|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:4499 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 25/11 en 25/12 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB/PVV. Verkoop onroerende zaak aan gelieerde partijen. Winstuitdeling? | | Trefwoorden | : | aanmerkelijk belang | | | belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang | | | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | bestemmingsplan | | | bevoordelingsbedoeling | | | bodemonderzoek | | | box 2 | | | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | landbouwgrond | | | overdrachtsbelasting | | | perceel | | | taxatie | | | vennootschapsbelasting | | | verliesverrekening | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/11 en 25/12
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbenden] te [woonplaats 1] (hierna: belanghebbenden)
en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 november 2024, nummers ARN 23/2124, 23/2125 en 23/2126, ECLI:NL:RBGEL:2024:8158, in het geding tussen belanghebbenden en de Inspecteur
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan [naam1] (hierna: erflater) is met dagtekening 13 november 2021 over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349. Bij beschikkingen is € 12.155 belastingrente berekend en is een vergrijpboete van € 49.972 opgelegd.
1.2.
Aan belanghebbenden is met dagtekening 18 december 2021 over het jaar 2016 een eerste navorderingsaanslag (H.67.01) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.099 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is € 7.864 belastingrente berekend.
1.3.
Aan belanghebbenden is met dagtekening 18 december 2021 over het jaar 2016 een tweede navorderingsaanslag (H.67.02) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is € 8.660 belastingrente berekend.
1.4.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 december 2022 de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 2016 en 2017 ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen tegen de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 ongegrond verklaard en het beroep tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2017 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot het jaar 2017 vernietigd en de navorderingsaanslag over het jaar 2017 en bijbehorende beschikking belastingrente vernietigd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.500 en een proceskostenvergoeding van in totaal € 3.216,75. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden moet vergoeden.
1.6.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.7.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken overgelegd.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen mr. H.T.G. de Jong, als de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] . Met instemming van partijen zijn de zaken gezamenlijk behandeld met de zaak met het zaaknummer BK-ARN 24/2037. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
[onderneming1] . (hierna: [onderneming1] ) is opgericht op 4 oktober 2006. Sinds haar oprichting was erflater houder van 50% van de aandelen in [onderneming1] . De andere 50% van de aandelen in [onderneming1] werden sinds de oprichting gehouden door [onderneming2]
2.2.
De aandelen [onderneming2] werden alle gehouden door [onderneming3] Alle aandelen in [onderneming3] werden gehouden door [naam5] (hierna: [naam5] ). Erflater en [naam5] waren de bestuurders van [onderneming1] .
2.3.
[onderneming1] heeft in 2006 een onroerende zaak aan de [adres1] in [woonplaats 2] gekocht en geleverd gekregen. De onroerende zaak betreft een voormalige slipbaan van een politieschool (hierna: de slipbaan).
2.4.
In een brief van 6 oktober 2008 schrijft [naam6] aan [naam5] belangstelling te hebben om de slipbaan over te nemen. In deze brief staat verder, onder andere, het volgende vermeld:
“Gezien de huidige Situatie kan m.i. een centrum daar ter plaatse alleen interessant bedreven worden als de belastingen uit de investering binnen de lijnen blijven zoals we die ook in D gerealiseerd hebben.
Daar is principieel de "groene" prijs met een minimale opslag betaald, resulterend in bedragen van € 7,00 tot € 10,00/mtr2.
Voor de 7 Hectare in [woonplaats 2] zou dat een maximaal bedrag van -> € 700.000,00 betekenen.
Gaan we er van uit dat er bruikbare inrichtingen aanwezig zijn en de loop door de officiële instanties niet meer gemaakt hoeft te worden, kan een "opslag" bij dit bedrag opgeteld worden.
Echter de aanwezige verontreiniging laat een aantal vraagtekens open.
Bij mijn recherches ben ik op verschillende interpretaties gestoten. Waarbij een moderate Topwaarde een kostenfactor van € 770.000,00 aangeeft. De meest optimistische gaat uit van een bedrag rond de € 200.000,00
Vergelijken we deze getallen met elkaar lijkt een simpele rekensom een waardeindicatie te geven.
Willen we echter een bespreekbare indicatie voor een mogelijke verdere discussie op tafel leggen schat ik een overname van de unit in [woonplaats 2] voor een bedrag van € 700.000,00 met een kleine marge naar boven mogelijk als een basis voor een succesvolle exploitatie in de toekomst na een grondige revisiebeurt van de gehele installatie/voorzieningen met de daarmede gepaard gaande kosten.”
2.5.
Op 1 maart 2016 zijn erflater als commanditair vennoot en [onderneming4] als beherend vennoot een commanditaire vennootschap onder de naam [onderneming5] (hierna: de CV) aangegaan. Erflater was tot 28 december 2016 middellijk bestuurder en aandeelhouder van [onderneming4] Sinds die datum was hij onmiddellijk aandeelhouder van [onderneming4]
2.6.
Tot het dossier behoort een ‘VOLMACHT AANKOOP’ getekend op 7 april 2016 door erflater, waarin erflater als middellijk bestuurder van [onderneming4] (hierna: [onderneming4] ), in haar hoedanigheid als beherend vennoot van de CV, aan een notariskantoor de volmacht geeft om namens de CV de onverdeelde helft van de slipbaan aan te kopen en in eigendom aan te nemen.
2.7.
Tot het dossier behoort een conceptakte van levering met datum 14 april 2016 ter zake van de levering van de slipbaan door [onderneming1] aan [onderneming3] en de CV, ieder voor de onverdeelde helft. In deze conceptakte staat voor zover hier relevant:
“A. DOEL VAN DEZE AKTE
Het doel van deze akte is koper het hierna omschreven registergoed te leveren en daarmee uitvoering te geven aan de tussen verkoper en koper gesloten koopovereenkomst.
B. KOOPOVEREENKOMST
Bij de koopovereenkomst heeft verkoper het hierna omschreven registergoed verkocht aan koper.
Die overeenkomst is mondeling tot stand gekomen en wordt door partijen in deze akte bevestigd.
In deze akte werken partijen de gevolgen van de koopovereenkomst nader uit en brengen haar ten uitvoer.
De bepalingen van de koopovereenkomst blijven daarbij van kracht voor zover daarvan in deze akte niet wordt afgeweken.
(…)
E. KOOPPRIJS
De koopprijs bedraagt VIJF EN VEERTIG DUIZEND EURO (€ 45.000,00).
De koopprijs is gebaseerd op een getaxeerde waarde van de grond van zeven honderd veertien duizend euro (€ 714.000,00) verminderd met de verwachte saneringskosten die volgens aangehecht taxatierapport zijn begroot op een bedrag van zes honderd vijftig duizend euro (€ 650.000,00) alsmede verminderd met de geraamde kosten voor het verwijderen van de zich thans op het gekochte bevindende asfaltering, groot twintig duizend euro (€ 20.000,00).
(…)
FISCALE VERKLARING
Namens koper wordt opgave gedaan van het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting dat koper moet betalen, groot tien duizend vijf honderd euro (€ 10.500,00).
Dit bedrag is vastgesteld naar het tarief van zes procent (6%).
Met dit tarief is de overdrachtsbelasting berekend die verschuldigd is over de onderhandse verkoopwaarde van het gekochte, welke waarde is vastgesteld op een bedrag groot een honderd vijf en zeventig duizend euro (€ 175.000,00), blijkens een aan deze akte te hechten taxatierapport de dato negen december tweeduizend zes, welke taxatie is uitgevoerd door [makelaar1] te [vestingsplaats] .”
2.8.
Tot het dossier behoort een (tweede) conceptakte van levering met datum 20 mei 2016 ter zake van de levering van de slipbaan door [onderneming1] aan [onderneming3] en de CV. Deze conceptakte wijkt wat betreft de ‘fiscale verklaring’ af van de in 2.7. genoemde conceptakte van 14 april 2016. De overige hiervoor in 2.7. geciteerde onderdelen van de conceptakte van 14 april 2016 zijn gelijkluidend. De ‘fiscale verklaring’ in de concept akte van 20 mei 2016 luidt:
“FISCALE VERKLARING
Namens koper wordt opgave gedaan van het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting dat koper moet betalen, groot twee duizend zeven honderd euro (€ 2.700,00).
Dit bedrag is vastgesteld naar het tarief van zes procent (6%).
Met dit tarief is de overdrachtsbelasting berekend die verschuldigd is over de hiervoor
vermelde koopprijs.”
2.9.
[onderneming1] heeft op 5 april 2017 de eigendom van de slipbaan geleverd aan [onderneming3] en de CV. De (definitieve) akte van levering is voor wat betreft de hiervoor in 2.7. en 2.8. geciteerde onderdelen gelijkluidend aan de concept leveringsakte van 20 mei 2016.
2.10.
Erflater en [naam5] hebben in 2016 [makelaar2] (hierna: het makelaarskantoor) verzocht te bemiddelen en te adviseren inzake de verkoop van de slipbaan. In een email van het makelaarskantoor aan erflater en [naam5] van 10 februari 2017 is daarover onder meer het volgende geschreven:
“Met referte aan het telefonisch onderhoud dat [naam5] op donderdag 01 december jongstleden met ondergetekende heeft gehad, bevestigen wij hiermede de opdracht tot bemiddeling en advisering bij de verkoop van de hierna omschreven onroerende zaak.
Het betreft de voormalige politieslipschool (…).
(…) De voormalige bestemming als slipschool is reeds jaren geleden beëindigd. De [gemeente] is bereid om mee te denken aan een andere bestemming, doch laat ter plaatse geen ontwikkeling toe van bijvoorbeeld woningen, kantoren en/of bedrijfsruimten. Er dient eerder gezocht te worden in de sfeer van leisure, een tuincentrum en/of dergelijke. (…)
Het terrein is voor een behoorlijk groot gedeelte geasfalteerd. Wij gaan ervanuit dat de bodem van het gehele terrein schoon is en de aanwezige asfalt geen bedreiging vormt voor de gezondheid en/of het milieu.
Het is niet eenvoudig om van deze onroerende zaak de reële verkoopwaarde te bepalen. Er is immers bij ons kantoor te weinig bekend over de bebouwingsmogelijkheden c.q. de bestemming van het terrein. In de huidige markt zal de opbrengst bij verkoop zich vermoedelijk bewegen rond de € 1.000.000,00 kosten koper. Wij adviseren jullie echter om in eerste instantie een vraagprijs te hanteren van € 1.300.000,00 kosten koper.”
2.11.
Tot het dossier behoort een e-mail van het makelaarskantoor aan [naam7] van [onderneming6] van 19 april 2018. In deze mail staat voor zover hier van belang het volgende:
“Geachte [naam7] ,
Met referte aan het telefonisch onderhoud dat wij zojuist met elkaar hebben gevoerd, sturen wij u de navolgende informatie.
Ons kantoor bemiddelt in de verkoop van [de slipbaan]. Het betreft een perceel grond van circa 71.490 m2 dat in het verleden gebruikt is als een politie slipschool. (…)
De koopsom voor het onderhavige perceel bedraagt € 1.300.000,00 kosten koper.
Voorts staat het bestemmingsplan het gebruik als slipschool toe, echter uitsluitend voor politie en aanverwante rijksdiensten. In de bijlagen treft u eveneens de bestemmingsbeschrijving alsmede de plankaart.
Graag vernemen wij van u of dit perceel geschikt is voor uw activiteiten en of bij u de interesse bestaat hierover nader van gedachten te wisselen.”
2.12.
Een medewerker van het makelaarskantoor heeft de in 2.11. genoemde email op dezelfde dag per email doorgestuurd naar [naam5] . Daarbij heeft deze medewerker het volgende geschreven:
“ [naam7] heeft zojuist gebeld met mij.
(…)
Hij heeft interesse in het terrein, koop en eigen gebruik (…)
Hij heeft inmiddels contact met de Gemeente gehad.
Zij hebben geïnformeerd naar de bestemming.
Gemeente staat niet onwelwillend tegenover, maar nog geen officiële toezegging. Wel sanering.
Hij heeft interesse en wilt info ontvangen.
Deze heb ik zojuist verstrekt, heb hem uitgenodigd voor bezoek ter plaatse.”
2.13.
Tot het dossier behoort een e-mail van [naam5] van 26 april 2018 aan de in 2.12. bedoelde medewerker van het makelaarskantoor. In deze email staat voor zover hier relevant onder meer:
“Met betrekking tot de door jou gestelde vraag, zou ik je willen verzoeken telefonisch contact op te nemen met [erflater], mijn partner in project [onderneming1] . Hij is op de hoogte van "de hoed en de rand" en kan je meer informatie verschaffen met betrekking tot de grondrapporten.
In het (verre) verleden zijn inderdaad een aantal rapporten opgemaakt. De relevantie daarvan is, mede door het verstrijken van vele jaren waar er niets met het terrein is gebeurd, niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Bovendien zijn de rapporten opgemaakt voor het gebruik voor verschillende doeleinden. Het is van belang eerst duidelijk in beeld te krijgen wat het feitelijk gebruik van het terrein wordt. Er zal een andere sanering moeten worden uitgevoerd als bijvoorbeeld het asfalt verwijderd wordt, dan wanneer dit blijft liggen. Daar zijn logischerwijze ook andere kosten aan verbonden. Het verwijderen, afvoeren en saneren van de grond in het eerste geval zal hogere kosten met zich meebrengen, dan in het geval het asfalt blijft liggen. Er bestaat bovendien geen urgentie o.i.d. om de grond te saneren; er zijn geen aanschrijvingen ter zake. Kortom het verstrekken van oude rapporten in dit kader is niet relevant en zal alleen aanleiding geven tot discussie. Om vorenstaande redenen verzoek ik je contact op te nemen met [erflater]. Ik heb hem daarover gesproken en is derhalve van je vraag op de hoogte. Vanzelfsprekend is hij ook op de hoogte van alle overige correspondentie tussen ons.”
2.14.
Bij overeenkomst van 16 augustus 2018 hebben [onderneming3] en de CV de slipbaan aan een [onderneming6] verkocht. De koopsom bedroeg € 1.215.330. In de koopovereenkomst is onder het kopje ‘Bodem, asbest en andere voor de gezondheid schadelijke materialen, ondergrondse tanks, etc.’ het volgende vermeld:
“Koper verklaart en garandeert dat hij het verkochte aanvaardt in de staat waarin het zich op de leveringsdatum bevindt. Hieronder wordt uitdrukkelijk ook begrepen de staat waarin de bodem en het grondwater van het verkochte zich bevinden en voorts met inbegrip van eventueel nog daarin aanwezige (ondergrondse) (opslag)tanks alsmede eventuele in het verkochte aanwezige asbesthoudende - en/of andere voor de gezondheid schadelijke materialen. Koper heeft voor eigen rekening een bodemonderzoek laten verrichten en is derhalve genoegzaam bekend met de toestand van de bodem, het grondwater en - eventuele aanwezigheid van asbesthoudende materialen. Elke aansprakelijkheid van Verkoper voor de eventuele aanwezigheid van verontreiniging van de bodem en/of het grondwater, asbesthoudende en/of andere voor de gezondheid schadelijke materialen en (ondergrondse) (opslag) tanks wordt volledig uitgesloten. Koper zal verkoper terzake volledig vrijwaren voor alle aanspraken van derden.”
2.15.
De slipbaan is op 27 september 2018 geleverd aan de [onderneming7] – een met [onderneming6] verbonden vennootschap.
2.16.
De WOZ-waarde van de slipbaan is per waardepeildatum 1 januari 2014 vastgesteld op € 345.000 en per 1 januari 2016 op (in totaal) € 339.000.
2.17.
[onderneming1] is op 23 maart 2018 ontbonden.
2.18.
Op 3 mei 2017 heeft erflater aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856.
2.19.
De Inspecteur heeft met dagtekening 19 mei 2018 de aanslag IB/PVV 2016 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856.
2.20.
Op 10 april 2018 heeft erflater aangifte IB/PVV 2017 naar een belastbaar inkomen van nihil gedaan.
2.21.
De Inspecteur heeft met dagtekening 29 november 2019 de aanslag IB/PVV 2017 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.
2.22.
Tot het dossier behoort een door [naam8] taxateur, in opdracht van [onderneming8] opgestelde taxatie van de slipbaan van 16 december 2020. In deze taxatie wordt geconcludeerd dat de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan op 31 december 2015 € 65.000 bedroeg, te weten € 245.000 landbouwgrond, verminderd met € 150.000 saneringskosten en € 30.000 kosten onvoorzien.
2.23.
Bij brief van 15 april 2021 heeft de Inspecteur erflater in kennis gesteld van zijn voornemen een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 met boete aan hem op te leggen. In die brief is onder meer het volgende vermeld:
“Aanleiding navorderingsaanslag:
[onderneming1] koopt in december 2006 [de slipbaan] voor € 192.000 van een derde partij. De koopprijs van € 192.000 was mede gebaseerd op een rapport bodemonderzoek uit 1995. Hierin werden de saneringskosten, vanwege bodemverontreiniging, op € 540.000 geschat.
Op 5 april 2017 verkoopt [onderneming1] [de slipbaan] voor € 45.000 aan [onderneming3] en [onderneming5] Dit betreft een verkoop aan gelieerde partijen. [onderneming3] is indirect aandeelhouder van [onderneming1] . U bent commandiet in [onderneming5] en direct 50% aandeelhouder in [onderneming1]
De boekwaarde van het onroerend goed bedroeg € 192.676, waardoor [onderneming1] een boekverlies behaalde.
De verkoopprijs is gebaseerd op de waardebepaling van 2006 met daarin het bodemonderzoek van 1995. Bij een derdenonderzoek dat is uitgevoerd bij [onderneming7] is gebleken dat een aanzienlijk deel van de verontreiniging al afgebroken zou zijn. Tevens adviseert [makelaar2] op 6 december 2016, zonder een bodemonderzoek te laten doen, een vraagprijs van € 1.300.000. Dit gegeven duidt erop dat het eenvoudig was om te bepalen dat de prijs van € 45.000 te laag zou zijn.
Ook op basis van uw kennis en ervaring op dit gebied en het feit dat het pand in 2018 aan een derde partij is verkocht voor € 1.215.330, doet vermoeden dat u zich er bewust van bent geweest dat het verkoopbedrag van € 45.000 te laag was.
De taxateur van de Belastingdienst heeft het door u aangeleverde nieuwe taxatierapport van 15 juni 2020 beoordeeld. Volgens de taxateurs van de Belastingdienst is € 45.000 geen juiste weergave van de waarde. Alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend achten zij een waarde van € 850.000 juist.
Door het pand voor een te laag bedrag te verkopen creëert u een verlies bij de vennootschap en wordt u als aandeelhouder bewust bevoordeeld door de vennootschap. Bij het berekenen van de winstuitdeling ga ik uit van de door de taxateur van de Belastingdienst vastgestelde waarde van € 850.000. Hetgeen u te weinig hebt betaald voor het pand vormt een winstuitdeling. Hierdoor stijgt uw inkomen uit aanmerkelijk belang met een bedrag van € 850.000-€ 45.000/2= € 402.500.
Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) volgens aangifte
€ 0
Correctie
€ 402.500+
Inkomen uit aanmerkelijk volgens navorderingsaanslag
€ 402.500”
2.24.
Bij brief van 2 november 2021 heeft de Inspecteur (de gemachtigde van) erflater in kennis gesteld van zijn voornemen een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 met boete aan erflater op te zullen leggen. In die brief is onder meer het volgende vermeld:
“Ik heb vernomen van mijn collega (…) dat bij de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2017 van [onderneming1] tevens besproken wordt op welk moment de transactie die heeft geleid tot de (verkapte) winstuitdeling aan uw client (en daarmee het resultaat uit aanmerkelijk belang) daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het zou namelijk zo kunnen zijn dat de transactiedatum reeds eerder dan in het jaar 2017 is gelegen, bijvoorbeeld in 2016.
Gelet op het bovenstaande en in aanmerking genomen dat de termijn om een navorderingsaanslag IB/PVV voor het belastingjaar 2016 aan uw client op te leggen binnenkort verstrijkt, heb ik besloten om hem ook voor 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV en een vergrijpboete op te leggen. (…)
De taxateur van de Belastingdienst heeft het door uw client aangeleverde nieuwe taxatierapport van 15 juni 2020 beoordeeld. Volgens de taxateurs van de Belastingdienst is € 45.000 geen juiste weergave van de waarde. Alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend achten zij een waarde van € 850.000 juist. Ik ben door u en mijn collega (…) op de hoogte gesteld dat er meningsverschillen zijn over de taxatiewaarde. Voor de hoogte van de navorderingsaanslag ga ik uit van de waarde die onze taxateur heeft vastgelegd.
Door het pand voor een te laag bedrag te verkopen creëert uw client een verlies bij de vennootschap en wordt hij als aandeelhouder bewust bevoordeeld door de vennootschap. Hetgeen uw client te weinig heeft betaald voor het pand, vormt een winstuitdeling aan hem. Hierdoor stijgt het inkomen uit aanmerkelijk belang van uw client met een bedrag van (€ 850.000 - € 45.000) / 2= € 402.500. Op basis van artikel 2.17 Wet IB 2001 zal ik uw client en zijn partner beide 50% van het box 2 inkomen toerekenen. Tijdens ons telefoongesprek gaf u aan geen keuze te willen maken. Indien u dit alsnog wenst te doen, verzoek ik u voor onderstaande datum de verdeling aan mij door te geven. Indien u geen keuze maakt zal ik de winstuitdeling bij beide voor de helft belasten.
Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) volgens aangifte
€ 0
Correctie
€ 201.250+
Inkomen uit aanmerkelijk volgens navorderingsaanslag
€ 201.250
Hoewel ik aan uw client nu twee navorderingsaanslagen (2016 en 2017) voor dezelfde winstuitdeling heb opgelegd, is het uitdrukkelijk niet mijn bedoeling dat diezelfde winstuitdeling tweemaal in de belastingheffing wordt betrokken. Zodra er meer duidelijkheid is over het genietingsoment van de winstuitdeling, zal ik één van de navorderingsaanslagen ambtshalve verminderen.”
2.25.
Met dagtekening 13 november 2021 heeft de Inspecteur aan erflater over het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349, na verrekening van een verlies van € 18.151. Bij beschikkingen is belastingrente van € 12.155 berekend en is een vergrijpboete van € 49.972 opgelegd.
2.26.
Erflater is op 22 november 2021 overleden.
2.27.
Bij brieven van 25 november 2021 heeft de Inspecteur medegedeeld aan zowel erflater en zijn partner een navorderingsaanslag over het jaar 2016 op te leggen waarbij bij ieder een correctie op het eerder vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang van € 201.250 in aanmerking wordt genomen.
2.28.
Bij beschikking van 26 november 2021 heeft de Inspecteur het bij de navorderingsaanslag over het jaar 2017 vastgestelde belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met verliesverrekening als gevolg van de terugwenteling van een in 2018 geleden verlies verminderd van € 384.349 naar € 375.250.
2.29.
De gemachtigde van belanghebbenden heeft op 8 december 2021 de Inspecteur verzocht het gehele na te vorderen inkomen uit aanmerkelijk belang toe te rekenen aan erflater.
2.30.
Met dagtekening 18 december 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden over het jaar 2016 een eerste navorderingsaanslag (H.67.01) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.099 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is belastingrente van € 7.864 berekend.
2.31.
Met dagtekening 18 december 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden over het jaar 2016 een tweede navorderingsaanslag (H.67.02) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is belastingrente van € 8.660 berekend.
2.32.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 december 2022 de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 2016 en 2017 ongegrond verklaard.
2.33.
Bij verminderingsbeschikking van 2 februari 2023 heeft de Inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag over het jaar 2017 vernietigd.
3Geschil
3.1.
In principaal hoger beroep is in geschil of de Inspecteur de twee navorderingsaanslagen over het jaar 2016 terecht en naar de juiste bedragen heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur terecht in het jaar 2016 een winstuitdeling door [onderneming1] aan erflater in verband met de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang heeft gerekend.
3.2.
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 moeten worden vernietigd. Belanghebbenden bepleiten daartoe primair dat reeds in 2015 wilsovereenstemming is bereikt over de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] . Dit heeft tot gevolg dat, als al sprake zou zijn van een winstuitdeling als gevolg van de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV, deze winstuitdeling niet in 2016, maar reeds in 2015 heeft plaatsgevonden. Indien het Hof van oordeel is dat de wilsovereenstemming over de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] in 2016 is bereikt, stelt belanghebbende zich subsidiair op het standpunt dat de verkoop van de slipbaan niet leidt tot een winstuitdeling door [onderneming1] aan erflater. Belanghebbenden voeren daartoe onder meer aan dat de verkoopprijs van € 45.000 zakelijk was, althans [onderneming1] en erflater zich er niet bewust van zijn geweest dat erflater werd bevoordeeld. Belanghebbenden hebben ter zitting verklaard dat niet (langer) in geschil is dat de Inspecteur de bevoegdheid had om na te vorderen over het jaar 2016 en dat de tweede navorderingsaanslag over het jaar 2016 rechtsgeldig bekend is gemaakt.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbenden zijn opgelegd. De Inspecteur voert daartoe aan dat moet worden aangenomen dat in 2016 wilsovereenstemming is bereikt over de verkoop van onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV. Mede gelet op de prijs van € 1.215.330 waarvoor [onderneming3] en de CV de slipbaan in 2018 hebben verkocht aan een derde, is volgens de Inspecteur verder aannemelijk dat de waarde in het economische verkeer van de slipbaan op het moment van de verkoop door [onderneming1] veel meer bedroeg dan € 45.000. [onderneming1] en erflater moeten zich daarvan bewust zijn geweest. Daarmee is sprake van een winstuitdeling door [onderneming1] aan erflater. Deze winstuitdeling is terecht vastgesteld op € 402.500, omdat aannemelijk is dat de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan op het moment van de verkoop in 2016 ten minste € 850.000 bedroeg. De Inspecteur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld voor het geval het Hof van oordeel is dat een winstuitdeling in 2016 niet aannemelijk is geworden. De Inspecteur stelt dan, onder aanvoering van dezelfde gronden, dat de winstuitdeling in 2017 in aanmerking moet worden genomen.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Indien door een aandeelhouder definitief vermogen aan een vennootschap waarin hij de aandelen houdt is onttrokken en deze onttrekking kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan die onttrekking onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Daarvoor is vereist dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.
4.2.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, de feiten en omstandigheden moet stellen en in geval van gemotiveerde betwisting aannemelijk moet maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat is voldaan aan de vereisten waaronder die onttrekking kan worden aangemerkt als een winstuitdeling.
Tijdstip van een eventuele winstuitdeling als gevolg van de verkoop van de slipbaan door [onderneming1]
4.3.
Partijen gaan er terecht van uit dat een eventuele winstuitdeling door [onderneming1] aan erflater als gevolg van de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV plaats heeft gevonden in het jaar waarin de overeenkomst tot verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan tot stand is gekomen. Een verkoopovereenkomst komt ingevolge artikel 6:217, lid 1, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) tot stand door aanbod en aanvaarding. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval sprake is van een mondelinge verkoopovereenkomst.
4.4.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de mondelinge verkoopovereenkomst begin april 2016 tot stand moet zijn gekomen. De Inspecteur wijst er daarbij op dat de CV is opgericht op 1 april 2016 en er namens de CV op 7 april 2016 een volmacht is verleend voor de aankoop van de slipbaan. Daarom kan een mondelinge verkoopovereenkomst tussen [onderneming1] en [onderneming3] en de CV niet eerder tot stand zijn gekomen dan na die laatste datum. Verder kan volgens de Inspecteur uit de verleende volmacht en de eerste concept leveringsakte tussen [onderneming1] en [onderneming3] en de CV van 14 april 2016 worden afgeleid dat op dat moment reeds wel een verkoopovereenkomst tussen [onderneming1] en [onderneming3] en de CV tot stand was gekomen.
4.5.
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat in augustus 2015 reeds wilsovereenstemming is bereikt over de verkoop van de slipbaan. Dat de CV op dat moment nog niet bestond, is daarbij niet van belang, omdat volgens belanghebbenden sprake was van een overeenkomst tot verkoop ‘aan een nader te noemen meester’ in de zin van artikel 3:67, lid 1, BW.
4.6.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de mondelinge verkoopovereenkomst in 2016 tot stand is gekomen. Het Hof overweegt daartoe dat uit de in 2.7. genoemde conceptakte van levering van 14 april 2016 kan worden afgeleid dat in ieder geval op die datum mondeling wilsovereenstemming was bereikt over de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV voor een bedrag van € 22.500. Nu de CV pas op 1 april 2016 tot stand is gekomen, kon de beherend vennoot van de CV niet eerder dan op die datum namens de CV het aanbod tot de koop van de onverdeelde helft van de slipbaan aanvaarden. Het Hof is daarom van oordeel dat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de mondelinge overeenkomst tussen [onderneming1] en de CV niet eerder tot stand is gekomen dan op 1 april 2016.
4.7.
Belanghebbenden hebben, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de mondelinge overeenkomst tot verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan reeds tot stand is gekomen voor het aangaan van de CV op 1 april 2016, laat staan dat dat in 2015 is geschied. Het Hof overweegt daartoe dat belanghebbenden hun stelling dat in 2015 reeds sprake is geweest van een verkoop aan een nader te noemen meester dan wel koop namens de nog niet bestaande CV onvoldoende nader hebben onderbouwd. Zo bieden de emails uit 2015, waar belanghebbenden in hun nadere stuk van 8 mei 2026 in dit verband naar verwijzen, onvoldoende steun voor deze stelling van belanghebbenden. Uit deze emails valt weliswaar af te leiden dat in 2015 een taxatierapport uit 2006 en WOZ-beschikkingen van de slipbaan zijn verzonden naar een externe adviseur, maar in deze emails ontbreekt enige nadere toelichting voor de reden van het verzenden van die documenten aan deze adviseur. Dat, zoals belanghebbenden stellen, deze documenten aan de adviseur zijn verstrekt om de levering van de op dat moment reeds door [onderneming1] verkochte slipbaan in gang te zetten, valt uit die emails dus niet af te leiden. Ook de brieven uit 2020 van de toenmalige adviseur van belanghebbenden en de Inspecteur waarnaar belanghebbenden in hun pleitnota hebben verwezen, bieden onvoldoende onderbouwing voor de stelling van belanghebbenden. Deze brieven bevatten geen nader bewijs, maar slechts een beschrijving van het standpunt van belanghebbenden dat in 2015 reeds mondeling overeenstemming tot verkoop van de slipbaan was bereikt. Ten slotte kan ook uit de omstandigheid dat [naam5] , zoals belanghebbenden stellen, zich in 2015 aan het voorbereiden was op een emigratie naar Zwitserland en dat om die reden [onderneming1] moest worden ‘herschikt’, niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat in 2015 al mondeling overeenstemming was bereikt over de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV.
4.8.
Belanghebbenden hebben in hun pleitnota het Hof verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden teneinde hen in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren ten aanzien van het tijdstip waarop de mondelinge verkoopovereenkomst tot stand is gekomen door middel van door hen mee te brengen of op te roepen getuigen. Het Hof wijst dit verzoek, dat belanghebbenden ook reeds hadden gedaan in hun nadere stuk van 8 mei 2026, af. Het Hof overweegt daartoe dat het Hof reeds in de uitnodiging ter zitting, en in reactie op het nadere stuk van belanghebbenden van 8 mei 2026, nogmaals in een bericht van 12 mei 2026, belanghebbenden hebben gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. Ter zitting is vervolgens geen nieuw licht gevallen op de noodzaak tot het leveren van dit getuigenbewijs. De discussie over het tijdstip waarop de mondelinge verkoopovereenkomst tot stand is gekomen speelde reeds bij de Rechtbank. Belanghebbenden hebben verder geen omstandigheden gesteld die maken dat hen in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij hebben nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen of het bewijsaanbod niet eerder hebben gedaan.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] en de CV heeft plaatsgevonden in 2016. Indien deze verkoop heeft geleid tot een verkapte winstuitdeling aan erflater, heeft deze winstuitdeling dus in 2016 plaatsgevonden.
Heeft de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan geleid tot een winstuitdeling aan erflater?
4.10.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de prijs waarvoor [onderneming1] de slipbaan in 2016 heeft verkocht aan [onderneming3] en de CV niet overeenkomt met de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan op dat moment. De Inspecteur voert daartoe aan dat uit de prijs waarvoor [onderneming3] en de CV de slipbaan in 2018 aan een onafhankelijke derde, [onderneming6] hebben verkocht, volgt dat op dat moment de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan € 1.215.330 was. Volgens de Inspecteur bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat de waarde in het economisch verkeer op het moment van verkoop van de slipbaan door [onderneming1] aan [onderneming3] en de CV, ruim twee jaar eerder, niet ook rond dat bedrag lag. Omdat [onderneming1] de slipbaan voor een bedrag van ‘slechts’ € 45.000 heeft verkocht aan [onderneming3] en de CV, hebben de aandeelhouders van [onderneming1] een bedrag ter grootte van het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan en deze verkoopprijs aan [onderneming1] onttrokken. Deze onttrekking vormt een winstuitdeling aan erflater, omdat volgens de Inspecteur, erflater en [onderneming1] zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de slipbaan voor een te lage prijs werd verkocht en dat erflater met deze transactie werd bevoordeeld.
4.11.
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de prijs waarvoor [onderneming1] de slipbaan heeft overgedragen aan [onderneming3] en de CV een zakelijke prijs was, zodat reeds om die reden geen sprake is geweest van een vermogensverschuiving van [onderneming1] naar haar aandeelhouders. Voor zover wel sprake is geweest van een vermogensverschuiving, is die volgens belanghebbenden lager dan door de Inspecteur gesteld. Belanghebbenden wijzen in dit verband onder meer naar de in opdracht van [onderneming8] verrichte taxatie van de slipbaan (zie 2.22.) en de WOZ-beschikkingen van de slipbaan (zie 2.15.) die op veel lagere bedragen zijn vastgesteld dan de prijs waarvoor de slipbaan in 2018 is verkocht. Belanghebbenden betogen verder dat de bestemmingswijziging in 2018 heeft gezorgd voor de grote waardesprong. Met (de gevolgen van) deze bestemmingswijziging mag op het moment van de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] geen rekening worden gehouden. Daarnaast stellen belanghebbenden dat ook rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de grond van slipbaan was vervuild. Belanghebbenden stellen zich ten slotte op het standpunt dat [onderneming1] en erflater zich er op het moment van de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] niet van bewust zijn geweest dat de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan hoger was dan de verkoopprijs van € 45.000.
4.12.
Onder de waarde in het economische verkeer moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van een zaak ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat in dit geval de verkoopprijs die [onderneming3] en de CV hebben gerealiseerd bij de verkoop van de slipbaan aan [onderneming6] als uitgangspunt kan worden genomen ter bepaling van de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan op het moment van de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] in 2016. Het Hof stelt bij dit oordeel voorop dat niet in geschil is dat de prijs die [onderneming6] in 2018 heeft betaald de waarde in het economisch verkeer op het moment van die verkoop weerspiegelt. Het Hof volgt belanghebbenden niet in hun betoog aan de in 2018 gerealiseerde verkoopprijs geen waarde kan worden gehecht, omdat de bestemmingswijziging in 2018 heeft gezorgd voor een waardesprong ten opzichte van de waarde in 2016. Belanghebbenden hebben hun stelling dat de gemeente vóór 2018 niet zou hebben willen meewerken aan een bestemmingswijziging – zoals die in 2018 heeft plaatsgevonden – op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het Hof wijst er in dit verband nog op dat ook het makelaarskantoor in 2017 ervan uit is gegaan dat de gemeente bereid was om mee te denken aan een andere bestemming (zie 2.10.). Ook in de aanwezigheid van vervuiling ziet het Hof, anders dan belanghebbenden stellen, geen reden om voorbij te gaan aan de in 2018 gerealiseerde verkoopprijs. Vast staat immers dat in de periode 2016 tot 2018 geen verdere sanering van de slipbaan heeft plaatsgevonden en dat [onderneming6] bij het bepalen van de koopprijs de aanwezigheid van vervuiling heeft aanvaard.
4.13.
De in opdracht van [onderneming8] verrichte taxatie van 16 december 2020, kan aan het voorgaande ook niet afdoen, nu in deze taxatie kennelijk geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van een bestemmingswijziging. Verder wordt in het rapport niet dan wel onvoldoende onderbouwd op basis van welke aannames is geconcludeerd tot de getaxeerde waarde van € 65.000. De omstandigheid dat de WOZ-waarde voor het jaar 2016 veel lager is vastgesteld dan de in 2018 gerealiseerde verkoopprijs leidt het Hof ten slotte ook niet tot een ander oordeel, omdat onduidelijk is gebleven van welke uitgangspunten de heffingsambtenaar is uitgegaan bij het vaststellen van die waarde.
4.14.
Nu voor het overige niet aannemelijk is geworden dat de marktsituatie wat betreft de slipbaan in 2016 significant afweek van die in 2018, acht het Hof het aannemelijk dat de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan in 2016, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, ten minste € 1.000.000 bedroeg.
4.15.
Belanghebbenden hebben in hun pleitnota het Hof verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden teneinde belanghebbenden in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren ten aanzien van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak ten tijde van de verkoop door middel van door hen mee te brengen of op te roepen of getuigen of deskundigen. Het Hof wijst ook dit verzoek af en wijst daarbij naar hetgeen het hiervoor in 4.8. heeft overwogen.
4.16.
Nu het Hof het aannemelijk acht dat de waarde in het economisch verkeer van de slipbaan op het moment van verkoop door [onderneming1] in 2016 ten minste € 1.000.000 bedroeg, staat vast dat erflater, door slechts € 22.500 voor de onverdeelde helft van de slipbaan aan [onderneming1] te betalen, in 2016 ten minste € 477.500 aan [onderneming1] heeft onttrokken. Deze onttrekking kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst van [onderneming1] , nu tot die winst ook moet worden gerekend het gedeelte van de vorderingen van de aandeelhouders op [onderneming1] dat door deze onttrekking niet meer verhaalbaar was.
4.17.
Omdat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke waarde van de slipbaan op het moment van de verkoop door [onderneming1] in 2016 aanzienlijk hoger was dan de daadwerkelijke verkoopprijs, staat daarmee in beginsel ook vast dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig is geweest. Het is daarom aan belanghebbenden om aannemelijk te maken dat geen bevoordelingsbedoeling aanwezig is geweest. Naar het oordeel van het Hof zijn belanghebbenden daarin niet geslaagd. De verkoopprijs van € 45.000 is gebaseerd op gegevens uit een taxatierapport uit 2006. Uit de in 2.12. genoemde email van [naam5] volgt dat erflater, die samen met [naam5] bestuurder was van [onderneming1] , wat betreft de slipbaan ‘van de hoed en de rand’ wist. Uit die email volgt verder dat [naam5] en dus ook [naam1] wisten dat het taxatierapport dat is gebruikt voor het bepalen van de verkoopprijs van € 45.000 niet meer relevant was. Nu daarnaast reeds in 2008 een bod op de slipbaan van € 700.000 gedaan (zie 2.4.) en ook de WOZ-waarden van de slipbaan (zie 2.15.) (veel) hoger waren vastgesteld dan € 45.000, kan het niet anders dan dat alle partijen die betrokken waren bij de verkoop van de slipbaan door [onderneming1] in 2016 zich ervan bewust waren dat de totale verkoopprijs van € 45.000 niet de werkelijk waarde weerspiegelde.
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat erflater in zijn hoedanigheid van 50% aandeelhouder van [onderneming1] in 2016 een winstuitdeling heeft ontvangen van [onderneming1] van ten minste € 477.500. Dit betekent dat de navorderingsaanslagen over het jaar 2016, die zijn vastgesteld rekening houdend met een door erflater van [onderneming1] ontvangen winstuitdeling van € 402.500, niet te hoog zijn vastgesteld.
4.19.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de bij de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 gegeven beschikkingen belastingrente. Belanghebbenden hebben hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.20.
Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat in 2016 geen winstuitdeling heeft plaatsgevonden als gevolg van de verkoop van de onverdeelde helft van de slipbaan door [onderneming1] aan de CV, bepleit de Inspecteur in zijn voorwaardelijk incidenteel hoger beroep dat deze winstuitdeling heeft plaatsgevonden op het moment van levering van de slipbaan in 2017. In dat geval is volgens de Inspecteur de navorderingsaanslag over het jaar 2017 terecht en tot de juiste hoogte vastgesteld. Omdat het Hof hiervoor heeft geoordeeld dat het hoger beroep van belanghebbenden tegen de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 ongegrond is, wordt de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de Inspecteur is ingesteld niet vervult en vervalt het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. De door de Rechtbank uitgesproken vernietiging van de navorderingsaanslag over 2017 zal het Hof in stand laten.
Vergoeding werkelijk proceskosten in eerste aanleg
4.21.
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van de werkelijke proceskosten voor het bezwaar en het beroep bij de Rechtbank heeft toegekend.
4.22.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toekennen van een vergoeding van de werkelijke proceskosten voor het bezwaar en het beroep bij de Rechtbank. Het Hof overweegt daartoe dat niet kan worden gezegd dat de Inspecteur de navorderingsaanslag over het jaar 2017 tegen beter weten in heeft vastgesteld en, met behoud van rechten, bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd. Van een situatie waarbij de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld is ook geen sprake. In de omstandigheid dat de Inspecteur bij de navorderingsaanslag over het jaar 2017 een boete heeft opgelegd, welke door het overlijden van erflater is komen te vervallen, ziet het Hof ten slotte ook geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de werkelijke proceskosten.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbenden ongegrond en vervalt het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep van de Inspecteur.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Zie onder meer Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26 r.o. 3.4.4. en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vergelijk Hoge Raad 7 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3892, r.o. 4 .3.
(€ 1.000.000 - € 45.000)/2 = € 477.500
Vergelijk Hoge Raad 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, r.o. 4.3., BNB 1990/63
Vergelijk Hoge Raad, 4 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1699, r.o. 3.5. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|