Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:4773 
 
Datum uitspraak:21-07-2026
Datum gepubliceerd:29-07-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.359.545/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Erfrecht. Afgifte legaat. Vereffenaar tevens erfgenaam weigert afgifte van het legaat omdat het bij het overlijden van erflater niet zou behoren tot de nalatenschap. Op het moment van overlijden zou op het legaat, een stuk grond, al een koopoptie rusten. Daarmee rustte volgens de verffenaar/erfgenaam op de erflater al voorafgaand aan zijn overlijden een verplichting als bedoeld in artikel 4:94 lid 3 BW om de zaak over te dragen. Die stelling wordt verworpen en de vereffenaar/erfgenaam wordt veroordeeld tot afgifte van het legaat..
Trefwoorden:agrarisch
gecombineerde opgave
landbouwvrijstelling
perceel
testament
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.359.545
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 146323


arrest van 21 juli 2026


in de zaak van




[appellant]

hierna te noemen: [appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.Y. de Reus

en



[geïntimeerde]

hierna te noemen: [geïntimeerde]die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, tussen partijen heeft uitgesproken op 19 december 2023 en de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, op 23 oktober 2024 en 13 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ;


de memorie van grieven van [appellant] met producties, tevens houdend een incident;


de memorie van antwoord van [geïntimeerde] met producties;


een akte van [appellant] met een reactie op de producties van [geïntimeerde] ;


een akte van [appellant] met nadere producties;


een nadere productie van [geïntimeerde] ;


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 juni 2026 is gehouden.



Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. Op 9 juli 2026 is er nog een brief binnengekomen van mr. Kroon-Jongbloed met enkele opmerkingen over het proces-verbaal.




2De kern van de zaak


[geïntimeerde] is de (enig) erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van de overleden heer [naam1] , bij leven haar echtgenoot. In een aanvulling op zijn testament heeft [naam1] een legaat gemaakt van een perceel grond voor [appellant] . [appellant] vordert afgifte door [geïntimeerde] van dat legaat, en als dat niet mocht worden toegewezen vordert hij vergoeding van de waarde van het perceel. [geïntimeerde] betwist dat zij gehouden is om het legaat af te geven. Volgens haar rustte op het gelegateerde perceel een eerdere, aan haar toekomende koopoptie, die door het overlijden van [naam1] niet is vervallen. Door die koopoptie, die door haar ook is aanvaard, maakte het gelegateerde perceel geen deel uit van de nalatenschap van [naam1] en is het legaat vervallen. Ook voor de subsidiair gevorderde vergoeding van de waarde van het perceel bestaat volgens haar geen grond. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van die beslissing en wil hij dat het legaat alsnog aan hem wordt afgegeven, dan wel dat [geïntimeerde] aan hem de waarde daarvan vergoedt.





3De feiten3.1 [geïntimeerde] was (buiten enige gemeenschap van goederen) gehuwd met [naam1] . Voor [naam1] was het zijn eerste huwelijk. [geïntimeerde] was eerder getrouwd geweest en had uit dat huwelijk een zoon en een dochter.


3.2

[naam1] had een boerenbedrijf in de buurt van [woonplaats2] . Vanaf 1 september 2017 exploiteerde hij dat in de vorm van een maatschap met een (stief)schoonzoon, de heer [naam2] . De maatschapsovereenkomst was op 30 december 2016 door beiden ondertekend ten overstaan van notaris [naam3] .



3.3
In artikel 3 van die overeenkomst, dat handelt over de inbreng van de maten in de maatschap, is onder meer opgenomen dat erflater in de maatschap inbrengt: “het gebruik en genot van de hem in eigendom toebehorende landerijen gelegen nabij [woonplaats2] ter gezamenlijke grootte van ongeveer twintig hectare en vijftig are (20.50.00 hectare) (…)”. Daarnaast bracht hij het gebruik en genot in van nog ongeveer 42 hectare gepachte grond. De eigen landerijen en de gepachte grond worden niet nader omschreven dan als: “een en ander zonder nadere omschrijving aan de maten genoegzaam bekend”. Over beëindiging van de maatschap was in artikel 12 opgenomen dat de overeenkomst onder meer zou eindigen bij het overlijden van één van de maten (art. 12c). Over de voortzetting van het bedrijf van de maatschap na beëindiging daarvan was in artikel 14 onder meer bepaald dat als [naam2] het bedrijf zou voortzetten hij tevens het recht zou hebben: “om de landerijen waarvan het gebruik en genot is ingebracht te verwerven tegen inbreng van de waarde daarvan.” 3.4 Op 14 oktober 2021 heeft [naam1] zijn testament opgemaakt. Hij was toen al ongeneeslijk ziek. [geïntimeerde] is in dat testament benoemd tot enig erfgenaam onder de last van legaten met betrekking tot enkele percelen natuurgrond en enkele percelen met daarop recreatiewoningen. Onder meer is in dat testament aan [appellant] gelegateerd een recreatiewoning in [woonplaats2] .



3.5
Op 28 juli 2022 hebben [naam1] , [naam2] en [geïntimeerde] een “aanvullende overeenkomst van maatschap” ondertekend, waarin [geïntimeerde] als “maat 3” toetrad tot de maatschap. In de aanvullende overeenkomst is bepaald dat de artikelen 3 en 14 van de oorspronkelijke maatschapsovereenkomst komen te vervallen en worden vervangen door de artikelen 3 en 14 van de aanvullende overeenkomst. In die artikelen is over de inbreng van [naam1] in de maatschap hetzelfde bepaald als in de oorspronkelijke overeenkomst, dus ook de inbreng door [naam1] van het genot en gebruik van zijn landerijen nabij [woonplaats2] met een grootte van circa 20,5 hectare. In artikel 14 is over de voortzetting van het bedrijf van de maatschap bepaald dat bij het einde van de maatschap [geïntimeerde] als eerste het recht heeft om de maatschap voort te zetten met inachtneming van de in dat artikel opgenomen bedingen. Daarbij is bepaald: “Tevens heeft maat 3. het recht om de landerijen waarvan het gebruik en genot is ingebracht te verwerven tegen inbreng van de waarde daarvan.” (hierna: de koopoptie). In de aanvullende maatschapsovereenkomst is de koopoptie dus overgegaan van [naam2] op [geïntimeerde] . Aan [naam2] is geen koopoptie meer toegekend, ook niet in het geval [geïntimeerde] daar geen gebruik van mocht maken.



3.6
Op 8 september 2022 heeft erflater notarieel een aanvulling gemaakt op zijn testament. De aanvulling bevatte uitsluitend een legaat aan [appellant] van een perceel grond gelegen in de dorpskern van [woonplaats2] , “kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer] , groot zestien are en veertig centiare. Onder de verplichting om de belastingclaim volledig aan mijn nalatenschap te vergoeden” (hierna: het gelegateerde perceel, of het perceel)).



3.7

[naam1] (hierna verder te noemen: erflater) is overleden [in] 2022.



3.8

[geïntimeerde] heeft op 8 november 2022 de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. Op 7 december 2022 heeft zij aan [appellant] geschreven dat het legaat van de recreatiewoning zal worden uitgevoerd, maar dat zij geen uitvoering zal geven aan het legaat betreffende het perceel. Daarover schrijft zij: “Ik laat u weten, dat er geen uitvoering gegeven kan worden aan dit legaat. Het Perceel grond zit in de Maatschap. In het Maatschapscontract is opgenomen dat geen van de maten onroerende zaken kan vervreemden zonder toestemming van de andere twee maten. [naam1] is daar aan voorbij gegaan. Het Perceel grond blijft hierdoor onderdeel van de Maatschap”.



3.9
Op 30 augustus 2023 is het legaat van de recreatiewoning aan [appellant] afgegeven. Nadere correspondentie tussen partijen over de afgifte van het perceel heeft niet geleid tot overeenstemming.



3.10
Op 7 oktober 2023 hebben [geïntimeerde] en [naam2] een verklaring ondertekend waarin is opgenomen: “dat maat 2 (hof: [geïntimeerde] ) gebruik maakt van de mogelijkheid om het bedrijf van de maatschap voort te zetten zoals bepaald in artikel 14 onder a van de voormelde gewijzigde overeenkomst vastlegging maatschap, met inachtneming van de daar omschreven bedingen” Daarna is vermeld dat zij de maatschap gezamenlijk voortzetten per 12 september 2022.





4De procedure bij de rechtbank


4.1

[appellant] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd een verklaring voor recht dat het aan hem gelegateerde perceel tot de nalatenschap van erflater behoort, dat [geïntimeerde] wordt gelast tot afgifte aan hem van het legaat althans dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van de waarde van het perceel.



4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen die vordering. Volgens haar is het legaat door de koopoptie komen te vervallen. Zij heeft de koopoptie ook ingeroepen en het perceel behoort inmiddels tot de maatschap. Voor een veroordeling tot vergoeding van de waarde van het perceel bestaat geen grond, omdat uit het testament niet blijkt dat erflater het legaat heeft gewild, ondanks de koopoptie.



4.3

[appellant] heeft dat verweer bestreden. Volgens hem rustte op het aan hem gelegateerde perceel geen koopoptie, omdat het perceel niet behoort tot de gronden waarvan het genot en gebruik door erflater waren ingebracht in de maatschap. Bovendien zou het legaat ook voorgaan boven de koopoptie. Van verval van het legaat is dus geen sprake geweest. Verder kan uit de omstandigheid dat het legaat is gemaakt nadat de koopoptie was verleend worden opgemaakt dat erflater het legaat heeft gewild ondanks de koopoptie. Voorwaardelijk is [geïntimeerde] daarom gehouden tot vergoeding van de waarde van het perceel.



4.4
De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 23 oktober 2024 overwogen dat als [geïntimeerde] bewijst dat het perceel in gebruik was bij de maatschap vóór het overlijden van erflater, dat een aanwijzing oplevert dat het gebruik van het perceel door de erflater was ingebracht in de maatschap. Voor dat geval oordeelde de rechtbank dat de koopoptie voor gaat op het legaat. Daartoe wordt in de kern overwogen dat erflater op basis van de koopoptie de bedoeling heeft gehad de maatschap de mogelijkheid te bieden om al zijn landbouwgronden (waaronder dit perceel) te kopen in het geval van zijn overlijden. Een legaat dat is opgesteld na het verlenen van de koopoptie dat deze bedoeling doorkruist als de koopoptie daadwerkelijk wordt uitgeoefend, valt daarmee niet te verenigen. Aangenomen moet worden dat in een dergelijk geval het legaat als vervallen moet worden beschouwd.Vervolgens is [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs dat het perceel in gebruik was bij de maatschap vóór het overlijden van erflater.



4.5
In het eindvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat [geïntimeerde] is geslaagd in dat bewijs. Overwogen wordt dat vast is komen dat voor het overlijden van erflater de maatschap meerdere jaren de gemeentelijke belastingen voor de gronden van erflater heeft voldaan. Daaruit moet volgens de rechtbank worden afgeleid “dat erflater ervan uitging dat het perceel niet meer tot zijn gronden behoorde, maar dat de maatschap daarvan (als degene die de gronden mocht gebruiken) die lasten diende te voldoen.”
Andere door [geïntimeerde] aangedragen omstandigheden waaruit volgens haar ook zou blijken dat het gelegateerde perceel behoorde tot de gronden van erflater waarvan hij het genot en gebruik had ingebracht in de maatschap, zijn door de rechtbank gemotiveerd verworpen.
Omdat volgens de rechtbank uit het testament niet is af te leiden dat erflater het legaat heeft gewild ondanks de koopoptie, bestaat ook geen grond om [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de waarde van het perceel. De rechtbank is daarmee tot afwijzing van de vorderingen gekomen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.






5De toelichting op de beslissing van het hof


niet ontvankelijkheid



5.1

[appellant] is niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2023. In dat vonnis had de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de rechtbank. Tegen een dergelijke verwijzing staat op grond van artikel 71 lid 5 Rv geen hoger beroep open. incidentele vordering


5.2

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven nog een incident opgeworpen. Daarin vordert hij dat het hof [geïntimeerde] zal gelasten om de gecombineerde opgaven van de maatschap over de jaren 2021 en 2022 in het geding te brengen.



5.3
Het hof stelt vast dat [appellant] onderdelen van die opgaven zelf al in het geding heeft gebracht bij akte overlegging nadere producties, zodat het hof verstaat dat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van die incidentele vordering. Die vordering zal dus worden afgewezen. Voor een afzonderlijke veroordeling van [appellant] in de kosten van dit door hem opgeworpen incident ziet het hof geen reden.


wijziging van eis



5.4

[appellant] heeft in hoger beroep zijn vorderingen aangevuld met een voorwaardelijke vordering, die inhoudt dat als het incident zal worden afgewezen, [geïntimeerde] zal worden gelast om de gecombineerde opgaven over 2021 en 2022 van de maatschap in het geding te brengen. Tegen deze wijziging is geen bezwaar gemaakt en die is ook tijdig gedaan, zodat die wijziging wordt toegelaten.

de beoordeling van de grieven




5.5

[appellant] heeft tegen de vonnissen van de rechtbank 14 grieven ingediend. Daarin bestrijdt hij onder andere en vanuit verschillende invalshoeken (a) de beslissing in het eindvonnis dat [geïntimeerde] is geslaagd in het bewijs dat het aan hem gelegateerde perceel door erflater in genot en gebruik was ingebracht in de nalatenschap en (b) de beslissing in het tussenvonnis dat door de koopoptie het legaat is komen te vervallen. Omdat die beslissingen de kern vormen van dit geschil zal het hof eerst daarop ingaan. De grieven strekken ertoe dat het hof die kwesties opnieuw zal beoordelen.


[geïntimeerde] is niet geslaagd in het bewijs dat ook het genot en gebruik van het gelegateerde perceel door erflater was ingebracht in de maatschap




5.6
Voorop gesteld wordt dat uit de maatschapsovereenkomst op zichzelf niet blijkt dat het gebruik en genot van ook het perceel door de erflater is ingebracht in de maatschap (en dat daarom ook op dat perceel de in de aanvullende maatschapsovereenkomst aan [geïntimeerde] toegekende koopoptie rustte). De landerijen waarvan het genot en gebruik is ingebracht worden in de maatschapsovereenkomst niet anders omschreven dan als “hem in eigendom toebehorende landerijen gelegen nabij [woonplaats2] ter gezamenlijke grootte van ongeveer twintig hectare en vijftig centiare (…) een en ander aan de maten genoegzaam bekend.” Een nadere (kadastrale) aanduiding van de percelen ontbreekt. Weliswaar was ook het gelegateerde perceel eigendom van erflater, maar het was niet gelegen nabij [woonplaats2] , maar juist in de dorpskern van [woonplaats2] . Op [geïntimeerde] rust daarom de volledige bewijslast van haar (bevrijdende) verweer dat ook van het gelegateerde perceel het gebruik en genot was ingebracht.



5.7

[geïntimeerde] heeft zich daarvoor in de procedure bij de rechtbank, nader aangevuld in hoger beroep op verschillende overgelegde bescheiden en diverse omstandigheden beroepen:- de jaarstukken over 2021 en 2022;
- de gecombineerde opgave van 2023;
- aanslagen en betalingen voor gemeentelijke belastingen;
- de landbouwvrijstelling die erflater voor het perceel heeft verkregen bij de toedeling van het perceel aan hem bij de verdeling in 2009 van een eerdere maatschap tussen erflater en zijn broers na het overlijden van een van die broers;- de aanvullende maatschapsovereenkomst, juist bedoeld om [geïntimeerde] eigenaar te kunnenlaten worden van alle landerijen van erflater;- het jarenlange gebruik van het perceel door de maatschap en het belang daarvan voor haarbedrijfsvoering (eco-regeling en mogelijke bouw van een nieuwe veldschuur op het perceel);
- de overgelegde verklaring van de passerende notaris van de aanvullende maatschapsovereenkomst en
- de overgelegde verklaring van de registeraccountant van de maatschap.



5.8
Uit die bescheiden en omstandigheden blijkt op zichzelf echter nog niet dat het gebruik en genot van het perceel door erflater was ingebracht in de maatschap, niet afzonderlijk en ook niet bezien in hun onderlinge verband en samenhang:

- in genoemde jaarstukken wordt het perceel niet genoemd, waarbij die stukken zijn opgemaakt ná het overlijden van erflater;

- de gecombineerde opgave over 2023 is van ná het overlijden van erflater;

- dat de maatschap verschillende jaren de aanslagen voor de gemeentelijke belastingen
voor het perceel heeft betaald op aangeven van erflater, wil nog niet zeggen dat het gebruik lag bij de maatschap. De aanslagen zagen op alle percelen die op naam van erflater stonden, dus ook op het perceel. Daarnaast kunnen aan het betalen van de aanslagen door de maatschap ook andere overwegingen ten grondslag hebben gelegen voor erflater dan dat het gebruik en het genot van het perceel bij de maatschap lag. De grief van [appellant] dat de rechtbank die betalingen ten onrechte doorslaggevend heeft geacht voor het bewijs slaagt dan ook;
- de landbouwvrijstelling die indertijd bij de verwerving van het perceel door erflater is verkregen zegt op zichzelf nog niet dat genot en gebruik van het perceel in de maatschap was ingebracht. Ook niet als die landbouwvrijstelling nog steeds bestaat; er kunnen voor erflater ook andere redenen zijn geweest om die landbouwvrijstelling te handhaven. Daarbij wordt opgemerkt dat erflater naast de maatschap ook een eigen bedrijf had waarin hij onroerend goed exploiteerde;

- de toetreding van [geïntimeerde] tot de maatschap zegt niet dat erflater ook wilde dat dit perceel in eigendom aan [geïntimeerde] zou gaan toebehoren; in het testament was zij al benoemd tot enig erfgenaam. Zij zou op grond daarvan al eigenaar worden van alle percelen van erflater (behalve die welke hij gelegateerd zou hebben, zoals het perceel). Mogelijk is zij alleen toegetreden tot de maatschap om de koopoptie over te laten gaan van [naam2] op haar. Daarmee was immers verzekerd dat de eigendom van de door de maatschap gebruikte landerijen ná en door het overlijden van erflater niet van [geïntimeerde] zou overgaan op hem. In dat verband wordt opgemerkt dat in de aanvullende maatschapsovereenkomst aan [naam2] in het geheel geen koopoptie (meer) is toegekend, ook niet als [geïntimeerde] van de hare geen gebruik zou maken;

- dat het perceel jarenlang in gebruik was bij de maatschap, is niet onderbouwd. De eco-regeling, waarvoor het perceel volgens [geïntimeerde] van belang zou zijn om voor een hogere categorie vergoeding (goud) in aanmerking te kunnen komen, is volgens eigen verklaring van [geïntimeerde] pas van kracht vanaf 2023. Voor het beroep van [geïntimeerde] op een verslag met bijbehorende brief van een gesprek met de gemeente [gemeentenaam] op 8 juli 2016 over onder meer de bouw van een schuur mogelijk op het perceel, geldt dat dit gesprek al had plaatsgevonden vóór de oprichting van de maatschap met [naam2] . Bovendien is de schuur niet gebouwd op het perceel, terwijl de in dit verband overgelegde offerte van een aannemer met “ [straatnaam1] ” verwijst naar een andere locatie;

- de schriftelijke verklaring van de notaris waarin hij gemotiveerd verklaart dat en waarom het aannemelijk is dat erflater het gebruik en genot van ook het perceel heeft ingebracht in de maatschap – kort gezegd: het perceel heeft behoord tot de eerdere maatschap van erflater met zijn broers, is daarna aan hem toebedeeld waarbij de landbouwvrijstelling op het perceel is blijven rusten – laat de mogelijkheid open dat het gebruik en genot van het perceel (toch) niet is ingebracht. De notaris verklaart ook niet dat het hem uit eigen wetenschap bekend is dat het perceel behoorde tot de landerijen waarvan erflater het gebruik en genot heeft ingebracht in de maatschap;

- ook de verklaring van de accountant dat het perceel voor het overlijden van erflater “feitelijk en fiscaal deel uit [maakte] van het bedrijfsvermogen” is zonder afdoende onderbouwing van die verklaring, die ontbreekt, op zichzelf van onvoldoende gewicht. Integendeel, uit zijn verklaring blijkt juist dat het perceel bij leven van erflater niet in de balans van de maatschap was opgenomen, terwijl in deze verklaring ook wordt gerefereerd aan ‘de onderneming van [naam1] ’, daarmee kennelijk doelend op zijn bedrijf waarin hij onroerend goed exploiteerde.



5.9
Uit voormelde bescheiden en omstandigheden, afzonderlijk en bezien in hun samenhang, kan niet meer worden afgeleid dan dat er aanwijzingen zijn die erop zouden kunnen duiden dat het perceel inderdaad behoorde tot de landerijen waarvan het gebruik en genot door erflater is ingebracht in de maatschap. Daartegenover staan echter ook diverse, door [appellant] genoemde, omstandigheden die erop zouden kunnen duiden dat het perceel juist buiten die landerijen is gelaten:
- erflater heeft volgens de maatschapsovereenkomst ingebracht zijn landerijen die zijn gelegen “nabij [woonplaats2] ”, terwijl het perceel ligt in (de dorpskern van) [woonplaats2] , op ruime afstand van de andere landerijen die liggen om en nabij de boerderij van de maatschap;

- in de maatschap zijn door erflater ingebracht zijn landerijen met een oppervlakte van “ongeveer 20 hectare en vijftig centiare (20.50.00 hectare)”. [appellant] heeft onweersproken aangevoerd dat alle landerijen van erflater die liggen nabij [woonplaats2] – en daarmee om en nabij de boerderij van de maatschap – al een gezamenlijke oppervlakte hebben van 20.69.40 hectare, dus al meer dan de bij benadering opgegeven oppervlakte van 20,5 hectare;

- in hoger beroep is vast komen te staan dat het perceel niet is opgenomen in de gecombineerde opgave van de maatschap over 2020 en 2021, terwijl gesteld noch gebleken is dat dat in de jaren vanaf 2017 anders is geweest. Het opnemen in de gecombineerde opgave is wettelijk verplicht (artikel 24 Landbouwwet) als het perceel daadwerkelijk bij de maatschap in agrarisch gebruik zou zijn geweest. De verklaring aan de zijde van [geïntimeerde] dat de maatschap zich van die verplichting niet bewust is geweest, dient voor haar risico te worden gelaten en is opmerkelijk als, zoals [geïntimeerde] stelt, het perceel essentieel is (en was) voor de bedrijfsvoering van de maatschap. In dat verband wordt nog opgemerkt dat op foto’s van het perceel uit 2022 alleen is te zien dat het perceel ongebruikt was en de daarop staande schuur vervallen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat het perceel in gebruik was voor de stalling van landbouwmaterieel, maar uit een door [geïntimeerde] ter onderbouwing overgelegde foto kan hooguit worden afgeleid dat het gebruikt werd voor afgedankte machines.



5.10
Al de onder 5.8 en 5.9 vermelde feiten en omstandigheden in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat door [geïntimeerde] niet het bewijs is geleverd dat ook het gebruik en genot van het perceel door erflater is ingebracht in de maatschap. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep verder geen voldoende gespecificeerd nader bewijs aangeboden van omstandigheden die, indien bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel.
De slotsom is daarmee dat het verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering van [appellant] tot afgifte van het legaat alleen al faalt, omdat de premisse dat door erflater ook het gebruik en genot van het perceel was ingebracht in de maatschap niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan. Daarmee ontvalt de bodem aan het beroep van [geïntimeerde] op de koopoptie.


de koopoptie doorkruist niet het legaat




5.11
Maar ook als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de koopoptie wel op (ook) het perceel rustte, leidt dat nog niet tot het oordeel dat het legaat is komen te vervallen en niet kan worden afgegeven. Dat is een tweede, zelfstandige reden waarom het verweer van [geïntimeerde] tegen de gevorderde afgifte van het legaat geen stand houdt. Het hof licht dat als volgt toe.


5.12
Artikel 4:94 lid 1 BW bepaalt dat een legaat van een bepaald goed (in dit geval het perceel) vervalt als het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. Volgens artikel 4:94 lid 3 BW wordt een goed geacht niet tot de nalatenschap te behoren, indien de erflater tot overdracht van het goed verplicht was en de verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan.


5.13

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat die situatie zich hier voordoet. De koopoptie schiep voor erflater de verbintenis om het perceel aan haar over te dragen en die verbintenis is niet door zijn overlijden tenietgegaan. [geïntimeerde] heeft de koopoptie ook ingeroepen met de verklaring van 7 oktober 2023. Door de aanvaarding van de koopoptie heeft met terugwerkende kracht het perceel niet tot de nalatenschap behoord. Het is inmiddels tot het vermogen van de maatschap gaan behoren. Door een en ander is het legaat komen te vervallen, aldus [geïntimeerde] .


5.14
Het standpunt dat door de koopoptie en/of door de aanvaarding daarvan het legaat van het perceel is komen te vervallen, wordt door het hof verworpen.

5.14.1
In de eerste plaats riep de koopoptie op zichzelf nog geen verbintenis in het leven voor erflater om de landerijen waarvan het gebruik en genot door hem was ingebracht in de maatschap, te leveren aan [geïntimeerde] . Een verplichting tot levering ontstaat bij een koopoptie pas als door de optiegerechtigde aanspraak is gemaakt op de optie jegens de optiegever. In dit geval zou die verplichting pas ontstaan nadat i) de maatschap was beëindigd (in dit geval door het overlijden van erflater), ii) [geïntimeerde] had verklaard die maatschap voort te zullen zetten en iii) zij ook een beroep op die koopoptie had gedaan. De verplichting tot levering zou dus pas na het overlijden van erflater kunnen ontstaan en zou dan rusten op zijn erfgenaam ( [geïntimeerde] ). Die verplichting heeft naar zijn aard geen terugwerkende kracht; de eigendom van de landerijen zou ook pas overgaan met de notariële levering daarvan. De situatie van artikel 4:94 lid 3 BW doet zich hier dus niet voor en het perceel behoorde dus wel tot de nalatenschap.


5.14.2
In de tweede plaats is niet gebleken dat [geïntimeerde] de koopoptie ook daadwerkelijk heeft ingeroepen. [geïntimeerde] beroept zich daarvoor op de verklaring tot voortzetting van de maatschap van 7 oktober 2023. In die verklaring valt echter niet te lezen dat [geïntimeerde] de koopoptie inroept. Daarin valt alleen te lezen dat zij gebruik maakt van de mogelijkheid om het bedrijf van de maatschap voort te zetten met inachtneming van de in artikel 14 van de gewijzigde overeenkomst opgenomen bedingen. De koopoptie vormt echter niet een beding als bedoeld in dat artikel. In de tekst van artikel 14 na sub b. wordt weliswaar de mogelijkheid geboden aan [geïntimeerde] om bij voortzetting van de maatschap de eigendom te verwerven van de landgoederen waarvan erflater het gebruik en genot had ingebracht in de maatschap, maar die mogelijkheid is niet geformuleerd als een beding (voorwaarde) om de maatschap voort te kunnen zetten. Het kunnen verwerven van de landerijen kan niet anders worden opgevat dan als alleen een mogelijkheid voor [geïntimeerde] in geval van voortzetting van de maatschap door haar. Dat [geïntimeerde] ook van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, blijkt verder nergens uit. Dat is ook niet goed voorstelbaar, want onnodig. Het zou betekenen dat zij aanspraak op zichzelf zou hebben gemaakt om landgoederen te verwerven waarvan zij als erfgenaam de eigendom al had verworven.



5.14.3
Overigens wordt opgemerkt dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat het legaat niet meer zou kunnen worden afgegeven, omdat het inmiddels tot de maatschap behoort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] echter verklaard dat het perceel nog steeds haar eigendom is. Ook verder is niet gebleken van omstandigheden die er voor [geïntimeerde] aan in de weg zouden staan om het legaat af te geven.


tenslotte





5.15
Bij al het vorenstaande kan nog het volgende worden bedacht.Het legaat is door erflater gemaakt slechts twee maanden nadat hij de aanvullende maatschapsovereenkomst had ondertekend. De aanvulling op het testament omvatte uitsluitend het legaat van het perceel aan [appellant] . Onder die omstandigheden mag aangenomen worden dat erflater zich bewust zal zijn geweest dat de koopoptie in de aanvullende maatschapsovereenkomst was overgegaan van [naam2] op [geïntimeerde] . Erflater heeft daarin geen reden gezien om het legaat niet te maken. Dat is alleen begrijpelijk in twee situaties: a) erflater wist dat het perceel niet viel onder de koopoptie omdat hij het gebruik en genot van het perceel niet had ingebracht in de maatschap, of b) erflater is ervan uitgegaan dat de koopoptie het legaat niet zou doorkruisen. Als hij niet van (één van) die situaties zou zijn uitgegaan zou hij immers een zinloos legaat hebben gemaakt. Het ligt bepaald niet voor de hand om daarvan uit te gaan. [geïntimeerde] heeft wel gesuggereerd dat erflater het legaat heeft gemaakt onder druk van [appellant] , maar [appellant] heeft dat uitdrukkelijk betwist en daarvan is verder in het geheel niet gebleken, zodat aan die mogelijkheid voorbij gegaan moet worden. Kennelijk heeft erflater aan [geïntimeerde] de aan hem in eigendom toekomende agrarische landerijen willen nalaten, zodat zij daarmee het bedrijf van de maatschap kan voortzetten, met uitzondering van het aan [appellant] gelegateerde perceel. De omstandigheid dat erflater diverse andere percelen (met natuurgrond dan wel met daarop recreatiewoningen) (ook) heeft gelegateerd, ondersteunt dat.


slotsom




5.16
De hierboven besproken verweren van [geïntimeerde] tegen de afgifte van het legaat aan [appellant] falen dus en in zoverre slagen de grieven van [appellant] tegen de bestreden vonnissen. [geïntimeerde] heeft verder geen andere verweren aangevoerd die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het legaat niet door haar zou moeten worden afgegeven. Het legaat zal daarom door [geïntimeerde] aan [appellant] moeten worden afgegeven. Daarvoor zal een termijn worden bepaald als in het dictum aangegeven. Bij het niet nakomen door [geïntimeerde] van die verplichting zal, nu dat door [appellant] is gevorderd, het arrest in de plaats treden op de voet van artikel 3:300 BW, zoals in het dictum vermeld. De overige grieven van [appellant] behoeven daarmee geen bespreking.



5.17
Bij de vordering tot verklaring voor recht dat het perceel behoort tot de nalatenschap van erflater heeft [appellant] bij deze stand van zaken geen zelfstandig belang. Ook bij zijn overige (voorwaardelijke) vorderingen heeft hij geen belang (meer), zodat die onbesproken zullen blijven respectievelijk zal worden afgewezen.

de conclusie




5.18
Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Dit geldt niet voor de proceskosten verband houdende met de verwijzing van de zaak van de kantonrechter naar de rechtbank. Daarin blijft [appellant] de partij die nodeloos de kosten heeft gemaakt. Om onduidelijkheden te voorkomen zal het hof de vonnissen van 23 oktober 2024 en 13 augustus 2025 geheel vernietigen en opnieuw beslissen als hiervoor is weergegeven. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.






6De beslissing

Het hof:


6.1
verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 19 december 2023;



6.2
wijst af de vordering van [appellant] in het incident;



6.3
vernietigt de vonnissen van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 23 oktober 2024 en 13 augustus 2025, en beslist opnieuw rechtdoende:


6.4
gelast [geïntimeerde] in privé dan wel in haar hoedanigheid als vereffenaar om binnen twee maanden na de datum van dit arrest over te gaan tot afgifte van het legaat aan [appellant] , bestaande uit de levering en eigendomsoverdracht van het perceel grond met erf, tuin en verder toebehoren, gelegen nabij de [straatnaam2] te [woonplaats2] , kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] [nummer] , groot zestien are en veertig centiare, onder de verplichting van [appellant] om de kosten hiervan te voldoen en om de op het gelegateerde perceel drukkende belastingclaim te voldoen;


6.5
bepaalt dat bij gebreke hiervan dit arrest op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering aan [appellant] van het gelegateerde perceel, hiervoor omschreven, noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [geïntimeerde] ;



6.6
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten – behoudens die van het incident – van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 228,00 aan griffierecht
€ 129,73 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 2.149 aan salaris van de advocaat van [appellant] (3,5 procespunten x het toepasselijke tarief II)

en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
€ 362 aan griffierecht
€ 144,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 3.225 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II in hoger beroep);



6.7
veroordeelt [appellant] tot betaling van de kosten van het incident in de procedure bij de rechtbank, te begroten op € 307 (0,5 punt x tarief II);



6.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



6.9
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, W.F. Boele en T.K. Lekkerkerker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 juli 2026.












Geen van deze vonnissen zijn gepubliceerd.


De beschrijvingsbiljetten als bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak