|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:616 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.344.397 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Bandenservicebedrijf, onderhuur, bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW. Bewijs van nader bedongen, hogere huurprijs niet geleverd. Geen huurachterstand, geen ontbinding en ontruiming. Algemene voorwaarden met boetebedingen, geen redelijke mogelijkheid geboden tot kennisname, vernietiging op grond van 6:233 sub b BW. Afwijzing gevorderde boete. | | Trefwoorden | : | huurovereenkomst | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.397
zaaknummer rechtbank 10767503
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellante] B.V. (hierna: [appellante] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. M.J. Wagemans
en
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1] (hierna: [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. G.L. Breunesse
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort , (hierna: de kantonrechter) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Naar aanleiding van het arrest van 10 september 2024 heeft op 7 oktober 2024 een mondelinge behandeling (na aanbrengen) bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijk uit:
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord en
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 29 oktober 2025 is gehouden en de daarin genoemde stukken. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellante] drijft (met haar dochtervennootschap, [naam2] B.V.) een reparatieservicebedrijf voor tuin-, park- en landbouwmachines. Zij is van oudsher gevestigd aan [adres1] maar heeft met het oog op uitbreiding van haar bedrijfsruimte het buurpand aan [adres2] (hierna ook: het pand) in 2023 in eigendom verkregen. Op [adres2] (hierna: het gehuurde) was toen al gevestigd [naam1] , de eenmanszaak van onderhuurder [geïntimeerde] . Tussen partijen is een geschil ontstaan over de aard van de huurovereenkomst en over de hoogte van de huurprijs.
2.2.
[appellante] heeft bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat tussen [appellante] en [geïntimeerde] sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:230a BW en dat [geïntimeerde] aan [appellante] een maandelijks huurbedrag verschuldigd is van € 2.368,80. Dit met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de opgelopen huurachterstand over de maand oktober 2023 (€ 263,55), vermeerderd met btw, (proces)kosten en rente. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.
2.3.
De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen van [appellante] alsnog worden toegewezen. In hoger beroep heeft [appellante] haar eis vermeerderd. Zij vordert in hoger beroep om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (door niet te betalen wat hij verschuldigd was), met veroordelingen van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.368,80 huur per maand (exclusief voorschotten). Daarnaast vordert zij dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de opgelopen huurachterstand (€ 3.173,01), en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de maandelijks verschuldigde huurprijs van € 3.537,85 (inclusief voorschotten), vermeerderd met (reeds opeisbare en nog te verschijnen) boetes en rente. Ook is de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde gevorderd. Dit alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten bij de kantonrechter en bij het hof.
2.4.
Het hof merkt de huurovereenkomst, net als de kantonrechter, aan als huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (kleinhandelsbedrijf). Over de huurprijs kan nog niet worden beslist, daarvoor krijgt [appellante] eerst de gelegenheid om te bewijzen dat de huurprijs die zij stelt, is overeengekomen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan namelijk pas worden vastgesteld of [geïntimeerde] te weinig huur heeft betaald en wat daarvan de gevolgen zijn. Over de verder te nemen beslissingen ten aanzien van de gevorderde ontbinding en ontruiming en boete kan wel alvast iets worden gezegd, vooruitlopend op die bewijslevering. Het wordt dus geen eindarrest maar een tussenbeslissing.
3De toelichting op de beslissing van het hof
3.1.
Voor een goed begrip van het geschil is de volgende achtergrond van belang (de vaststaande feiten). Toen [appellante] in 2023 de eigendom verkreeg van het pand aan [adres2] werd het (gehele) pand gehuurd door [naam3] B.V. (hierna: [naam3] ). Het gehuurde was door [naam3] eerst onderverhuurd aan [naam4] . In een aanvulling op deze overeenkomst van onderhuur (allonge 1), gedateerd op 14 augustus 2020, heeft [naam4] met toestemming van [naam3] alle rechten en verplichtingen uit de overeenkomst van onderhuur overgedragen aan [geïntimeerde] . [appellante] wilde - ter tegemoetkoming aan de eisen van de bank voor de financiering van het pand - dat de huurder ( [naam3] ) het pand zou verlaten. [appellante] en [naam3] hebben in dat kader een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst staat dat [naam3] de ruimte uiterlijk op 30 september 2023 leeg en ontruimd zal opleveren aan [appellante] . Daarnaast staat in de vaststellingsovereenkomst dat [appellante] de rechten van de onderhuurder ( [geïntimeerde] ) zal respecteren. Nadat [appellante] het pand in eigendom heeft gekregen op 27 juli 2023, heeft zij per brief van 31 juli 2023 de huur aan [geïntimeerde] opgezegd tegen 13 augustus 2024. In diezelfde brief heeft [appellante] [geïntimeerde] verzocht om de maandelijkse huur van € 2.368,80, vermeerderd met voorschotten vanaf 1 oktober 2023 aan haar te voldoen. [geïntimeerde] heeft daarop laten weten dat er geen rechtsgeldige huuropzegging heeft plaatsgevonden omdat er geen sprake is van 7:230a bedrijfsruimte, maar van 7:290 bedrijfsruimte. Ook heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten dat de door haar gevorderde huurprijs niet juist is.
Aard van de overeenkomst
3.2.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag hoe de door [geïntimeerde] gehuurde bedrijfsruimte moet worden gekwalificeerd. Volgens [geïntimeerde] gaat het om art. 7:290 BW bedrijfsruimte. [appellante] meent echter dat sprake is van art. 7:230a BW bedrijfsruimte. Onder art. 7:290 BW bedrijfsruimte wordt, voor zover hier van belang, verstaan:
“een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is.”
Als art. 7:230a BW bedrijfsruimte is aan te merken, kort gezegd, de gebouwde onroerende zaak (of een gedeelte daarvan) die niet kan worden aangemerkt als woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW. Het vaststellen van het toepasselijke huurregime is voor partijen van belang om een aantal redenen. Zo is de looptijd van de huurovereenkomst voor een art. 7:290 BW bedrijfsruimte minstens vijf jaar (terwijl bij een 7:230a BW bedrijfsruimte geen minimale huurtermijn geldt) en gelden er bij 7:290 BW bedrijfsruimte bijzondere formaliteiten voor de opzegging door de verhuurder (terwijl bij de huur van een 7:230a ruimte de huurder bij het eindigen van de huurovereenkomst slechts aanspraak heeft op ontruimingsbescherming). De ratio van de extra huurdersbescherming voor het kleinhandelsbedrijf is dat er sprake is van een zekere plaatsgebondenheid met een lokale klantenkring.
3.3.
Welk huurregime van toepassing is, is afhankelijk van de contractuele bestemming van het gehuurde. Om die bestemming te bepalen moet de huurovereenkomst worden uitgelegd volgens de zogenoemde Haviltex-maatstaf : het gaat erom wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten en moesten afleiden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is in dit kader beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de huurovereenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan.
3.4.
In de (hoofd)huurovereenkomst die [naam3] in 2014 als hoofdhuurder met (de beheerder van) de vorige eigenaar van het pand sloot staat als bovenschrift “huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”. Dit staat ook vermeld op de (onder)huurovereenkomst die [naam3] met ingang van 14 augustus 2020 is aangegaan met [naam4] In de (hoofd)huurovereenkomst uit 2014 staat onder 1.2 dat het gehuurde ( [adres2] ) uitsluitend door de huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt “als opslag, werkplaats, handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s met kantoorwerkzaamheden”. In de overeenkomst van onderhuur (van [naam3] met [naam4] en vervolgens via de allonge met [geïntimeerde] ) staat onder 1.2 dat het gehuurde uitsluitend door de huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt als “Magazijn, werkplaats, opslag, uitgiften en Kantoorruimte”. Kortom: het opschrift van de overeenkomsten wijst op 7:230a- bedrijfsruimte, de omschrijvingen van de bestemming (handel, uitgifte) geven ruimte voor een andere uitleg. Enkel op basis van deze bewoordingen kan dus nog niet worden uitgemaakt wat de contractuele bestemming van het gehuurde is.
3.5.
Van belang zijn dan ook de volgende feiten en omstandigheden die [geïntimeerde] aanvoert en die door [appellante] niet (voldoende gemotiveerd) zijn weersproken. [naam3] had als huurder (sinds 2014) aanvankelijk zelf een bandenservice in het autobedrijf, dat later als afzonderlijk bedrijf in het gehuurde werd voortgezet door [naam4] met zijn eenmanszaak [naam5] . In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam5] staan als activiteiten genoemd:
“Groothandel en handelsbemiddeling in banden
bandenservicebedrijven
handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s”
Het bandenservicebedrijf is vervolgens op dezelfde voet door [geïntimeerde] onder de naam [naam1] voortgezet in het gehuurde. [appellante] was - net als de vorige verhuurder/eigenaar - op de hoogte van de aanwezigheid van zowel [naam3] als [geïntimeerde] en van het bandenservicebedrijf in het gehuurde. Daarmee is dit (sinds jaren bestaande) feitelijke gebruik van het gehuurde ook aan te merken als de contractuele bestemming.
3.6.
Naar het oordeel van het hof betreft het gehuurde met deze bestemming (het bandenservicebedrijf van [geïntimeerde] ) een bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 BW. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij onder meer banden verwisselt en auto’s uitlijnt. Dit betreft het leveren van technische diensten op een niet-fabrieksmatige wijze, op vergelijkbare voet als bij de activiteiten van een autoschadeherstelbedrijf. Dat [geïntimeerde] daarbij gebruik maakt van machines doet aan de ambachtelijke aard van het werk niet af. Uit de aard van de verleende diensten vloeit bovendien voort dat klanten veelal uit de omgeving van [naam1] zullen komen, omdat het niet in de rede ligt om ver te reizen voor een bandenwissel. In de zaak worden ook (onder meer) banden en overige accessoires aan de klanten verkocht, zoveel staat wel vast.
3.7.
Volgens [appellante] is er geen sprake van een bedrijfsruimte die voor het publiek toegankelijk is. Het gaat dan om de afgesloten vooringang van het bedrijf en om de vraag of er een aparte ruimte is waar klanten naar binnen kunnen. Het hof volgt [appellante] niet in dit standpunt en komt daarbij tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. [geïntimeerde] heeft foto’s en reviews van Google overgelegd waaruit blijkt dat klanten in het bandenservicecentrum langskomen (waarvan de voor het publiek toegankelijke zij-ingang (werkplaatsdeur) kan worden gevonden met een uithangbord van het bedrijf), om (onder andere) banden te laten vervangen en dat er een ruimte is waar klanten kunnen wachten tijdens de vervanging/reparatie en er ook enkele auto-accessoires gekocht kunnen worden.
3.8.
Gelet op dit alles is voldaan aan de vereisten van 7:290- bedrijfsruimte, omdat er sprake is van een ambachts-, en kleinhandelsbedrijf met een voor het publiek toegankelijk lokaal waar diensten en goederen rechtstreeks worden geleverd. Dit betekent dat de grieven van [appellante] die hierop zien niet slagen.
Huurprijs
3.9.
[appellante] vordert een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] een maandelijkse huurprijs van € 2.368,80 exclusief btw verschuldigd is aan haar. [geïntimeerde] heeft van januari tot en met september 2023 dit bedrag als huur betaald. Vanaf oktober 2023 heeft [geïntimeerde] niet meer dit volledige bedrag betaald, zodat er volgens [appellante] inmiddels een huurachterstand van € 3.173,01 bestaat. [appellante] vordert betaling van dit bedrag met bijkomende kosten. Deze vorderingen zijn door [geïntimeerde] betwist en door de kantonrechter afgewezen. In hoger beroep komt [appellante] hiertegen op.
3.10.
In de onderhuurovereenkomst die tussen [naam3] en [naam4] is gesloten is bepaald dat de huurprijs (exclusief voorschotten) € 2.000,00 per maand bedraagt. Volgens artikel 4.5
van deze onderhuurovereenkomst wordt de huurprijs jaarlijks in januari (voor het eerst met ingang van januari 2021) aangepast overeenkomstig artikel 17.1 tot en met 17.3 van de algemene voorwaarden met een maximum van 4,5%. Per 1 november 2021 is [geïntimeerde] gestart met de exploitatie van [naam1] vanuit het gehuurde. Met het oog daarop zijn op de onderhuurovereenkomst in november 2021 twee allonges gemaakt. In de eerste allonge staat dat [naam4] al zijn rechten en verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst overdraagt aan [geïntimeerde] en de verschuldigde huurprijs (zonder voorschotten) € 2.100,00 per maand bedraagt. In de tweede allonge staat dat de verschuldigde kale huur voor de maanden november en december 2021 vooralsnog € 2.000,00 per maand is en de kale huur vanaf 1 januari 2022 € 2.100,00 per maand is. Verder staat vast dat [geïntimeerde] in de periode van januari 2023 tot en met september 2023 maandelijks € 2.368,80 (exclusief voorschotten) aan huur heeft betaald en dat in de vaststellingovereenkomst (gesloten tussen [appellante] en [naam3] op 22 juni 2023) is opgenomen dat de huurprijs van het gehuurde (exclusief voorschotten) € 2.368,80 per maand bedraagt.
3.11.
Volgens [appellante] gaf [geïntimeerde] met de betalingen van januari tot en met september 2023 uitvoering aan nadere afspraken die hij met [naam3] over de huurprijs had gemaakt. [naam6] , vertegenwoordiger van [naam3] , heeft daarover op schrift verklaard:
“Met ingang van 1 januari 2023 bedroeg de verschuldigde maandelijkse kale huurprijs € 2.368,80. Dat ben ik met de heer [geïntimeerde] overeengekomen. Dit vanwege de hoge indexatie die over 1 januari 2023 kon worden doorgevoerd, namelijk 14,5%. In afwijking van de afspraken in de huurovereenkomst over de indexatie, waarin een indexatiecap
staat opgenomen, is de huurprijs met ingang van 1 januari 2023 aangepast met een hogere indexatie dan contractueel was overeengekomen. Het verschil zou anders veel te groot worden. Die heer [geïntimeerde] begreep dat en was het met de huurverhoging van € 2.100,00 naar € 2.368,80 (exclusief btw) eens.”
Volgens [appellante] is [geïntimeerde] pas gaan protesteren tegen het in rekening brengen van deze huurprijs toen deze aan [appellante] moest worden betaald (per 1 oktober 2023) en [appellante] bij brief van 31 juli 2023 aan [geïntimeerde] had laten weten dat de huur tegen 13 augustus 2024 werd opgezegd.
3.12.
[geïntimeerde] betwist dat hij met [naam3] met ingang van 1 januari 2023 een maandelijkse huurprijs van € 2.368,80 exclusief btw is overeengekomen. Dit betreft een verhoging van 12,8% ten opzichte van de huurprijs van 2022. Op basis van de afspraken kon een dergelijke verhoging niet worden doorgevoerd; de verhoging was in de huurovereenkomst beperkt tot 4,5%. Wel juist is dat [geïntimeerde] de vanaf 1 januari 2023 door [naam3] in rekening gebrachte hogere huur heeft voldaan. Bij [naam6] is tegen het in rekening brengen van deze hogere huurprijs wel (mondeling) geprotesteerd, waarop [naam6] liet weten dat deze prijsverhoging vanuit de overheid was opgelegd en hij deze verhoging zelf ook aan de eigenares van het pand diende te betalen. Vanwege zijn afhankelijke positie als onderhuurder is [geïntimeerde] in goed vertrouwen op de juistheid van de mededeling van [naam6] afgegaan. [geïntimeerde] was ook beducht dat als hij de verhoging niet betaalde, er een achterstand zou kunnen ontstaan. [geïntimeerde] heeft zich niet gerealiseerd dat hij te veel huur betaalde. Pas nadat het conflict met [appellante] was ontstaan en zijn jurist wees op de te hoge huur, heeft [geïntimeerde] de betaling aangepast naar hetgeen hij op grond van de overeenkomst verschuldigd is.
Bewijsopdracht
3.13.
Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen blijkt uit de onderhuurovereenkomst en de daarbij overeengekomen allonges niet dat de door [appellante] gestelde huurprijs is overeengekomen, ook niet wanneer (uitgaande van een kale huurprijs van € 2.100,00) de contractueel op 4,5% gemaximeerde verhoging daarop wordt doorberekend. Voorts geldt dat
[geïntimeerde] geen partij was bij de vaststellingsovereenkomst (tussen [appellante] en [naam3] ) en hieraan dus niet is gebonden. Het komt dus aan op de vraag of tussen [naam3] en [geïntimeerde] de hogere huurprijs is afgesproken. Nu [appellante] zich hierop beroept en [geïntimeerde] dit gemotiveerd weerspreekt, zal [appellante] worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling, dat tussen [naam3] en [geïntimeerde] is overeengekomen dat de huurprijs voor het gehuurde (exclusief voorschotten) met ingang van 1 januari 2023 € 2.368,80 per maand bedraagt.
Huurachterstand
3.14.
Als [appellante] slaagt in het opgedragen bewijs ligt haar vordering betreffende de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de opgelopen huurachterstand (het verschil tussen de huurprijs die vanaf 1 oktober 2023 is betaald en de huurprijs die volgens de gestelde afspraken betaald had moeten worden) aan [appellante] voor toewijzing gereed. Tijdens de zitting heeft de advocaat van [appellante] de in hoger beroep vermeerderde vorderingen ten aanzien van de wettelijke handelsrente over de reeds verschenen en nog te verschijnen huurtermijnen ingetrokken. Als [appellante] slaagt in het bewijs, dan zal het hof de gevorderde ontbinding en ontruiming niet toewijzen. Hetzelfde geldt voor de contractuele boete, zoals hierna zal worden uitgelegd.
Geen ontbinding en ontruiming
3.15.
In het geval [appellante] slaagt in het bewijs ten aanzien van de overeengekomen hogere huurprijs dan staat daarmee ook vast dat [geïntimeerde] sinds oktober 2023 maandelijks te weinig huur heeft betaald. Dit levert een tekortkoming op. Voor [appellante] is dit reden om in hoger beroep ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen (en in het verlengde daarvan ontruiming van het gehuurde), waartegen [geïntimeerde] zich verweert. Op zichzelf geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dat is anders als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). [geïntimeerde] heeft zich in hoger beroep erop beroepen dat dit het geval is. Het hof overweegt dat in dit geval de gevorderde huurachterstand een bedrag betreft dat betrekkelijk klein is (ongeveer gelijk aan één maand huur) ten opzichte van de verhoging/indexering van de huurprijs die voorwerp van geschil was tussen partijen en waarover in deze procedure zal worden beslist. De gevolgen van een ontbinding (en ontruiming) zijn voor [geïntimeerde] , die dan op zoek moet naar een andere geschikte locatie om opnieuw te beginnen, erg groot en staan hiermee niet in een redelijke verhouding. Het hof zal de gevorderde ontbinding en ontruiming daarom niet toewijzen.
Geen boete
3.16.
Ingeval de hogere huurprijs (en daarmee een huurachterstand) komt vast te staan ligt ook de vraag voor of de door [appellante] gevorderde boete kan worden toegewezen. Volgens [appellante] is [geïntimeerde] op grond van artikel 23.2 van de algemene betalingen een direct en niet voor matiging vatbare opeisbare boete verschuldigd van € 4.500,00 over de periode oktober 2023 tot en met december 2024. Niet in geschil is dat [appellante] doelt op de algemene bepalingen waarnaar in artikel 2.1 van de huurovereenkomst is verwezen. Volgens [geïntimeerde] , die stelt niet bekend te zijn met deze huurvoorwaarden die tussen [naam3] en [naam4] zijn overeengekomen, heeft [naam3] deze bepalingen niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [geïntimeerde] ter hand gesteld, of op andere rechtsgeldige wijze aan hem verstrekt en zijn deze bedingen op grond van artikel 6:233 sub b BW daarom vernietigbaar.
3.17.
Vaststaat dat aan [geïntimeerde] zelf de algemene voorwaarden niet zijn verstrekt bij het aangaan van de hiervoor genoemde allonges op de huurovereenkomst met [naam3] . Volgens [appellante] hoefde dat ook niet omdat deze al eerder aan [naam4] waren verstrekt en [naam4] al zijn rechten en verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst heeft overgedragen aan [geïntimeerde] . Het hof volgt [appellante] niet in dit standpunt. Bij het aangaan van de huurovereenkomst was [naam3] de gebruiker van de algemene voorwaarden, waarvan de gelding door [naam4] als wederpartij is aanvaard. De strekking van de allonges is dat [geïntimeerde] als nieuwe onderhuurder een huurovereenkomst is aangegaan met [naam3] . Dat [geïntimeerde] daarbij kennis heeft genomen van de bij de allonges gevoegde huurovereenkomst die met [naam4] was gesloten wil niet zeggen dat daarmee aan hem een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen of dat hij daarmee op een andere wijze bekend was. Dat betekent dat het beroep in rechte op een vernietigingsgrond van [geïntimeerde] slaagt en dus succesvol is ter afwering van de gevorderde boete (die op de algemene voorwaarden steunt). Dat maakt dat de gevorderde boete zal worden afgewezen.
Conclusie
3.18.
De huurovereenkomst tussen partijen ziet op art. 7:290- bedrijfsruimte, omdat er sprake is van een ambachts-, en kleinhandelsbedrijf met een voor het publiek toegankelijk lokaal waar diensten en goederen rechtstreeks worden geleverd. [appellante] zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling, dat tussen [naam3] en [geïntimeerde] is overeengekomen dat de huurprijs voor het gehuurde (exclusief voorschotten) met ingang van 1 januari 2023 € 2.368,80 per maand bedraagt. Als zij niet in dit bewijs slaagt, dan blijft het vonnis van de kantonrechter geheel in stand. Slaagt zij wel in dit bewijs, dan zal [geïntimeerde] alsnog worden veroordeeld tot betaling van deze hogere huurprijs en de huurachterstand en blijft het bestreden vonnis voor het overige in stand.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
Het hof laat [appellante] toe te bewijzen dat tussen [naam3] en [geïntimeerde] is overeengekomen dat de huurprijs voor het gehuurde (exclusief voorschotten) met ingang van 1 januari 2023 € 2.368,80 per maand bedraagt.
4.2.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. Mans de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3.
[appellante] moet op dinsdag 17 februari 2026 (roldatum) laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4.
[appellante] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij/wederpartijen en de griffier van het hof opgeven.
4.5.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
4.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, L.A. de Vrey en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Parket bij de Hoge Raad, 05-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:955, onder 3.9
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|