|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:3928 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.354.772/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Prorogatie. Zijn in een situatie van agrarische erfpacht ook de regels over een eventuele verdeling van de aan een veehouder toegekende fosfaatrechten van overeenkomstige toepassing, zoals geformuleerd in de arresten ASR/Qualm die over pacht gaan? In beginsel niet, tenzij de voorwaarden voor de erfpacht aansluiten bij de dwingendrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op pachtovereenkomsten. Erfverpachter mag dit nader onderbouwen en erfpachter mag nog nader onderbouwen dat daar geen sprake van is omdat destijds een ‘insteek’ zou zijn betaald om de erfpacht te verkrijgen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | grondkamer | | | melkveehouderij | | | meststoffenwet | | | pachtkamer | | | pachtrecht | | | rundvee | | | subsidies | | | veestapel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.354.772/01
arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [woonplaats] ,
hierna: [appellant],
advocaten: mrs. N.S. Commijs en M.J.G. Peters te Zwolle,
tegen
De Staat der Nederlanden (Rijksvastgoedbedrijf),
die zetelt in 's-Gravenhage,
hierna: de Staat,
advocaat: mr. F. Sepmeijer te ’s-Gravenhage.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de door [appellant] ingediende akte van prorogatie, waarop de Staat vrijwillig is verschenen,
- de ongedateerde dagvaarding, met producties,
- de memorie inhoudende conclusie van antwoord van 29 juli 2025, met producties.
Vervolgens heeft op 11 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
[appellant] bestrijdt dat zij als (voormalig) erfpachter van de Staat gehouden is een deel van de waarde van de haar toegekende fosfaatrechten aan de Staat af te dragen. Zij vordert daartoe verklaringen voor recht en een veroordeling van de Staat tot terugbetaling van wat zij eerder onder protest aan de Staat heeft betaald. De Staat stelt dat hij wel een recht op waardevergoeding heeft. Dat geschil zal hierna worden beoordeeld. Eerst zullen de relevante feiten en de vordering van [appellant] worden beschreven.
3De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
In 1983 heeft de Staat aan de vader van [appellant] een oppervlakte cultuurgrond gelegen aan het [adres] te [woonplaats] ter grootte van 39.28.51 ha in erfpacht uitgegeven voor de duur van 40 jaar, ingaande 1 november 1981. Deze grond is door de Staat in cultuur gebracht en ingezaaid opgeleverd.
3.2
In de erfpachtakte is opgenomen dat de grond is bestemd voor de uitoefening van een weidebedrijf en dat op die uitgifte van toepassing zijn de “Algemene voorwaarden voor de uitgifte in erfpacht voor veertig jaren van cultuurgrond” van 30 maart 1972. In die Algemene Voorwaarden is in artikel 1 lid 2 voor de omvang van de canon aangesloten bij wat bij verpachting van de grond als pachtprijs zou kunnen worden bedongen, waarbij artikel 1 lid 3 bepaalt dat de canon telkens na zes jaren wordt herzien.
3.3
In 1998 is een deel van de in erfpacht uitgegeven cultuurgrond met een grootte van 19.20.09 ha inclusief het erf – onder meer omvattende de ondergrond van de door de vader van [appellant] daarop opgerichte hoeve en andere opstallen – in eigendom overgedragen aan de vader van [appellant] , zodat in zoverre het erfpachtrecht teniet is gegaan.
3.4
In 2000 heeft de vader van [appellant] zijn melkveebedrijf inclusief circa 24 ha eigendomsgrond en het erfpachtrecht (betreffende de percelen nu kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] , [nummer1] , groot 19.11.74 ha, en [nummer2] , groot 00.06.85 ha) overgedragen aan [appellant] .
3.5
[appellant] heeft het melkveebedrijf inclusief de erfpachtgrond geëxploiteerd samen met haar echtgenoot in de maatschap [naam1] .
3.6
Aan de maatschap [naam1] is in 2018 een hoeveelheid van 7.735 kilogram fosfaatrechten toegekend.
3.7
De duur van het in 1983 uitgegeven erfpachtrecht is op 31 oktober 2021 verstreken. [appellant] heeft het gebruik van de grond na 31 oktober 2021 onafgebroken voortgezet.
3.8
Bij akte van 12 april 2023 is de in rov. 3.4 bedoelde erfpachtgrond per 1 november 2021 opnieuw aan [appellant] in erfpacht uitgegeven voor de duur van 40 jaar. [appellant] heeft voor deze heruitgifte geen vergoeding (‘insteek’) betaald. Dit erfpachtrecht loopt af op 31 oktober 2061. In de erfpachtakte is de jaarlijkse canon bepaald op € 31.608,77, waarbij tevens is bepaald dat de canon jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van 125% van de jaarlijks aangepaste regionorm volgens het Pachtprijzenbesluit 2007.
3.9
In deze erfpachtakte is verder in artikel 10 opgenomen dat en waarom de Staat aanspraak maakt op (de marktwaarde van) een deel van de aan [appellant] toegekende fosfaatrechten (in dit geval 846 kilogram in geval van overdracht, dan wel de vergoeding van de waarde van 676 kilogram), waarbij in lid 2 onder d. van dat artikel is opgenomen dat [appellant] gehouden is tot overdracht van fosfaatrechten per 31 oktober 2021, het einde van de (eerste) “erfpachtovereenkomst”. In lid 3 van dat artikel is onder meer opgenomen dat de vergoeding van de marktwaarde van die fosfaatrechten is uitgesteld tot na het einde van de “erfpachtovereenkomst” per 31 oktober 2061 dan wel tot een eerder moment in het geval van een aantal andere beschreven situaties, waaronder vervreemding van het erfpachtrecht (de zogenaamde doorschuiffaciliteit).
3.10
In de erfpachtakte van 21 april 2023 is verder opgenomen dat [appellant] niet instemt met de aanspraak van de Staat en dat partijen onder de daar beschreven voorwaarden de mogelijkheid hebben de rechter te vragen een uitspraak te doen over de rechtmatigheid en de omvang van de aanspraak van de Staat.
3.11
In 2024 heeft maatschap [naam1] besloten de exploitatie van hun melkveebedrijf te beëindigen en gebruik te maken van de zogeheten LVB-plus-regeling. Eén van de voorwaarden voor deelname aan die regeling is dat de deelnemer 95% van de fosfaatrechten inlevert, waarvoor de RVO aan de maatschap [naam1] een compensatie heeft betaald. De overige 5% fosfaatrechten heeft de maatschap [naam1] aan derden verkocht.
3.12
De Staat heeft per brief van 25 september 2024 onder meer meegedeeld af te zien van zijn recht van eerste koop van de in erfpacht uitgegeven grond en toestemming verleend voor verkoop van het erfpachtrecht aan een derde. De Staat heeft daarbij aanspraak gemaakt op afrekening van de fosfaatrechten, zijnde 676 kilogram netto tegen € 56,50 per kilogram fosfaatrecht, totaal € 38.194 exclusief btw.
3.13
[appellant] heeft in verband met de levering van een deel van de eigendomsgrond en het erfpachtrecht aan een derde op 13 januari 2025 via de notaris onder protest € 46.214,74 inclusief btw aan de Staat betaald.
4De vordering
[appellant] vordert dat:
voor recht wordt verklaard dat de Staat jegens [appellant] geen aanspraak kan maken op een deel van de fosfaatrechten dan wel op vergoeding van de marktwaarde van 676 kilogram fosfaatrechten op het tijdstip en onder de voorwaarden zoals omschreven in artikel 10 van de erfpachtakte van 12 april 2023 en dat [appellant] de vergoeding ten onrechte aan de Staat heeft betaald;
de Staat wordt veroordeeld aan [appellant] € 38.194, te vermeerderen met btw, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2025;
de Staat wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente na vijftien dagen na het arrest.
5Het oordeel van het hof
De grondslag voor de vordering van de Staat
5.1
De Staat heeft voor zijn aanspraak op [appellant] aangevoerd dat, evenals de verhouding tussen een pachter en een verpachter op grond van artikel 6:248 lid 1 BW, ook de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid en wel op grond van artikel 6:216 BW. Volgens de Staat is het verschil tussen erfpacht en pacht niet zodanig dat de regels die in de arresten ASR/Qualm voor pacht zijn geformuleerd zich niet voor overeenkomstige toepassing zouden lenen. Omdat bij het verstrijken van de duur van het erfpachtcontract per 31 oktober 2021 (per analogie) was voldaan aan de voorwaarden zoals geformuleerd in de arresten ASR/Qualm, was [appellant] gehouden een deel van de aan haar toegekende fosfaatrechten aan de Staat als erfverpachter over te dragen, althans een deel van de waarde daarvan aan hem te vergoeden.
5.2
Het hof stelt vast dat in de tussen partijen in 1983 gesloten overeenkomst van erfpacht niets is geregeld over de vraag aan wie eventuele aan de erfpachter toegekende productierechten toekomen en zo ook niet aan wie de per 1 januari 2018 toegekende fosfaatrechten toekomen. De overeenkomst tot heruitgifte van 12 april 2023 kan evenmin worden aangemerkt als een tussen partijen bindende afspraak over het alsnog toekomen van fosfaatrechten aan de Staat. [appellant] is daarmee immers, zo is in de overeenkomst vermeld, uitdrukkelijk niet akkoord gegaan (zie rov. 3.10).
5.3
Daarmee ligt ter beantwoording voor de vraag of de Staat in lijn met de arresten ASR/Qualm op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op een deel van de aan [appellant] toegekende fosfaatrechten dan wel een vergoeding van de waarde van een deel daarvan.
Fosfaatrechten en pachtovereenkomsten
5.4
Op basis van de Meststoffenwet zijn de fosfaatrechten toegekend aan de houder van het in die wet bedoelde rundvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig was. Voor de situatie dat de veehouder daarbij op 2 juli 2015 gronden in gebruik had die van een ander waren, is niets in die wet geregeld. De Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelingen houden daarmee geen verplichting in tot overdracht van fosfaatrechten of tot waarde-vergoeding bij het eindigen van (het recht op) het gebruik van die gronden van een ander.
5.5
Als uitzondering op de hoofdregel dat de fosfaatrechten aan de houder van het rundvee toekomen, heeft (de pachtkamer van) het hof in genoemde arresten overwogen dat als partijen in een pachtovereenkomst niets (anders) zijn overeengekomen, de pachter alleen dan verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- tussen verpachter en pachter bestond op de referentiedatum van 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan 12 jaar of langer duurt;
- het betreft hoevepacht of pacht van minimaal 15 ha grond of pacht van een gebouw; het gebouw moet specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn en door de verpachter ten behoeve van het bedrijf van de pachter aan de pachter ter beschikking zijn gesteld.
5.6
De juridische grondslag voor voormeld oordeel is gevonden in de aard van de pachtovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). De rechtvaardiging daarvoor bestaat uit drie samenhangende redenen. De verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. De grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert.
Relevante verschillen tussen pacht en erfpacht
5.7
Wat betreft de aard van de pachtovereenkomst kan het volgende worden vastgesteld. Een pachtverhouding is in hoge mate dwingendrechtelijk gereguleerd in die zin dat van een groot deel van de bepalingen in titel 7.5 BW niet ten nadele van de pachter mag worden afgeweken. Die pachtersbescherming komt in het bijzonder ook tot uiting in de grondkamertoets en de pachtprijsregulering, waaronder een verbod op het betalen van “insteek”. Ook een afspraak tussen verpachter en pachter dat eventuele productierechten aan de verpachter toekomen, is toetsbaar op een eventueel buitensporig karakter; daaraan kan de grondkamer zo nodig haar goedkeuring onthouden. De vrijheid van de contracterende pachtpartijen is daarmee in aanmerkelijke mate beperkt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gereguleerde pachtprijzen over het algemeen (relevant) lager liggen dan de prijzen in het vrije economische verkeer die voor gebruik van agrarische grond gevraagd kunnen worden. De pachtwetgeving is in zoverre een wettelijke correctie op het verschil in economische positie tussen de pachter en de verpachter, waarbij de verpachter zich beperkingen moet laten welgevallen.
5.8
Dat is anders bij erfpacht. Vooropgesteld dat een rechtsverhouding van erfpacht, net als een rechtsverhouding van pacht, mede wordt beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid wordt die rechtsverhouding hoofdzakelijk bepaald door de akte van vestiging (met eventuele erfpachtvoorwaarden waarnaar in de akte wordt verwezen) en slechts in beperkte mate door de wettelijke regeling van titel 5.7 BW. Partijen hebben in een erfpachtverhouding veel mogelijkheden om hun onderlinge verhouding zelf vorm te geven, wat in een pachtverhouding slechts in beperkte mate het geval is. Partijen kunnen de goede en de slechte kansen van alle door hen relevant geachte aspecten van hun verhouding en alle mogelijke ontwikkelingen daarin in hun overeenkomst vastleggen. Ook over productierechten kunnen partijen vrijelijk afspraken maken. De omvang van de (periodieke) vergoeding voor de erfpacht (de canon) is evenmin gereguleerd; dat is aan partijen ter vrije onderhandeling.
5.9
Deze flexibiliteit in voorwaarden maakt dat bij een recht van erfpacht er niet zonder meer van uitgegaan kan worden dat de drie samenhangende redenen (zie rov. 5.6) die de grondslag vormen voor de regels van ASR/Qualm op overeenkomstige wijze van toepassing zijn. Er zijn bijvoorbeeld vormen van agrarische erfpacht die meer het karakter van een financieringsarrangement hebben dan van het verschaffen van gebruik van agrarische grond tegen (periodieke) betaling.
5.10
De rol van de bedongen vergoedingen
5.11
In algemene zin spelen de tussen partijen bedongen vergoedingen een rol bij de beantwoording van de vraag welke goede en kwade kansen voor wiens rekening komen en of het redelijk en billijk is om ontwikkelingen, zoals de toekenning ‘om niet’ van fosfaatrechten aan een rundveehouder met een potentieel nadelig effect op de waarde van de in erfpacht uitgegeven grond na beëindiging van die rechtsverhouding, voor rekening van een erfverpachter te laten. Als de vergoeding vrij bepaald is, kan voor een langdurig recht als erfpacht worden aangenomen dat bij de bepaling daarvan de goede en kwade kansen van toekomstige ontwikkelingen een rol gespeeld hebben, zelfs als deze ontwikkelingen niet specifiek door partijen onder ogen zijn gezien. Naarmate een vergoeding (canon) hoger is en/of een ‘insteek’ is overeengekomen, zal er naar redelijkheid en billijkheid ook minder reden zijn om een erfverpachter een gedeelte van de fosfaatrechten te doen toekomen, ook als hij negatieve effecten van de invoering daarvan ondervindt, omdat bij een dergelijke afweging naar redelijkheid en billijkheid ook de omvang van het genoten voordeel een rol speelt.
5.12
In de arresten ASR/Qualm is een regel van aanvullend recht geformuleerd voor pachtovereenkomsten voor een duur van ten minste twaalf jaar. Bij dergelijke overeenkomsten is er sprake van toetsing aan de hoogst toelaatbare pachtprijs van het Pachtprijzenbesluit 2007. De pachtkamer van het hof heeft deze prijsregulering niet benoemd als een van de relevante factoren voor de aanspraak op fosfaatrechten van de verpachter. Dat neemt niet weg dat de pachtkamer in de ASR/Qualm-arresten alleen een algemene regel van aanvullend recht heeft aangenomen voor langdurige pachtovereenkomsten die zowel naar inhoud als prijs gereguleerd zijn en, zoals overwogen, voor de verpachter beperkingen inhouden. Onder dergelijke omstandigheden volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – geparafraseerd – dat als een pachter in verband met langdurig gepachte grond een van buiten komend voordeel in de vorm van een productierecht ‘om niet’ verkrijgt, de verpachter daarvan mede profiteert.
De ASR/Qualm-arresten gelden niet voor erfpacht, tenzij de voorwaarden materieel gelijk zijn aan pachtovereenkomsten waarop ASR/Qualm ziet
5.13
Het hof oordeelt in het licht van het voorgaande dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de erfpachtverhouding mede beheersen, in het algemeen niet meebrengen dat een erfpachter gehouden is tot overdracht (van een deel) van ‘om niet’ verkregen fosfaatrechten dan wel tot een waardevergoeding (van een deel daarvan). Er is onvoldoende reden om de in de arresten ASR/Qualm geformuleerde regels van overeenkomstige toepassing te laten zijn op de rechtsverhouding van erfpacht in het algemeen.
5.14
Het hof ziet wel gronden om, behoudens ingeval van bijzondere omstandigheden, voor erfpachtverhoudingen toepassing te geven aan de in de ASR/Qualm-arresten geformuleerde regels wanneer de voorwaarden die van toepassing zijn op een agrarisch erfpachtrecht aansluiten bij de dwingendrechtelijke bepalingen van het pachtrecht die van toepassing zijn op reguliere pachtovereenkomsten of geliberaliseerde pachtovereenkomsten die bij het aangaan 12 jaar of langer duren, waaronder de bepalingen omtrent de hoogst toelaatbare pachtprijs. Bij dergelijke erfpachtrechten zijn de voorwaarden zodanig dat op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid de regel van aanvullend recht van de arresten ASR/Qualm moet gelden. Op wat onder ‘aansluiten’ wordt verstaan, wordt hierna ingegaan.
5.15
In ieder geval gelden de in de ASR/Qualm-arresten geformuleerde regels voor pachtverhoudingen voor erfpachtrechten die op 2 juli 2015 worden bestreken door artikel 7:399d BW. Als een overeenkomst van erfpacht voor een hoeve of los land wordt gesloten voor 25 jaren of korter, zijn daarop de dwingendrechtelijke bepalingen van het pachtrecht van overeenkomstige toepassing. Hetzelfde geldt voor een overeenkomst van erfpacht voor onbepaalde tijd voor een hoeve of los land, zij het niet langer dan voor de eerste 25 jaren na vestiging. De achtergrond daarvan is dat het uitwijken van pacht naar erfpacht om aan de dwingendrechtelijke bescherming van de pachter te ontkomen, moet worden voorkomen. In een en ander ligt voldoende reden om uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid de in meergenoemde arresten geformuleerde regels over de verdeling van fosfaatrechten in zo’n geval wel van overeenkomstige toepassing te achten.
5.16
Datzelfde geldt voor erfpachtrechten voor hoeven of los land die op 2 juli 2015 weliswaar voor een langere duur waren aangegaan dan 25 jaar maar waarvan de voorwaarden aansluiten bij de dwingendrechtelijke bepalingen van het pachtrecht die van toepassing zijn op reguliere pachtovereenkomsten en geliberaliseerde pachtovereenkomsten die bij het aangaan tenminste 12 jaar of langer duren. Dat ‘aansluiten bij’ ziet in ieder geval op de hoogte en vorm van de bedongen canon in die zin dat is aangesloten bij het wettelijk pachtprijssysteem. De afgesproken canon kan daarbij niet los gezien worden van de andere toepasselijke bedingen, ook omdat die bij een pachtovereenkomst als buitensporig afgetoetst kunnen worden of een rol kunnen spelen bij de bepaling van de hoogst toelaatbare pachtprijs. Bij erfpachtrechten die op 2 juli 2015 waren gevestigd voor langer dan 25 jaar ligt het daarom op de weg van de erfverpachter om te stellen en zo nodig te bewijzen, dat de afgesproken canon en overige bedingen niet materieel gunstiger zijn voor de erfverpachter dan bij een reguliere of geliberaliseerde pachtovereenkomst van langer dan 12 jaar.
Toepassing in de rechtsverhouding tussen De Staat en [appellant]
5.17
Op het recht van erfpacht dat de Staat in 1983 ten behoeve van [appellant] heeft gevestigd zijn de Algemene Voorwaarden van 30 maart 1972 van toepassing. Daarin lijkt voor de canon en zakelijke lasten aangesloten te zijn bij de pachtprijzensystematiek die geldt voor reguliere pachtovereenkomsten of geliberaliseerde pachtovereenkomsten van langer dan 12 jaar. Op deze erfpachtverhouding zouden de regels van aanvullend recht van de arresten ASR/Qualm dus van toepassing kunnen zijn. De Staat heeft geen rekening kunnen houden met wat het hof hierboven heeft uiteengezet. Het hof zal de Staat daarom in de gelegenheid stellen om in een akte nader te stellen en te onderbouwen dat de afgesproken canon en overige bedingen van het op 2 juli 2015 geldende erfpachtrecht niet materieel gunstiger waren voor hem als erfverpachter dan bij een reguliere of geliberaliseerde pachtovereenkomst van langer dan 12 jaar.
5.18
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep betoogd dat er ten behoeve van het (eerste) erfpachtrecht wel een ‘insteek’ is betaald voor de erfpacht, omdat voor het land dat de vader van [appellant] elders moest laten liggen een kunstmatig lage prijs gekregen zou zijn, in ruil voor het verkrijgen van de erfpacht. Volgens de Staat is daarvan geen sprake geweest. Omdat de feiten waaruit kan volgen dat van een ‘insteek’ sprake is geweest in het domein van [appellant] liggen, mag van haar worden verwacht dat zij haar verweer nader motiveert en zo veel mogelijk met stukken onderbouwt. In zoverre rust op haar een verzwaarde stelplicht ten aanzien van haar verweer. Het hof zal [appellant] dan ook in de gelegenheid stellen daartoe een akte te nemen en stukken over te leggen.
5.19
Partijen mogen daarna op de akte van de andere partij reageren.
Is een eventuele aanspraak van De Staat opeisbaar in verband met de overdracht van het erfpachtrecht door [appellant] ?
5.20
[appellant] beroept zich erop dat zij het erfpachtrecht dat in 2023 is gevestigd ter voortzetting van het erfpachtrecht dat op 2 juli 2015 gold, heeft overgedragen aan een derde. Er is volgens haar dus geen sprake van oplevering van de erfpachtzaak en het erfpachtrecht is ook niet geëindigd. Het hof begrijpt dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat de rechtsverhouding naar aanleiding waarvan over de fosfaatrechten zou moeten worden afgerekend, daarmee niet is geëindigd.
5.21
Het hof gaat daarin niet mee. Bij akte van 12 april 2023 is de erfpachtverhouding van partijen per 1 november 2021 voortgezet. Partijen hebben in die akte in artikel 10 lid 4 vastgelegd dat bij overdracht van de erfpachtzaak de Staat de bevoegdheid heeft om haar aanspraak op vergoeding voor de fosfaatrechten uit te oefenen. [appellant] heeft weliswaar betwist dat de Staat een dergelijke aanspraak heeft en in artikel 10 is afgesproken dat [appellant] zich tot de rechter kon wenden om die aanspraak aan te vechten, maar [appellant] heeft niet gesteld dat zij niet akkoord is gegaan met een afrekenmoment bij overdracht, als wordt vastgesteld dat de Staat aanspraak op (een vergoeding voor) de fosfaatrechten heeft. Aan dit verweer met betrekking tot de opeisbaarheid gaat het hof dan ook voorbij.
Afrondend
5.22
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen zodat de Staat een akte kan nemen als bedoeld in rov. 5.16 en [appellant] een akte als bedoeld in rov. 5.17. Partijen mogen daarna op de akte van de andere partij reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6De beslissing
Het hof:
6.1
verwijst de zaak naar de rol van 14 juli 2026 opdat de Staat een akte kan nemen als bedoeld in rov. 5.16 en [appellant] een akte als bedoeld in rov. 5.17, waarna partijen op elkaars akte mogen reageren bij antwoordakte;
6.2
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, M.S.A. van Dam en B.J.H. Hofstee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
16 juni 2026.
Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312934, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting), Stcrt. 2023, 16732 en Stcrt. 2024, 12047.
Arresten van de pachtkamer van dit hof van 26 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2544 (tussenarrest)) en 24 september 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:7664 (eindarrest)). Zie ook: HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1756.
Zie overwegingen 3.4 tot en met 3.6 van meergenoemd arrest.
Zie overweging 3.14 van genoemd arrest van 26 maart 2019.
Zie artikel 7:399 BW.
Zie de artikelen 7:318 e.v. BW.
Zie de artikelen 7:327 e.v. BW.
Zie artikel 7:319, lid 1, aanhef en sub b. BW.
Vgl. o.m. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1578 (overweging 3.1.7).
Zie artikel 5:85 lid 2 BW.
Vgl. de transactie beschreven in Hoge Raad 10 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1866 (Fagoed). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|