Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:6631 
 
Datum uitspraak:13-10-2026
Datum gepubliceerd:03-11-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:25/2065
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Invordering. Proceskostenvergoeding.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/2065
uitspraakdatum: 13 oktober 2026


Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 16 juli 2025, nummer AWB 24/1644, in het geding tussen belanghebbenden en


de invorderingsambtenaar van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de invorderingsambtenaar)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbenden een aanmaning gezonden ter zake van aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing 2022. Daarbij is een bedrag van € 18 aan kosten in rekening gebracht.



1.2.
De invorderingsambtenaar heeft een dwangbevel betekend ter zake van de hiervoor vermelde aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing 2022. Daarbij is een bedrag van € 82 aan betekeningskosten in rekening gebracht.



1.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de invorderingsambtenaar het bezwaar tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk verklaard en de aanmaningskosten ambtshalve ingetrokken. Het bezwaar van belanghebbenden tegen de betekeningskosten heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2023 gegrond verklaard en daarbij heeft hij aan belanghebbenden een proceskostenvergoeding toegekend van € 74 (1 punt × wegingsfactor 0,25 × € 296).



1.4.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, kennelijk alleen voor zover het de proceskostenvergoeding betreft, de invorderingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbenden gemaakte kosten voor de bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van respectievelijk € 161,75 en € 453,50 en bepaald dat de invorderingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbenden vergoedt.



1.5.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Het Hof heeft partijen per brief van 5 februari 2026 in kennis gesteld over het feit dat het de zaak zonder mondelinge behandeling wenst af te doen, tenzij partijen uiterlijk 19 februari 2026 laten weten dat zij ter zitting gehoord willen worden. Belanghebbenden hebben daarmee ingestemd en de heffingsambtenaar heeft al in zijn verweerschrift toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.






2Vaststaande feiten


2.1.
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbenden een dwangbevel toegezonden en daarbij kosten van betekening in rekening gebracht, terwijl belanghebbenden uitstel van betaling hadden gevraagd. De invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de betekeningskosten vernietigd en een proceskostenvergoeding toegekend. Hij heeft bij de berekening van de proceskostenvergoeding een wegingsfactor 0,25 toegepast.



2.2.
Belanghebbenden hebben zich zowel bij de motivering van het beroep als ter zitting op het standpunt gesteld dat de invorderingsambtenaar de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, omdat hij ten onrechte een wegingsfactor 0,25 heeft toegepast.



2.3.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de invorderingsambtenaar de wegingsfactor van 0,25 terecht heeft toegepast, omdat het gaat om een zaak met een zeer gering belang en een zeer eenvoudig te beslechten geschil en de zaak slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener behoefde. Vervolgens heeft zij, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 27 mei 2022 en 12 juli 2024, het beroep gegrond verklaard en voor de bezwaarfase de proceskostenvergoeding vastgesteld op basis van een waarde per punt van € 647.



2.4.
De invorderingsambtenaar heeft aan (de gemachtigde van) belanghebbenden op 7 en 28 augustus 2025 per e-mail medegedeeld dat in zijn systeem meerdere rekeningnummer staan en gevraagd wat het juiste rekeningnummer is waarnaar de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt. Op die e-mails is niet geantwoord.



2.5.
Inmiddels heeft de invorderingsambtenaar de proceskostenvergoeding betaald nadat hij uit het hogerberoepschrift het bankrekeningnummer van belanghebbenden heeft vernomen.






3Geschil


3.1.
In geschil is de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor en de wettelijke rente die over het totale bedrag aan proceskosten en griffierecht moet worden vergoed.



3.2.
Belanghebbenden stellen dat de Rechtbank het Richtsnoer proceskostenvergoeding Belastingkamers Gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer) niet juist heeft gehanteerd. Daarin staat dat een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast indien het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de proceskosten. Daarnaast stellen belanghebbenden dat de invorderingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd is over de verschuldigde vergoeding van de gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat de betaling van die vergoedingen niet binnen vier weken na de uitspraak van de Rechtbank heeft plaatsgevonden.



3.3.
De invorderingsambtenaar sluit zich aan bij de uitspraak van de Rechtbank. Met betrekking tot de wettelijke rente stelt hij dat hij niet in verzuim is, omdat belanghebbenden niet op zijn e-mails hebben gereageerd waarin wordt gevraagd naar welke bankrekening de proceskostenvergoeding en het griffierecht moet worden overgemaakt.






4Beoordeling van het geschil


Wegingsfactor


4.1.
Het Hof toetst een rechtbank toegekende proceskostenvergoeding ten volle indien deze vergoeding in hoger beroep in geschil is.



4.2.
In het Richtsnoer staat dat bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen een wegingsfactor van 0,25 wordt aangehouden. Dat is onder meer het geval bij evidente tel- en rekenfouten in de berekening van de proceskostenvergoeding. Wanneer het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de proceskosten en geen sprake is van evidente fout in voormelde zin, dan geldt een wegingsfactor 0,5.



4.3.
Het staat feitelijk vast dat de invorderingsambtenaar aan belanghebbenden een dwangbevel heeft toegezonden, terwijl op dat moment al uitstel van betaling was gevraagd. Het Hof is het daarom met de Rechtbank eens dat de zaak een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener behoefde, omdat de rechtsbijstandsverlener alleen hoefde te wijzen op het verzoek om uitstel van betaling. Voor een hogere wegingsfactor dan voor de berekening van de proceskostenvergoeding voor de bezwaar is toegepast bestaat daarom geen aanleiding.



4.4.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat de invorderingsambtenaar bij de berekening van de proceskostenvergoeding is uitgegaan van het ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar geldende lagere tarief van € 296 per punt in plaats van € 597. Naar het oordeel van het Hof is dat een kwestie die voor de gemachtigde slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen zodat zij een wegingsfactor van 0,25 rechtvaardigen. In beroep was weliswaar ook de wegingsfactor voor de bezwaarkostenvergoeding in geschil, maar op dat punt zijn belanghebbenden in het ongelijk gesteld. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof – mede gelet op artikel 2, tweede lid, van het Besluit – terecht voor de beroepsfase een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd.


Wettelijke rente



4.5.
De uiterste datum voor het betalen van de vergoeding van griffierecht en proceskosten is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan waarin de veroordeling tot betaling van die vergoedingen is opgenomen. Als de schuldenaar niet tijdig betaalt, dan is hij in verzuim en is hij wettelijke rente verschuldigd over de periode dat hij in verzuim is.



4.6.
De invorderingsambtenaar heeft binnen vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in ieder geval twee keer aan belanghebbenden gevraagd naar welk rekeningnummer de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt. Belanghebbenden hebben niet gereageerd. Omdat belanghebbenden hebben verzuimd aan de invorderingsambtenaar mede te delen op welke bankrekening hij de proceskostenvergoeding wilde ontvangen, kon de invorderingsambtenaar de proceskosten en het griffierecht dus nog niet vergoeden. Daardoor waren belanghebbenden in verzuim en dus niet de invorderingsambtenaar. De invorderingsambtenaar is dus geen wettelijke rente verschuldigd



4.7.
Aan het voorgaande doet niet af de stelling van de gemachtigde van belanghebbenden dat beide e-mails door de in zijn vakantieperiode ontvangen grote hoeveelheid ongewenste en daardoor ongesorteerde e-mails onopgemerkt zijn gebleven. Die omstandigheid komt redelijkerwijs voor eigen rekening en risico. Ook zijn stelling dat hij voor aanvang van de zitting bij de Rechtbank een proceskostenformulier heeft overgelegd waarop een bankrekening vermeld stond leidt niet tot een ander oordeel. Uit het digitale dossier van de Rechtbank volgt namelijk dat het proceskostenformulier niet voor de invorderingsambtenaar was opengesteld. De invorderingsambtenaar wist dus niet dat er een ingevuld proceskostenformulier was ingediend en belanghebbenden konden daarvan – gelet op de hiervoor bedoelde e-mails – ook niet uitgaan.


Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.






5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.





6Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.


De beslissing is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.



De griffier, De voorzitter,






(R. Zeldenrust) (J. van de Merwe)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


ECLI:NL:HR:2022:752 en ECLI:NL:HR:2024:1060.


Bijlage bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.


Vgl. Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6427.


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, onder 2.2.2.


Artikelen 6:81 en 6:83, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 6:119, eerste lid, van het BW.


Artikel 6:58 van het BW.


Artikel 6:61 van het BW.
Link naar deze uitspraak