocaat: mr. L Wijnbergen


tegen




[geïntimeerde] B.V.

die is gevestigd in [vestigingsplaats]
en bij de rechtbank optrad als eisende partij
hierna: [holding]
advocaat: mr. E. Koekoek





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Trip heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) op 8 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven


de memorie van antwoord


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden.







2De kern van de zaak


2.1.
In deze vrijwaringszaak gaat het om de beantwoording van de vraag of [holding] zich op Trip kan verhalen in verband met een vordering van de curator van HNL Group (hierna: de curator) op [holding] . Die vordering van de curator strekte tot nakoming van een stortingsverplichting op aandelen in HNL Group, welke is vastgelegd in een door een notaris van Trip opgestelde akte van 2 december 2022. De hoofdzaak tussen de curator en [holding] is geëindigd met een vaststellingsovereenkomst, die inhoudt dat [holding] € 240.000 aan de curator moet betalen. [holding] vordert veroordeling tot betaling van dit bedrag door Trip, vermeerderd met wettelijke rente. Daartoe stelt [holding] dat Trip haar zorgplicht heeft geschonden, vooral doordat zij niet heeft gecontroleerd of [holding] wil overeenstemde met hetgeen in de akte van 2 december 2022 was neergelegd. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Het hoger beroep strekt ertoe dat de vordering alsnog wordt afgewezen. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het hof zal die beslissing hieronder motiveren.






3De toelichting op de beslissing van het hof


De feiten



3.1.
Er zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld (rov. 3.1 tot en met 3.19). Het hof zal uitgaan van die feiten. Omdat het vonnis van de rechtbank niet is gepubliceerd, zal het hof de feiten hieronder – hier en daar in eigen bewoordingen - weergeven, aangevuld met na dit vonnis gebleken feiten.



3.2.

[holding] is de persoonlijke holding van [de investeerder] . [holding] had voor een groot bedrag geïnvesteerd in Holland Norway Lines B.V. (HNL) en HNL Ferry Terminal (€ 750.000 storting op aandelen HNL en € 3.200.000 aan geldleningen aan HNL en HNL Ferry Terminal).



3.3.
Op 28 oktober 2022 is er een spoedbijeenkomst geweest van de aandeelhouders van HNL omdat HNL technisch failliet was. Er was een zeer ernstig en acuut liquiditeitsprobleem, maar er werden ook kansen gezien, mits er aanvullend geïnvesteerd zou worden. In het kader van de beoogde reddingsoperatie is op 9 november 2022 HNL Group opgericht. Duidelijk was dat er in ieder geval € 10.000.000 nodig was, dat gestoken zou worden in HNL Group. Aan de aandeelhouders, waaronder [holding] , is gevraagd welk commitment zij wilden geven.



3.4.
In een e-mail van 9 november 2022. om 08.55 uur. schrijft aandeelhouder van HNL [naam1] (hierna: [naam1] ) aan mr. [de notaris] , kandidaat-notaris bij Trip (hierna: de notaris):
"Zoals zojuist telefonisch besproken graag een document per investeerder om te tekenen zodat afgesproken commitment vastligt.
(…)

[de investeerder] . 2.000.000 waarvan 750.000 per direct en 1000.000 als bankgarantie voor bijv, de benkeraar 250.000 zsm maar ten minste voor 1 januari.
(…)
Investeerders verwerven een evenredig deel van de inleg aan aandelen ( ...) en gaan ermee akkoord dat nieuwe investeerders tot 1 maart 2023 zonder adh besluit kunnen instappen tot de 10 mio is bereikt (...)"



3.5.
Op diezelfde dag heeft [holding] , net als de andere aandeelhouders van HNL, tijdens een digitale aandeelhoudersvergadering van HNL toestemming gegeven voor overdracht van haar aandelen in HNL naar HNL Group.



3.6.
Op 12 november 2022 maakt [holding] € 500.000 over aan HNL onder de
mededeling "Voorlopige agiostorting".



3.7.
Op of omstreeks 15 november 2022 tekent [holding] een garantiestelling van € 1.000.000 ten behoeve van de brandstofleverancier SBI Bunkering van HNL Group.



3.8.
In een e-mail van 16 november 2022 schrijft de bij de reddingsoperatie betrokken fiscalist [naam2] aan [naam1] en de CFO van HNL, de heer [naam3] (hierna: [naam3] ):
"Toegezegd zijn de volgende bedragen
(...)

[holding] 2.000.000 (500k reeds in cash voldaan, 1 M bankgarantie voor bunker
gesteld. 500k committed, maar volgt)"



3.9.
Op 18 november 2022 stuurt mr. [de notaris] een e-mail in bcc aan de aandeelhouders, waaronder [holding] , met een aantal (in het Engels opgestelde) concepten van transactiedocumenten, waaronder de koopovereenkomst, de akte van levering van aandelen en een akte van uitgifte van aandelen. In de artikelen 4.2 en 4.3 van de concept koopovereenkomst is opgenomen dat aan [holding] 2000 aandelen uitgegeven zullen worden door HNL Group tegen een uitgifteprijs van € 1.000 per aandeel.



3.10.
Op 23 november 2022 heeft de notaris opvolgende conceptstukken aan onder meer [holding] gestuurd. In de concept akte van uitgifte van aandelen is opgenomen dat aan

[holding] 2000 gewone aandelen in het kapitaal van HNL Group worden uitgegeven
tegen een uitgifteprijs van € 2.000.000, dat die prijs is verrekend met [holding]
vordering van € 500.000 en dat [holding] het restant als volgt heeft betaald: een
betaling van € 500.000 (naar het hof begrijpt en ter zitting door Trip bevestigd: te voldoen op de transactiedatum) en een lening/schuldbekentenis van f 1.000.000, te betalen op 1 januari 2023, tegen nader overeen te komen voorwaarden.



3.11.
Tijdens een Teams-gesprek op 25 november 2022 tussen de notaris en [de investeerder]

[holding] , toont [de investeerder] zijn rijbewijs voor de camera en ondertekent hij
een in het Engels opgestelde volmacht (power of attorney) ten behoeve van onder meer "the execution of the notarial deed of issuance of shares in the capital of HNL Group BV. (...) on the basis of a draft deed of issuance of shares prepared by Trip Advocaten Notarissen".



3.12.
In een e-mail van 2 december 2022 van 08:50 uur schrijft de directeur van HNL Group aan onder andere [holding] dat Trip de definitieve versie van de overeenkomsten snel zal delen en dat deze onmiddellijk geretourneerd moeten worden, omdat alles getekend en betaald moet zijn vóór 10:00 uur. Op dezelfde datum om 09:26:32 uur opent [holding] de ’deed of issuance of shares’ (hierna: de akte) en om 09:30:02 heeft hij de akte geaccepteerd, door alle pagina's van de akte te accorderen. In die tijd heeft hij ook de koopovereenkomst, geldleningsovereenkomst en een bijlage bij VSO geopend.



3.12.
Op 2 december 2022 is de notariële akte van uitgifte van aandelen in HNL Group verleden.
In de akte staat:

“COMPANY


1. HNLGroup B.V. (...)


SUBSCRIBERS

2. a. (...)
b. W.C, [holding] B.V. (...) ( [holding] ):

INTRODUCTION

(...)
2. The general meeting of the Company resolved to issue:
(...)
two thousand (2,000) ordinary shares in the capital of the Company with a par value
of one eurocent (E 0,01 ) each, numbered 2,001 up to and including 4,000 to [holding]
(Ordinary Shares [holding]);
(...)

ISSUANCES

(...)
7 The Ordinary Shares are issued against the following issue prices:
(...)
the Ordinary Shares [holding] are issued against an issue price of two million
Euros (€ 2,000,000.00) (Issue Price Ordinary Shares [holding]):
(...)
9. The Issue Prices Ordinary Shares have been paid as follows:
(...)
the Company and [holding] have agreed that [holding] 's obligation to
pay the Issue Price Ordinary Shares [holding] is hereby settled (verrekend) (...) with

[holding] 's claim on the Company in the amount of one million euro (€ 500.000.00)
resulting from the payments of part of the Issue Price Ordinary Shares [holding] made
upfront by [holding] to the Company directly, as a result whereof both obligations will
cease to exist up to their mutual amount (gaan beide verbintenissen tot hun

gemeenschappelijk beloop teniet). The Company and [holding] hereby agree that the
remaining part of [holding] s obligation to pay the Issue Price Ordinary Shares [holding]
after the settlement referred to above will be paid by [holding] to the
Company directly ultimately on the first day of January two thousand twenty-three;
(...)"



3.13.
Tussen partijen staat vast dat het uitschreven bedrag van "one million euro" in artikel 9 een verschrijving betreft. Bedoeld was op te nemen "five hundred thousand euro” een bedrag van € 500.000, zijnde de betaling die [holding] op 12 november 2022 had verricht.



3.14.
In een e-mail van 22 december 2022 schrijft [holding] aan [naam1] , met cc aan

[naam3] :
"Zoals aangegeven kan ik alleen een handtekening aan MF shipping geven voor 1 Mil van
m'n holding en verder niet. Dus alles wat erin moet ofzo en die 250 k gaat mij gewoon niet
lukken. Ik moet heb al afspraak staan volgende week om voor mn eigen 2, 1 mil op te halen
om mn projecten rond te draaien.
Ik heb paar maand geleden aangegeven dat ik 500 direct zou doen en 1e kwartaal een miljoen
en daarna nog een keer 500 K Dat is nu wat het is, meer kan ik er met de beste wil van de
wereld met van maken.
Ik zit vanmiddag van 3 tot half 5 in de auto en heb afspraak in [plaats] . Rond 18.00 uur
weer bereikbaar. Als het in Engels is dan kan er niet veel mee.”



3.15.
Op 27 december 2022 ondertekent [holding] een garantiestellingsovereenkomst, waarin staat dat zij € 500.000 leent van Droomvlucht B.V (een vennootschap van [naam1] ) en een zelfde bedrag van Do Invest B.V., welk bedrag de geldgevers rechtstreeks storten aan HNL Group, waardoor beide geldgevers een vordering van elk € 500.000 op [holding] verkrijgen. Partijen zijn het erover eens dat dit gold als vervanging van de garantiestelling van 15 november 2022 aan SBI Bunkering.



3.16.
In een bestuursbesluit van HNL Group van 22 februari 2023, op dezelfde datum
door [holding] voor akkoord getekend, staat:
"(...)
(C) Op 2 december 2022 heeft [holding] B.V. zich verplicht tot
storting van in totaal EUR 2.000.000 (de Stortingsverplichting) op de door haar
gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van HNL Group (de Aandelen). Tot
de kapitaalstorting hebben de aandeelhouders van HNL Group op 2 december 2022
besloten.
(D) [holding] B.V. heeft op 27 december 2022 van DO Invest B.V
en Droomvlucht BV. ieder een bedrag geleend van EUR 500.000, waarvan blijkt
uit aangehechte tijdelijke leningsovereenkomsten (Bijlage ). Deze bedragen zijn
bestemd voor de nakoming (deels) van de Stortingsverplichting.
(E) Ter uitvoering van de Stortingsverplichting is gestort op het bankrekeningnummer
van Holland Norway Lines, houdende voor HNL Group:
(i) op of omstreeks 2 december 2022: door [holding] B.V
een bedrag van EUR 500.000; en
(ii) op 27 december 2022: voor rekening van [holding]
B V. door DO Invest B.V. en Droomvlucht B.V. ieder een bedrag van EUR 500.000. derhalve in totaal EUR 1.000.000,(tezamen de Stortingen)
(F) Na de Stortingen resteert als Stortingsverplichting een bedrag van EUR 500.000.
(…)”



3.17.
In een e-mail van 27 februari 2023 aan de aandeelhouders van HNL Group schrijft [holding] :
”( )
Om die reden ben ik persoonlijk meegegaan dat de achtergestelde lening er kwam en
ik gezegd heb 500 k nu en 1500 k later niet voor einde eerste kwartaal en mogelijk later.
( ..)"



3.18.
In een e-mail van 22 mei 2023 schrijft [holding] aan [naam3] :
”(...) Tijdens de financiële storm bij HNL in Oktober 22 hebben we nogmaals toegezegd dat
ik zou bij storten maar wel onder voorwaarden 500 k direct en het andere op zn vroegst
eerste kwartaal IK heb ook niet geweten dat ik dus voor de gedeelte direct ook aandelen op
naam kreeg. Ik dacht dat is boter bij de vis zeg maar. (...) Gezien mij eigen situatie heb ik op
dit moment door de hele financiële markt en rente stijgingen ook uitloop op mijn projecten
en kan ik op dit moment niet storten nog. Ik hoop dat dit de komende maanden wel gaat
lukken (...)”



3.19.
Op 19 september 2023 is het faillissement van HNL Group uitgesproken. Vanaf
eind september 2023 vordert de curator in dat faillissement betaling van € 500.000 van [holding]
. Zoals gezegd heeft [holding] op grond van een vaststellingsovereenkomst € 240.000 aan de curator betaald.



3.20.
In een uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Kamer voor het Notariaat op een door [holding] tegen (o.a.) mr. [de notaris] ingediende tuchtklacht het volgende overwogen en beslist (met weglaten voetnoten):

“(…)



4.8
De kamer is het met klaagster eens dat de kandidaat-notaris haar onvoldoende heeft
geïnformeerd over de inhoud van de akte en de gevolgen die daaruit voor klaagster
voortvloeien. Dit zal hierna worden toegelicht.



4.9.
Op grond van artikel 43 Wna rust er op de kandidaat-notaris een informatieplicht,
wilscontroleplicht en (onder omstandigheden) waarschuwingsplicht. Dit betekent dat de
kandidaat-notaris klaagster tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van
de akte kennis te nemen en dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen
en daarop een toelichting moet geven, maar ook dat de notaris zo nodig wijst op de gevolgen
die voor klaagster uit de inhoud van de akte voortvloeien. Of er op de notaris een
(bijzondere) waarschuwingsplicht rust, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Hiervoor is relevant wat de ervaring en deskundigheid van partijen is, hoe hun onderlinge
verhouding eruit ziet en in welke verhouding zij staan tot de notaris. Naarmate de gevolgen
voor klaagster nadeliger of riskanter zijn, wint de waarschuwingsplicht aan gewicht.

4. 10. De kandidaat-notaris betoogt dat er in dit geval slechts sprake was van een beperkte
informatie-, wilscontrole- en waarschuwingsplicht, waaraan hij heeft voldaan. Daartoe heeft
hij onder meer aangevoerd dat hij alle concepten heeft opgesteld op instructie van het
bestuur en (een deel van) de aandeelhouders, hij alle concepten steeds met klaagster heeft
gedeeld en heeft gevraagd om de stukken te controleren en zo nodig vragen te stellen en hij
de concepten voorafgaand aan het passeren door klaagster expliciet heeft laten goedkeuren.
Er bestond in dit geval ook goede grond om aan te nemen dat klaagster, net als de andere
aandeelhouders, exact wist wat de rechtsgevolgen waren van de akte, aldus de kandidaat-notaris.



4.11.
De kamer volgt dit betoog niet.


4.11.1.
Juist in een situatie als deze, waarbij er onder tijdsdruk moet worden gehandeld, er
forse bedragen door klaagster worden geïnvesteerd ter voorkoming van een faillissement en
er ook nog eens meerdere en inhoudelijk gewijzigde conceptakten zijn gedeeld, is het van
belang dat de kandidaat-notaris zich ervan vergewist dat klaagster op de hoogte is van (de
gevolgen van) de inhoud van de uiteindelijk te passeren akte en daarmee instemt. In dat
kader is het niet voldoende dat de kandidaat-notaris klaagster na toezending van de
conceptstukken heeft uitgenodigd om daarop te reageren en vragen te stellen. Hoewel
klaagster een eigen verantwoordelijkheid heeft om vragen te stellen aan de kandidaat-notaris
- waarover hierna meer - brengt het enkele nalaten daarvan niet mee dat de kandidaat-notaris
op dit vlak ‘stil kan gaan zitten’. Dit geldt temeer nu de concepten later weer zijn
gewijzigd en ook niet gesteld of gebleken is dat de kandidaat-notaris aan klaagster heeft
gevraagd of zij de concepten heeft gelezen, begrepen en akkoord heeft bevonden.



4.11.2.
Ook de omstandigheid dat klaagster een professionele ondernemer is met zeer veel
ervaring in het doen van investeringen, ontslaat de kandidaat-notaris in dit geval niet van de
hiervoor genoemde verplichtingen. Daartoe is van belang dat de kandidaat-notaris alleen met
de bestuurder van HNL en andere aandeelhouders heeft gesproken over de bedoeling van de
reddingsoperatie en nooit aan klaagster zelf heeft gevraagd of en in hoeverre zij betrokken
was bij het maken van dc afspraken en/of in hoeverre zij op de hoogte was van de inhoud
daarvan. Dit brengt mee dat de kandidaat-notaris er niet zomaar vanuit mocht gaan dat
klaagster exact wist wat de rechtsgevolgen voor haar waren van de akte.



4.11.3.
De kamer is dan ook van oordeel dat het op de weg van de kandidaat-notaris had
gelegen om in ieder geval voorafgaand het uploaden van de definitieve versie van de akte
aan klaagster uit te leggen welke verplichtingen er voor haar uit de akte voortvloeien. Dit
heeft de kandidaat-notaris niet gedaan. Sterker nog, vaststaat dat de kandidaat-notaris
klaagster op geen enkel moment heeft gevraagd of zij op de hoogte is van de inhoud van de
akte en de financiële gevolgen daarvan voor klaagster. Weliswaar heeft de kandidaat-notaris
op 25 november 2022 een videogesprek met klaagster gevoerd maar dat klaagster daarbij is
gesproken, laat staan geïnformeerd over de inhoud van de akte en de daaruit voor klaagster
voortvloeiende verplichtingen is niet komen vast te staan. Dit videogesprek is kennelijk
(enkel) benut voor de identificatie van [holding] en het geven van uitleg over en
tekenen van de volmacht.




4.12.
De conclusie is dat de klacht gegrond wordt verklaard.


Geen maatregel




4.13.
De vraag is vervolgens of deze gegrondverklaring moet leiden tot oplegging van een
maatregel tegen de kandidaat-notaris. De kamer is van oordeel dat dit niet het geval is en
acht daartoe het volgende van belang.



4.14.
Vooropgesteld wordt dat hetgeen is vastgelegd in de definitieve akte niet
fundamenteel afwijkt van de (oorspronkelijke) afspraak zoals die tussen klaagster en HNL
Group is gemaakt. De kernverplichting van klaagster, namelijk het doen van een investering
in HNL Group ter hoogte van in totaal € 2.000.000,-, is immers hetzelfde gebleven. De crux
zit hem in het - voor klaagster wezenlijke - moment waarop het totale bedrag aan HNL
Group moet zijn betaald. Vaststaat dat de passage in de akte die daarover gaat uiteindelijk is
gewijzigd. Daargelaten dat de kandidaat-notaris klaagster zoals hiervoor is overwogen op
deze wijziging had moeten attenderen, is de in de akte opgenomen passage ten opzichte van
de eerdere conceptakte volgens de kandidaat-notaris juist gunstiger voor klaagster;
klaagster hoefde nu pas 1,5 miljoen vóór 1 januari 2023 te voldoen in plaats van € 500.000
op de transactiedatum en 1 miljoen vóór 1 januari 2023.



4.15.
Verder kent de kamer in dit kader gewicht toe aan het feit dat klaagster de
aangepaste akten niet heeft bekeken, laat staan gelezen. Klaagster heeft ook nimmer vragen
gesteld over inhoud van de akte en de gevolgen die daaruit voor haar voortvloeien, terwijl dit
bij het doen van een dergelijk forse investering wel voor de hand ligt. Klaagster is tijdens de
gehele reddingsoperatie blind afgegaan op de mededelingen en instructies van [naam1] en
heeft zich dat opzicht wel erg passief gedragen. Daar komt bij dat kandidaat-notaris ter
zitting heeft erkend dat hij beter iedere investeerder een afzonderlijke e-mail had kunnen
sturen waarin wordt uitgelegd wat de gevolgen van de akte zijn en hij het de volgende keer
anders zal aanpakken. De kamer ziet in de gegeven omstandigheden dan ook geen aanleiding
over te gaan tot oplegging van een maatregel.

(…)”


De beoordeling in hoger beroep




3.21.
Zoals de kamer voor het Notariaat terecht heeft overwogen, rust er op grond van artikel 43 Wna op de notaris een informatieplicht, wilscontroleplicht en (onder omstandigheden) waarschuwingsplicht. Dit betekent dat de notaris [holding] tijdig voor het ondertekenen van de akte de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van de akte kennis te nemen en dat de notaris haar de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven, maar ook dat de notaris [holding] zo nodig wijst op de gevolgen die voor [holding] uit de inhoud van de akte voortvloeien. Het hof volgt de tuchtrechter (dan) ook in zijn oordeel dat het op de weg van de notaris had gelegen om in ieder geval voorafgaand aan het uploaden van de definitieve versie van de akte aan [holding] uit te leggen welke verplichtingen er voor haar uit de akte voortvloeien, en dat de notaris dit heeft nagelaten. Sterker nog, vaststaat dat de notaris [holding] op geen enkel moment heeft gevraagd of zij op de hoogte is van de inhoud van de akte en de financiële gevolgen daarvan.



3.22.
Ook de rechtbank heeft aangenomen dat Trip op deze grond haar zorgplicht heeft geschonden, en tegen dat oordeel heeft Trip geen grief gericht. Wel leest Trip het oordeel van de rechtbank aldus, dat de zorgplichtschending alleen betrekking heeft op het moment waarop [holding] het bedrag van € 500.000 diende te voldoen. Ook het oordeel van de tuchtrechter leest Trip op die wijze, gelet op de overwegingen die ertoe hebben geleid om geen maatregel op te leggen. Echter ook als het oordeel van de rechtbank en dat van de tuchtrechter in die zin moeten worden begrepen, dan ontneemt dat het hof niet de vrijheid om van een ruimere zorgplichtschending uit te gaan, mits dat pas binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Anders dan Trip meent, hoefde [holding] daartoe geen incidenteel hoger beroep in te stellen tegen de zorgplichtschending zoals die door de rechtbank is aangenomen, aangezien de vordering van [holding] in het dictum volledig is toegewezen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof de aan de notaris gemaakte verwijten volledig zal beoordelen binnen de grenzen van de grondslag van de vordering.



3.23.
Het hof neem in navolging van de rechtbank (rov. 4.5 van het vonnis) aan dat [holding] in november 2022 ten behoeve van de reddingsoperatie van HNL een investeringsbereidheid van € 2.000.000 heeft uitgesproken, in die zin dat zij bereid was een bedrag van € 500.000 direct over te boeken en een bedrag van € 1.500.000 pas later, in 2023. Ook naar het oordeel van het hof heeft Trip onvoldoende gemotiveerd betwist dat [holding] , toen zij in november 2022 haar investeringsbereidheid uitsprak, ervan uitging dat een bedrag van € 1.500.000 pas in de loop van 2023 zou worden overgemaakt en dat de achtergrond hiervan was gelegen in haar kritische liquiditeitspositie. Verder moeten de stellingen van [holding] zo worden begrepen, en is dat ook op de mondelinge behandeling bevestigd, dat zij de ontwikkelingen wilde blijven volgen, met name hoe de reddingsoperatie zou verlopen, in hoeverre andere beoogde investeerders zouden meedoen, en afhankelijk daarvan per verzoek om aanvullende storting (tot in totaal maximaal twee miljoen euro) wilde bekijken of zij definitief bereid was een bijdrage te leveren. In lijn daarmee heeft [holding] verklaard zich er niet bewust van te zijn geweest dat zij direct in november/december 2022 al voor € 2.000.000 aan aandelen in HNL Group zou verkrijgen en daartoe voor 1 januari 2023 € 2.000.000 moest hebben voldaan. Hiertegenover heeft Trip onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de wil van [holding] er in november/december 2022 op was gericht een (onvoorwaardelijke) verbintenis op zich te nemen om uiterlijk 1 januari 2023 een bedrag van € 2.000.000 te voldoen ter directe verkrijging van 2000 aandelen.



3.24.
Met grief 1a betoogt Trip dat [holding] haar plannen heeft veranderd, en dat zij “kennelijk op verzoek van de medeaandeelhouders” en “hoewel klaarblijkelijk niet van harte” heeft ingestemd met een investering van € 500.000 door verrekening en daarnaast betaling van € 1.500.000 vóór 1 januari 2023. Trip leidt dat af uit de mail van 27 februari 2023 (zie 3.17), maar het hof leest in die mail geen, althans onvoldoende, steun voor die aanname. Ook zou dit volgens Trip blijken uit de aanpassingen van het betaalmoment in de opeenvolgende conceptaktes en de definitieve akte. Het hof gaat daar niet in mee. Uit het feit dat die betaalmomenten zijn opgeschoven in het voordeel van [holding] volgt niet zonder meer dat de wil van [holding] was veranderd, in die zin dat zij zich wilde verbinden tot het doen van betalingen tegen de in bedoelde aktes opgenomen momenten. Uit het relaas van Trip blijkt namelijk in het geheel niet langs welke weg die bepalingen in de opeenvolgende aktes terecht zijn gekomen en hoe en met wie de communicatie daarover is verlopen. Dat [holding] daarin gekend is, is dan ook niet gebleken. Zelf betwist zij dat ook. Verslaglegging hierover in het dossier van Trip ontbreekt. Desgevraagd kon de notaris daarover ter zitting ook niets verklaren. De aanname van Trip is daarom louter op suggestie gebaseerd. Dat al in de versie van 23 november 2022 een betalingsverplichting was opgenomen (grief 1b) maakt het voorgaande niet anders. Vaststaat immers dat ook ten aanzien van de versie van 23 november 2022 geen overleg is geweest tussen de notaris en [holding] , en uit niets blijkt dat de inhoud van die versie aansloot op de wil van [holding] of dat de notaris hiervan gerechtvaardigd mocht uitgaan.



3.25.
Met grief 1 c betoogt Trip dat zij goede gronden had te vertrouwen dat [holding] zich op de hoogte had gesteld of voldoende inzicht had in de gevolgen van de akte. Niet alleen is dit betoog strijdig met de erkenning in hoger beroep door Trip van de gemaakte beroepsfout door geen wilscontrole op de akte toe te passen, het mist ook een deugdelijke onderbouwing. Het bouwt voort op dezelfde suggestieve aannames die het hof hiervoor al heeft verworpen.



3.26.
Met de tweede en de derde grief betoogt Trip dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband rusten op [holding] en dat geen conditio sine qua non (csqn) verband tussen zorgplichtschending en schade is komen vast te staan. Het hof volgt Trip dat [holding] in beginsel het causaal verband dient te stellen en bij betwisting moet bewijzen. Dat volgt uit de hoofdregel van artikel 150 Rv. Partijen twisten over de vraag of de zogenoemde omkeringsregel hier toepassing moet vinden. Als dat zo zou zijn, dan zou het causaal verband voorshands worden aangenomen. Trip zou dan tegenbewijs mogen leveren, in die zin dat zij aannemelijk mag maken dat de schade ook zonder de aan haar verweten normschending zou zijn ontstaan. Toepassing van de omkeringsregel leidt dus niet tot een omkering van de bewijslast.. Of de omkeringsregel hier toepasbaar is kan echter verder in het midden blijven. Ook los daarvan, is het hof van oordeel dat het causaal verband voldoende door [holding] is onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd door Trip is betwist en daarmee vaststaat.



3.27.
Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat bij [holding] op zich een investeringsbereidheid bestond tot het doen van aanvullende kapitaalinjecties tot € 2.000.000, echter zonder dat gebleken is dat haar wil gericht was op het aangaan van een onvoorwaardelijke verbintenis tot het doen van die betalingen, laat staan vóór 1 januari 2023. Als de notaris de akte van 2 december 2022 met [holding] had doorgenomen en had geverifieerd of de inhoud daarvan overeenstemde met de wil van [holding] , dan was [holding] duidelijk geworden dat zij de rechtens afdwingbare verplichting aanging om voor 1 januari 2023 € 1.500.000,- te voldoen. Nu dat niet strookte met haar wil, is voldoende aannemelijk dat zij daarmee niet had ingestemd. Bij de betwisting van het causaal verband gaat Trip uit van drie - volgens haar - waarschijnlijke scenario’s.



3.28.
Het eerste scenario is dat [holding] , nadat de notaris haar de akte zou hebben uitgelegd, aan [naam1] om advies zou vragen en [holding] “op instructie van” [naam1] alsnog zou hebben ingestemd met het aangaan van de betalingsverplichting van € 1.500.000 voor 1 januari 2023 en dat daarvoor een oplossing zou worden gevonden, bijvoorbeeld doordat [holding] het benodigde bedrag zou gaan lenen van [naam1] of zijn vennootschappen. Dat dit aannemelijk is, volgt volgens Trip uit het feit dat [holding] omstreeks 27 december 2022 ook daadwerkelijk € 1.000.000 van vennootschappen van [naam1] heeft geleend toen bleek dat haar eerdere garantie aan de brandstofleverancier voor dit bedrag niet was geaccepteerd en dit bedrag toen is betaald aan HNL (zie rov. 3.15).



3.29.
Naar het oordeel van het hof is dit scenario onvoldoende aannemelijk. Dat [holding] vertrouwde op [naam1] wil nog niet zeggen dat zij met terzijdestelling van haar eigen wil alles zou doen wat [naam1] haar “instrueerde”. Een verklaring van [naam1] die het gestelde scenario zou ondersteunen is ook niet in het geding gebracht. De vergelijking met wat er op 27 december 2022 is gebeurd gaat mank, omdat in die situatie al een getekende akte voorlag waarin was vastgelegd dat [holding] had ingestemd met een verbintenis tot betaling (waarop echter dus geen wilscontrole was toegepast).



3.30.
Het tweede, door Trip aannemelijk geachte scenario houdt in dat, als de notaris wel de akte aan [holding] had uitgelegd, de akte in die zin zou zijn aangepast dat [holding] de resterende € 500.000 niet op 1 januari 2023 maar pas op 1 maart, 1 april of 1 mei 2023 zou voldoen en [holding] daarmee zou hebben ingestemd. Het hof kan dit niet volgen omdat ten tijde van het ondertekenen van de akte (2 december 2022) het niet ging om een resterende betalingsverplichting van € 500.000 maar van € 1.500.000. Los daarvan valt ook hier niet in te zien waarom [holding] alsnog zou instemmen met iets wat zij niet wilde.



3.31.
Het derde scenario houdt in dat [holding] gewoon zou hebben getekend en erop vertrouwd zou hebben dat er op 1 januari 2023 een ad hoc oplossing zou komen als [holding] het bedrag van € 500.000 op dat moment niet zou hebben overgemaakt. Dit scenario gaat wederom ten onrechte uit van een resterende betalingsverplichting van € 500.000 op 2 december 2022: uiterlijk 1 januari 2023 moest er nog € 1.500.000 betaald worden. Verder is het scenario puur speculatief en niet aannemelijk, uitgaande van de wil zoals die bij [holding] bestond.



3.32.
Bij al het voorgaande komt nog dat bij het doornemen van de akte zou zijn gebleken dat andere beoogde aandeelhouders van HNL Group (waaronder mevrouw [naam4] ) inmiddels waren afgehaakt, zoals [holding] ter zitting van het hof onweersproken heeft verklaard. Dit maakt nog minder aannemelijk dat [holding] na het doornemen en uitleggen van de akte alsnog zou hebben ingestemd met een betalingsverplichting van € 1.500.000 voor 1 januari 2023 of varianten daarop, nu zoals gezegd haar wil er mede op was gericht de ontwikkelingen te volgen, met name of andere beoogde investeerders ook zouden blijven meedoen.



3.33.
Met de vierde grief doet Trip een beroep op eigen schuld. Zij wijst erop dat [holding] de haar toegezonden concept aktes niet heeft gelezen, geen vragen heeft gesteld en blind heeft vertrouwd op [naam1] . Door als ervaren en professionele investeerder zo te handelen heeft [holding] in grote mate zelf bijgedragen aan het ontstaan van de schade.



3.34.
Het hof stelt voorop dat de zorgplicht van de notaris er nu juist toe strekt betrokkenen mede te beschermen tegen eigen onkunde of fouten. Als de notaris de moeite had genomen een gesprek met [holding] te voeren over de te ondertekenen akte, dan had hij gemerkt met wie hij te doen had: een investeerder die zich niet verdiept had in de toegezonden stukken en die min of meer blind achter [naam1] was aangelopen. Juist dan is alertheid geboden en reden aanwezig om goede voorlichting te geven over de inhoud van de akte en wilscontrole uit te oefenen. Dit uitgangspunt brengt mee dat fouten aan de kant van [holding] minder zwaar moeten meewegen. Dat laat onverlet dat in dit geval geen sprake is van een situatie waarin de betrokkene de hem toegezonden akte niet of verkeerd heeft begrepen. Als onweersproken gesteld staat immers vast dat [de investeerder] , een professionele investeerder, de hem toegezonden conceptaktes überhaupt niet of nauwelijks heeft gelezen en geen vragen heeft gesteld. Hij heeft dus blind een notariële akte getekend, terwijl hij als professionele investeerder toch minimaal het besef moet hebben gehad dat in die akte belangrijke kwesties geregeld werden. De aktes waren weliswaar opgesteld in de Engelse taal, die [de investeerder] naar zijn zeggen niet goed beheerst, maar uit niets blijkt dat hij daarvan melding heeft gemaakt bij de notaris of hulp heeft gezocht. [holding] participeert in deelnemingen in binnen- en buitenland (productie 2 conclusie van antwoord). Als zij het risico neemt om stukken die zijn opgesteld in een taal die zij niet (volledig) begrijpt blind te ondertekenen, dan kan zij de gevolgen daarvan niet een-op-een afwentelen op degene die die stukken heeft opgesteld, ook niet als dat een notaris is. Als [holding] de akte had bekeken dan had zij ook op zijn minst (ook zonder kennis van de Engelse taal) kunnen zien welke partijen er wel en niet participeerden, een omstandigheid die naar haar zeggen voor haar belangrijk was.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat met toepassing van artikel 6:101 BW 40 % van de schade voor rekening van [holding] moet blijven.


De conclusie




3.35.
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk, in die zin dat in plaats van € 240.000 een bedrag van € 144.000 (60 %) zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Trip is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Daarbij moet worden bedacht dat het zwaartepunt van het debat was gelegen in de vraag naar de aansprakelijkheid en de causaliteit, en op die punten heeft Trip ongelijk gekregen. Het hof zal Trip daarom in de proceskosten in hoger beroep veroordelen, waarbij voor het te liquideren salaris advocaat zal worden aangeknoopt bij het toewijsbaar gebleken bedrag (tariefgroep V). Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. De proceskostenveroordeling door de rechtbank was terecht, met dien verstande dat ook hier voor het te liquideren salaris advocaat door het hof alsnog zal worden aangeknoopt bij het toewijsbaar gebleken bedrag. Dat gaat dus (naar het tarief van destijds) om € 3.858 in plaats van € 5.428, dus € 1.570 minder. Dit betekent dat het door de rechtbank in totaal toegewezen bedrag van € 7.294,39 in onderdeel 5.2 zal worden verminderd tot € 5.724,39. Omwille van de overzichtelijkheid zal het hof het vonnis van de rechtbank geheel vernietigen. De restitutievordering van Trip is toewijsbaar voor zover Trip uit hoofde van het vonnis meer heeft betaald aan [holding] dan zij op grond van dit arrest verschuldigd was.



3.36.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).







4De beslissing

Het hof:


4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 8 januari 2025 en doet opnieuw recht:
veroordeelt Trip om aan [holding] te betalen een bedrag van € 144.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag waarop [holding] het bedrag van € 240.000 aan de curator van de HNL Groep heeft betaald tot de dag van betaling



4.2.
veroordeelt Trip tot betaling van de volgende proceskosten van [holding] :

in eerste aanleg:
€ 5.724,30 aan proceskosten, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als
Trip niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

in hoger beroep:
€ 6.803,- aan griffierecht
€ 4.102,- aan salaris van de advocaat van [holding] (2 procespunten x het toepasselijke tarief V);



4.3.
veroordeelt [holding] tot terugbetaling van hetgeen Trip uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 8 januari 2025 aan haar heeft voldaan, voor zover dit meer was dan hetgeen zij met in achtneming van dit arrest aan [holding] verschuldigd was, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling door [holding] .



4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, M.H.F. van Vugt en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.









Wet op het notarisambt


Vergelijk recent de AG in ECLI:NL:PHR:2025:1087, onderdeel 4.6


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak