Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:5743 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:22-09-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/1166
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Wet Woz. Waardevaststelling reddingsstation.
Trefwoorden:ozb
taxatie
vrijwilligers
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1166
uitspraakdatum: 1 september 2026


Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2024, nummer LEE 23/443, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Terschelling (hierna: de heffingsambtenaar)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [straatnaam1] 5 te [plaatsnaam1] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 267.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2022 (OZB) eigenaar niet-woning respectievelijk gebruiker niet-woning vastgesteld, waarvoor de vastgestelde waarde als heffingsmaatstaf geldt.



1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord J.F.J.M. van Abbe, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, een reddingsstation, gebouwd in 1937. Het reddingsstation is 24 uur per dag bereikbaar voor het helpen en redden van mensen op (en in) het water, waarbij de hulpverlening wordt uitgevoerd door vrijwilligers. Het reddingsstation bestaat uit een werkplaats (46 m²), twee loodsen (135 en 157 m²), een kantine (44 m²), een entree/garderobe (54 m²) en een opslag/magazijn (60 m²), in totaal derhalve 496 m². De grond bij de niet-woning is 843 m². De extra grond bedraagt 1.381 m². Het reddingsstation is in 1999/2000 gebouwd en in 2011 intern gerenoveerd.



2.2.
De taxateur van de heffingsambtenaar, [naam3] , heeft de waarde in een taxatierapport, opgemaakt op 26 april 2023, op € 277.000 bepaald.



2.3.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in beroep een taxatierapport overgelegd, op 18 januari 2023 opgesteld door [naam4] , waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van € 216.000.



2.4.
In de Taxatiewijzer en kengetallen Algemeen deel, Waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: de Taxatiewijzer Algemeen 2021) is vermeld hoe moet worden omgegaan met correcties op de kengetallen. Met betrekking tot de werkwijze bij toepassen van een correctie wegens afwijking van de in de kengetallen voor het betreffende archetype vermelde standaardgrootte is in de Taxatiewijzer Algemeen 2021 – voor zover van belang – het volgende opgenomen (blz. 56 tot en met 59):

“6.2 Grootte

In de specifieke taxatiewijzers is bij de meeste kengetallen een standaardgrootte vermeld. Indien een gebouw dat onderdeel uitmaakt van een WOZ-object hier substantieel van afwijkt (kleiner of groter) dan zullen de werkelijke bouwkosten ook hoger of lager zijn. Bij de taxatie zal hiervoor moeten worden gecorrigeerd. (…)

De achtergrond van een correctie voor grootte hangt bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde samen met het feit dat bij grotere bouwwerken de gemiddelde bouwkosten per vierkante meter lager zijn.

(…)


Werkwijze bij toepassen correctie voor grootte

Bij de kengetallen in de diverse taxatiewijzers staat steeds een standaardgrootte aangegeven. Zodra het te taxeren WOZ (deel)object qua grootte hiervan afwijkt, moet in beginsel gecorrigeerd worden. (…)

Voor het bepalen van de juiste correctiefactor wordt uitgegaan van de totale grootte van een gebouw en niet van de oppervlakte van het deelobject dat wordt getaxeerd. Daarom worden bij het bepalen van de correctie grootte door het systeem TIOX alle WOZ-deelobjecten die behoren tot één WOZ-object en die eenzelfde archetypecodering hebben, bij elkaar opgeteld. Dit zijn immers veelal WOZ-deelobjecten die worden onderscheiden binnen één gebouw. Als deze aanname niet correct is en de desbetreffende WOZ-deelobjecten zijn wel afzonderlijke gebouwen, dan zal de taxateur de correctie voor grootte handmatig moeten aanpassen.

Wanneer tot één WOZ-object meerdere gebouwen behoren, wordt de correctie grootte daarom ook per gebouw berekend en toegepast en niet voor het WOZ-object als geheel. Door het clusteren van WOZ-deelobjecten met eenzelfde archetypecode wordt meestal een correcte inschatting gemaakt van het aantal gebouwen behorend tot het WOZ-deelobject, waarvoor bepaald moet worden of al dan niet een correctie grootte aan de orde is en hoe groot deze correctie is. (…)


Achtergrond van correctie voor grootte bij de gecorrigeerde vervangingswaarde.

Voor het maken van een begroting voor de bouwkosten van een nieuw te bouwen object, worden de elementen van een bouwwerk afzonderlijk begroot. In een dergelijke “elementenbegroting” is zichtbaar dat “binnen- en buitenwanden” een belangrijk deel van de kosten vormen. Omdat kleinere bouwwerken relatief veel wanden hebben ten opzichte van grotere bouwwerken leidt dit tot een hogere bouwprijs per vierkante meter. Deze berekening van de bouwprijs per vierkante meter bij verschillende grootte van het gebouw, kan in een grafiek worden weergegeven. (…)

[grafieken opgenomen]

In de taxatiewijzers wordt in beginsel bij alle archetypen een standaardgrootte weergegeven. De standaardgrootte betreft de omvang van het gebouw die in de praktijk het meest voorkomt. Dit betekent dat in veel gevallen een correctie voor grootte niet nodig is, omdat het te taxeren object qua grootte overeenkomt met het “standaardobject”.

Indien wel sprake is van een afwijkende grootte, wordt de correctie berekend, door de verhouding te bepalen tussen het verhoudingsgetal in de bovenstaande grafiek bij de grootte van het te taxeren object en het verhoudingsgetal bij de standaardgrootte.

(…)

Omdat het “aflezen” van de verhoudingsgetallen uit de bovenstaande grafiek van groot belang is voor het berekenen van de correctie worden de “af te lezen” eenheden in hiernavolgende tabel weergegeven. Indien de standaardgrootte of de grootte van het te taxeren object niet in deze tabel voorkomen, dan kan (lineair) geïnterpoleerd worden tussen de opgegeven groottes. Bij een (standaard)grootte onder de 100 vierkante meter of boven de 6000 vierkante meter wordt gerekend met het opgegeven maximale of minimale verhoudingsgetal.

[volgt een tabel met “grootte” afgezet tegen “Verhoudingsgetal afgeleid uit geanalyseerde bouwkosten”]”.



2.5.
In de onder 2.2 en 2.3 genoemde rapporten hebben de taxateurs bij de waardering aansluiting gezocht bij de kengetallen die zijn genoemd in de Taxatiewijzer Algemeen 2021. Zij hebben voor de verschillende deelobjecten beiden de volgende archetypen gebruikt en in de betreffende taxatiewijzer zijn voor de kengetallen van deze archetypen de volgende standaardgrootten vermeld:









Deelobjecten


Archetypen


Standaardgrootte (in m²)




Werkplaats


X9010042


1.000




Loodsen (2)


B5101100


400




Kantine


B5102100


200




Entree/garderobe


B5102100


200




Opslag/magazijn


B5101300


400











3Geschil


3.1.
In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum te hoog is vastgesteld.



3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 247.000. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat in hoger beroep enkel in geschil is of in het in beroep overgelegde taxatierapport van de heffingsambtenaar 1) op de juiste wijze een correctie voor grootte is toegepast en 2) terecht geen afschrijving wegens functioneel veroudering (meer) is toegepast van 14,5%.



3.3.
De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer).



4.2.
Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Dit geldt ongeacht of die zaak courant dan wel incourant is, en ongeacht of die zaak al dan niet bruikbaar is voor commerciële doeleinden (vgl. HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3876). Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna te noemen: GVW). Het Hof heeft geen reden om partijen daarin niet te volgen.



4.3.
Voor de onderbouwing van de door hem beschikte waarde heeft de heffingsambtenaar gewezen op een door hem overgelegd taxatierapport, waarin taxateur [naam3] , de GVW op € 277.000 heeft bepaald. Blijkens dat taxatierapport heeft de taxateur gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer Algemeen 2021.



4.4.
Zowel (de taxateur van) de heffingsambtenaar als (de taxateur van) belanghebbende heeft de Taxatiewijzer Algemeen 2021 voor alle aspecten van de waardering van de onroerende zaak als uitgangspunt aanvaard. Tussen partijen is niet in geschil dat de heffingsambtenaar voor de waardebepaling de juiste archetypen (zie 2.5) volgens de Taxatiewijzer Algemeen 2021 voor de verschillende delen van het object heeft toegepast. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij dezelfde kengetallen, cijfers en tabellen, waaronder de verhoudingsgetallen voor de grootte, van de Taxatiewijzer Algemeen 2021, heeft toegepast als de heffingsambtenaar en dat hij uitgaat van dezelfde basis bruto vervangingswaarden, verdelingspercentages, grondwaarden en (nagenoeg) dezelfde restwaarden.


Vervangingswaarden; correctie grootte



4.5.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft bij de waardering een correctie toegepast in verband met de afwijking van de grootte van de te taxeren (deel)objecten ten opzichte van de in de Taxatiewijzer Algemeen 2021 voor de betreffende archetypen vermelde standaardgrootte. Daarbij heeft hij per afzonderlijk deelobject – de onder 2.5 genoemde deelobjecten – een correctiefactor bepaald door voor de teller uit te gaan van het verhoudingsgetal dat hoort bij de grootte (oppervlakte) van het betreffende deelobject waarbij zijn opgeteld de oppervlakten van de deelobjecten die eenzelfde archetypecodering hebben. Zo zijn beide loodsen voor de bepaling van het verhoudingsgetal geclusterd evenals de kantine samen met de entree/garderobe. In de noemer is de correctiefactor bepaald die hoort bij de voor de archetypen vermelde standaardgrootte.



4.6.
Belanghebbende is van mening dat in de teller voor alle – onder 2.5 genoemde – deelobjecten dient te worden uitgegaan van het verhoudingsgetal dat hoort bij de grootte van het gehele WOZ-object (496 m²). Dit dient dan per afzonderlijk deelobject te worden afgezet, zoals de heffingsambtenaar ook heeft gedaan, tegen het verhoudingsgetal in de noemer dat hoort bij de standaardgrootte van het betreffende deelobject. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat ook hij de in de Taxatiewijzer Algemeen 2021 beschreven werkwijze als uitgangspunt neemt, maar dat hij – de onder 2.4 vermelde – de beschrijving in de taxatiewijzer anders interpreteert dan de heffingsambtenaar.



4.7.
Het Hof stelt vast dat beide partijen zich hebben aangesloten bij de in de Taxatiewijzer Algemeen 2021 opgenomen werkwijze bij het toepassen van de correctie voor grootte. Partijen houdt verdeeld welke interpretatie van de beschreven werkwijze de juiste is. Het cijfermatige gevolg van de door belanghebbende voorgestane interpretatie is dat het verhoudingsgetal in de teller voor alle deelobjecten dezelfde is en in alle gevallen kleiner is dan de door de heffingsambtenaar berekende tellers, zodat de totaal in aanmerking te nemen vervangingswaarde op een lager bedrag wordt berekend.



4.8.
Uit de – onder 2.4 vermelde – beschrijving van de werkwijze van de correctie voor grootte, en de daarbij gegeven toelichting, maakt het Hof op dat alle WOZ-deelobjecten die behoren tot één WOZ-object én die eenzelfde archetypecodering hebben, bij elkaar dienen te worden opgeteld. Dit past binnen de achtergrond van de correctie. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van zes deelobjecten waarbij vier verschillende archetypen zijn te onderscheiden, zodat de heffingsambtenaar, naar het oordeel van het Hof, terecht is uitgaan van vier clusters. Dat hiervan in het onderhavige geval dient te worden afgeweken, is niet gebleken. De andersluidende interpretatie van belanghebbende, namelijk dat omdat de deelobjecten deel uitmaken van een groter gebouw in de teller van de correctiefactor dient te worden aangesloten bij de oppervlakte van het gehele WOZ-object, berust, naar het oordeel van het Hof, op een verkeerde lezing van de beschreven werkwijze.


Functionele veroudering



4.9.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat het op de weg ligt van belanghebbende om de feiten die meebrengen dat sprake is van economische veroudering te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. Indien en voor zover belanghebbende aan deze stelplicht en bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling in voldoende mate rekening heeft gehouden met het waardeverminderende effect dat uitgaat van de economische veroudering (vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1818).



4.10.
Belanghebbende heeft daartoe enkel gesteld dat de heffingsambtenaar in het oorspronkelijke taxatieverslag en in de uitspraak op bezwaar nog is uitgegaan van een afschrijving wegens functionele veroudering van 14,5%, maar deze correctie in de latere fasen van het geding heeft laten vallen. Daarmee heeft belanghebbende geen feiten gesteld die tot de conclusie leiden dat sprake is van functionele veroudering. Dat de heffingsambtenaar in eerste instantie nog was uitgegaan van functionele veroudering doet daaraan niet af. Bovendien staat het de heffingsambtenaar vrij in iedere stand van het geding, mits niet in strijd met de goede procesorde, een nieuwe onderbouwing van de in geschil zijnde waarde aan te dragen. Belanghebbende heeft ruim voldoende tijd gehad om te reageren op het in beroep door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport waarin geen afschrijving wegens functionele veroudering meer in aanmerking is genomen. In plaats van het zelfstandig onderbouwen van haar stelling dat sprake is van functionele veroudering, heeft belanghebbende ervoor gekozen om, ook in hoger beroep, slechts te volstaan met eerdergenoemde verwijzing.



4.11.
Gelet op het voorgaande, is het Hof van oordeel dat, nu de berekende GVW voor het overige niet in geschil is, de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld.


Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.






5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.





6Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.



De griffier, De voorzitter,






(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak