Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2025:1233 
 
Datum uitspraak:24-06-2025
Datum gepubliceerd:29-07-2025
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/892
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Art. 7:2, lid 1 Awb; art. 6.32, 6.33, lid 1, onderdelen a en b, 6.35, 6.38 Wet IB 2001; art. 41 UR IB 2001. Beroep bij Hof na toepassing judiciële lus artikel 8:113, lid 2 Awb. Geen schending hoorplicht. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat sprake is van een “periodieke gift” of van een “andere gift”. Verzoek om ambtshalve vermindering is terecht afgewezen. Toekenning vergoeding van immateriële schade.
Trefwoorden:aftrekbare giften
anbi
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
schenker
schenking
tarieven
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/892



Uitspraak van 24 juni 2025

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 3 oktober 2024 met referentienummer […] .




Procesverloop


1.1.
Belanghebbende heeft op 15 juni 2020 een herziene aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 ingediend. Deze aangifte is door de Inspecteur aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag (het verzoek om ambtshalve vermindering) als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).



1.2.
Bij beschikking van 29 december 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.



1.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 april 2023, nummer SGR 21/2467, het beroep ongegrond verklaard.



1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof (BK-23/492). Het Hof heeft bij uitspraak van 11 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1777, als volgt beslist:

“Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


wijst de zaak terug naar de Inspecteur teneinde een hoorgesprek met belanghebbende te voeren en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;


bepaalt dat tegen de door de Inspecteur te nemen uitspraak op bezwaar uitsluitend beroep kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter;


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 28,32, en


gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 185 aan griffierechten te vergoeden.”





1.6.
Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2024 (de uitspraak op bezwaar) heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.



1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 51 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.8.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 7 april 2016 aangifte IB/PVV 2015 (de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.533. In de aangifte heeft belanghebbende onder meer een giftenaftrek van in totaal € 1.900 vermeld, bestaande uit een gift van € 1.000 aan “ [de vereniging] ” (de vereniging) en een gift van € 900 aan de “ [de kerk] ” (de kerk). Met dagtekening 23 september 2016 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 (de aanslag) overeenkomstig de aangifte vastgesteld.



2.2.
De vereniging stond in het onderhavige jaar geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Bij beschikking van 24 oktober 2022 is de ANBI-status van de vereniging ingetrokken met terugwerkende kracht tot 23 maart 2018. De reden van de intrekking van de ANBI-status was dat de vereniging niet voldeed aan de voorwaarden ten aanzien van het voeren van een administratie en niet (volledig) voldeed aan de inlichtingenplicht en verder dat belanghebbende de enige bestuurder van de ANBI was, tot het moment dat belanghebbende op 9 september 2022 met terugwerkende kracht nog twee bestuurders registreerde bij de Kamer van Koophandel.



2.3.
Op 15 juni 2020 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2015 ingediend, waarin de gift aan de vereniging is verhoogd naar € 6.000. De Inspecteur heeft deze herziene aangifte aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en belanghebbende bij brief van 9 september 2020 om nadere informatie verzocht over de giften aan de vereniging en de kerk.



2.4.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 september 2020 gereageerd op het onder 2.3 bedoelde informatieverzoek. Onderaan zijn reactie op het informatieverzoek heeft hij met betrekking tot de gift aan de vereniging de tekst van een onderhandse schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 opgenomen.



2.5.
Bij brief van 29 december 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend en heeft in zijn bezwaarschrift niet verzocht te worden gehoord.



2.6.
Met dagtekening 10 februari 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie met betrekking tot de giften. Hierin heeft de Inspecteur belanghebbende ten aanzien van de giften aan de vereniging verzocht de oorspronkelijke versie van de in 2.4 genoemde schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 te overleggen.



2.7.
Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 19 februari 2021. In deze brief heeft belanghebbende niet verzocht te worden gehoord. Bij zijn brief heeft hij de ondertekende schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 overgelegd, die voor zover van belang, luidt:

“Partijen:


[de vereniging] , rsin […] , gevestigd te […] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door [belanghebbende] en [A] , hierna de ontvanger;


[belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1987, woonachtig te […] , hierna de schenker;

Zijn op 1 januari 2015 het volgende overeengekomen.

Schenker doneert voor onbepaalde tijd aan de ontvanger een bedrag van €6.000,-, zegge zes duizend euro. De penningmeester dhr. [A] verklaart op 1 januari 2015 dit bedrag in contanten te hebben ontvangen.”

Voorts heeft belanghebbende bij deze brief een schenkingsovereenkomst van 31 december 2015 overgelegd, waarin de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 wordt bekrachtigd en aangevuld. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Partijen:


[de vereniging] , rsin […] , gevestigd te […] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door [belanghebbende] en [A] , hierna te noemen de ontvanger;


[belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1987, woonachtig te […] , hierna te noemen schenker.

Wensen op 31 december 2015 de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 te bekrachtigen en aan te vullen dat het bedrag van €6.000,-, zegge zes duizend euro, op jaarlijkse basis is.”

Beide overeenkomsten zijn ondertekend door de penningmeester van de vereniging en door belanghebbende in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereniging.



2.8.
De Inspecteur heeft bij brief aan belanghebbende van 1 maart 2021 aangekondigd voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen en belanghebbende in de gelegenheid gesteld op de brief te reageren, indien gewenst zijn bezwaar mondeling toe te lichten en daarvoor telefonisch een afspraak te maken. De reactietermijn is door de Inspecteur op 15 maart 2021 gesteld, waarbij de Inspecteur heeft vermeld dat indien voor die tijd geen reactie is ontvangen het bezwaarschrift overeenkomstig de mededeling zal worden afgehandeld.



2.9.
Belanghebbende heeft bij brief van 5 maart 2021 gereageerd op de onder 2.8 bedoelde aankondiging en heeft daarin niet verzocht te worden gehoord.



2.10.
Tot de gedingstukken behoort een verzendbewijs van 4 maart 2021 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst.



2.11.
Bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 april 2023, nummer SGR 21/2467, het beroep ongegrond verklaard.



2.12.
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer overgelegd een financieel overzicht van de vereniging voor de jaren 2015 tot en met 2021 (het financieel overzicht) en een brief van 6 maart 2021, waarin hij in reactie op de onder 2.8 bedoelde brief de Inspecteur verzoekt hem in de bezwaarprocedure te horen.



2.13.
Ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 heeft belanghebbende onder meer een afschrift overgelegd van een e-mailbericht dat hij op 6 september 2022 heeft ontvangen van het Handelsregister KvK. Daarin staat vermeld:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek kan ik u bevestigen dat wij uw schrijven van 23 maart 2018 terug hebben gevonden. Helaas is door ons het formulier inzake de inschrijving van mevrouw [B] en [C] over het hoofd gezien. Helaas mogen wij dat zelf intern niet herstellen. U dient daarvoor opnieuw het formulier 22 moeten indienen. (…)”



2.14.
Ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 heeft belanghebbende voorts een verzendbewijs van 6 maart 2024 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst overgelegd.



2.15.
Het Hof heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting de zaak ter zitting van het Hof van 16 april 2024 geschorst en belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzendbewijs van de brief van 5 maart 2021 (zie 2.9) aan de griffier te zenden.


2.16.1.
Op 16 mei 2024 heeft belanghebbende bij e-mailbericht de griffier onder meer een verzendbewijs van 5 maart 2021 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst gezonden. Verder heeft belanghebbende daarbij (ongevraagd) een aantal stukken van de Kamer van Koophandel ingezonden.



2.16.2.
De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, bij brief van 24 mei 2024 op de onder 2.16.1 vermelde stukken gereageerd.



2.17.
Het Hof heeft bij uitspraak van 11 juli 2024 de zaak teruggewezen naar de Inspecteur teneinde een hoorgesprek met belanghebbende te voeren en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.



2.18.
Bij brief van 17 juli 2024, door de Inspecteur ontvangen op 22 juli 2024, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.



2.19.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft de Inspecteur de ontvangst van de onder 2.18 bedoelde brief bevestigd en heeft hij belanghebbende er op gewezen dat een ingebrekestelling niet kan worden ingediend voordat de beslistermijn is verstreken (6 weken na de uitspraak van het Hof). De Inspecteur heeft de ingebrekestelling vervolgens prematuur verklaard.



2.20.
Bij brief van 26 juli 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht uiterlijk 14 augustus 2024 contact met hem op te nemen teneinde een datum voor een hoorgesprek te kunnen afspreken. Belanghebbende heeft op 13 augustus 2024 telefonisch contact met de Inspecteur opgenomen. Bij brief van 14 augustus 2024 heeft de Inspecteur de afspraak voor het hoorgesprek op 13 september 2024 om 11.00 uur ten kantore van de Belastingdienst bevestigd.



2.21.
Bij brief van 26 augustus 2024, door de Inspecteur ontvangen op 27 augustus 2024, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.



2.22.
Bij brief van 10 september 2024 heeft de Inspecteur de ontvangst van de onder 2.21 bedoelde brief bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)
Uw brief verbaast mij. Niet alleen om de reden dat u zich in uw brief richt tot mevrouw (…), wetende dat u in deze zaak met mij in gesprek bent. Ook omdat u de inspecteur in gebreke stelt (…), terwijl wij eerder, op 13 augustus 2024, voor aanstaande vrijdag 13 september 2024 een hoorgesprek zijn overeengekomen. Ik vind dit alles opmerkelijk. Temeer daar u in ons telefoongesprek van 13 augustus 2024 geenszins blijk heeft gegeven van uw wens het hoorgesprek eerder te doen plaatsvinden (dan wel afhandeling van uw zaak (meer) te bespoedigen).

Wat hiervan ook zij, ik meen dat uw ingebrekestelling prematuur is. De werking van de uitspraak van het Hof wordt namelijk opgeschort totdat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is verstreken. Daarna gaat de bezwaarbeslistermijn lopen.

Tot aanstaande vrijdag.”



2.23.
Op 13 september 2024 heeft een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden.



2.24.
Bij brief van 13 september 2024, door de Inspecteur ontvangen op 17 september 2024, heeft belanghebbende een klacht ingediend over het hoorgesprek van 13 september 2024. De inhoud van de brief luidt als volgt:

“(…) De heer (…) begon het gesprek met verwijten. Hij zette de toon zo scherp in dat ik mij door hem namens uw voltallige organisatie geschoffeerd voelt.

(…) Uw behandelaar schoffeerde mij (…) ook al op de zitting bij het hof. Sarcastisch en lacherig doen over mijn verletkosten claim. Nu kwam meneer mij verwijten dat ik een ingebrekestelling heb gestuurd. Het was toch zijn vakantie die in de weg zat. Wat kan ik daar aan doen? Ik heb puur de procedure gevolgd die ik in elk bestuursrechtelijk geschil volg, namelijk het scherp zitten op de termijnen.

Door mij is nadrukkelijk aangegeven geschoffeerd te zijn. Door mij is nadrukkelijk aangegeven dat het nu daarom wijs is dat dit gesprek met een collega van de heer (…) plaatsvindt. Als wij fysiek in een ruimte waren geweest was ik de kamer uitgelopen. Zo begin je namelijk in mijn perceptie geen gesprek. Je hebt inhoud met elkaar, maar je gaat niet de ander lopen schofferen. Soms is het niet eens de woorden die gebruikt worden maar de belerende toon. Als u mij een schoon digitaal opslag element verstrekt zal ik u een kopie van deze opname verstrekken. Ook als ambtenaar heb je je aan fatsoensnormen te houden. Stelt u eens voor dat ik de andere kant op zo was begonnen, had u in mijn perceptie ook het recht gehad om het gesprek te beëindigen. Kennelijk in de perceptie van de heer (…) heb ik dat van de belastingdienst kennelijk te slikken.”



2.25.
Bij brief van 16 september 2024 heeft de Inspecteur een afschrift van het hoorverslag aan belanghebbende gezonden. Volgens het hoorverslag waren bij het hoorgesprek namens de Belastingdienst twee personen aanwezig, die tijdens het gesprek beiden het woord hebben gevoerd. Belanghebbende heeft bij brief van 19 september 2024 gereageerd op het hoorverslag.



2.26.
Bij de uitspraak op bezwaar (van 3 oktober 2024) heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.



2.27.
Bij brief van 5 december 2024 is door de afdeling Particulieren, Ondersteuning Burgers en Klachtbehandeling, van de Belastingdienst de door belanghebbende ingediende klacht (zie 2.24) afgehandeld. De conclusie van de brief is dat, gelet op de inhoud van de klachtenbrief en door het ontbreken van een mondelinge toelichting, geen oordeel kan worden gegeven over de klacht nu aan de beleving van belanghebbende niet meer of minder waarde is toe te kennen dan aan de beleving van de medewerkers van de Belastingdienst die bij het hoorgesprek van 13 september 2024 aanwezig waren.





Geschil in beroep en conclusies van partijen


3.1.
In geschil is of de hoorplicht wederom is geschonden en de zaak om die reden dient te worden teruggewezen naar de Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. In het geval het Hof het verzoek om terugwijzing van de zaak afwijst, is verder in geschil of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen en meer in het bijzonder of het verzoek van belanghebbende tot toekenning van een nadere giftenaftrek van € 5.000 terecht is afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend.


3.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur in verband met schending van de hoorplicht en subsidiair tot toekenning van het verzoek tot ambtshalve vermindering en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten in bezwaar en (hoger) beroep en om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.



3.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.





Beoordeling van het beroep


Afwijzing uitstelverzoek zitting



4.1.
Partijen zijn bij bericht van 27 maart 2025 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op 13 mei 2025. Bij brief van 5 april 2025, ingekomen op 8 april 2025, heeft belanghebbende om uitstel van de zitting gevraagd.



4.2.
Bij bericht van 8 april 2025 heeft het Hof het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen bij gebreke van een dwingende reden tot uitstel. De door belanghebbende genoemde reden kan niet als zodanige reden dienen. Belanghebbende is ter zitting verschenen en heeft in de afwijzing van het uitstelverzoek berust.


Schending hoorplicht



4.3.1.
Belanghebbende stelt primair dat de hoorplicht in de bezwaarfase wederom is geschonden. Tijdens het hoorgesprek verhief, aldus belanghebbende, de bezwaarbehandelaar zijn stem. Daarop heeft belanghebbende tijdens het hoorgesprek meermaals verzocht of een andere behandelaar kon worden aangewezen. Dit werd door de Inspecteur afgewezen. Ondanks het verzoek om een andere behandelaar heeft de Inspecteur op 3 oktober 2024 toch uitspraak op het bezwaar gedaan. Belanghebbende meent dat de Inspecteur hem in elk geval nog in de gelegenheid had moeten stellen zich schriftelijk over de zaak uit te laten, nadat het hoorgesprek voortijdig was beëindigd. Belanghebbende stelt daarom dat (wederom) sprake is van schending van de hoorplicht en wenst in verband hiermee terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.



4.3.2.
De Inspecteur stelt dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Belanghebbende is op 13 september 2024 gehoord. Op initiatief van belanghebbende heeft dit gesprek telefonisch en niet ten kantore van de Belastingdienst plaatsgevonden. In het hoorgesprek is belanghebbende niet inhoudelijk ingegaan op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Dit omdat belanghebbende meent dat hij is geschoffeerd door een van de bij het hoorgesprek aanwezige medewerkers van de Belastingdienst doordat deze volgens belanghebbende een scherpe toonzetting voerde.




4.4.
Ingevolge artikel 7:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 Awb gehoord op zijn verzoek.


4.5.
Het Hof heeft in de eerdere hogerberoepsprocedure ten aanzien van het onderhavige verzoek tot ambtshalve vermindering geoordeeld dat sprake is geweest van een schending van de hoorplicht als hiervoor vermeld, waarna het Hof de zaak heeft teruggewezen naar de Inspecteur teneinde belanghebbende alsnog te horen en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen (zie 2.17). Op 13 september 2024 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.



4.6.
Belanghebbendes primaire standpunt faalt. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Er is een hoorgesprek gevoerd, weliswaar telefonisch, maar dat is, in afwijking van de gemaakte afspraak (zie 2.20), op initiatief van belanghebbende op die wijze gebeurd. In dit hoorgesprek is de inhoud van de zaak (de giftenaftrek) niet aan bod gekomen, om reden dat de introductie van het gesprek volgens belanghebbende schofferend was gelet op de toonzetting waarmee hij zou zijn aangesproken omtrent de premature ingebrekestelling van 17 juli 2024 (zie 2.18). Uit het verslag van het hoorgesprek (zie 2.25) blijkt dat belanghebbende dit gevoel tijdens het hoorgesprek heeft benoemd en dat de Inspecteur heeft getracht dit gevoel weg te nemen en heeft benadrukt dat dit geen reden is het gesprek niet voort te zetten teneinde het over de inhoud te hebben. Belanghebbende heeft dit categorisch geweigerd. Gelet op de verdere inhoud van het hoorverslag is het Hof van oordeel dat het aan belanghebbende is toe te rekenen dat het hoorgesprek niet heeft geleid tot de gewenste, en met terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur beoogde, discussie over de inhoud van de zaak. De door belanghebbende ingediende klacht bij de Belastingdienst inzake het hoorgesprek is afgehandeld en de uitkomst daarvan leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof de vraag wat hij tijdens het hoorgesprek ten aanzien van de inhoud had willen aanvoeren in het geval het aldaar wel tot een inhoudelijke beoordeling was gekomen, beantwoord met enkel een herhaling van argumenten die eerder in de hogerberoepsprocedure met kenmerk BK-23/492 (zie 1.5) door hem zijn aangevoerd. Anders dan belanghebbende betoogt, bestaat er geen rechtsregel die de Inspecteur verplicht belanghebbende, nadat deze zelf een hoorgesprek voortijdig heeft beëindigd, de gelegenheid te bieden tot een schriftelijke reactie. Het Hof ziet dan ook geen enkele reden tot terugwijzing.


Giftenaftrek




4.7.
De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op belanghebbende. Belanghebbende stelt dat hij in het jaar 2015 een gift in contanten aan de vereniging heeft gedaan van € 6.000. Hij stelt dan ook dat zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, waarin reeds een bedrag van € 1.000 als gift aan de vereniging in aftrek is toegestaan, moet worden toegekend, zodat het totaal van het in zijn aanvullende aangifte vermelde bedrag van € 6.000 in aanmerking komt voor aftrek. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar de door hem overgelegde schenkingsovereenkomst(en), waarin de penningmeester van de vereniging heeft verklaard dat hij een bedrag van € 6.000 in ontvangst heeft genomen. Verder verwijst hij ter onderbouwing naar het onder 2.12 bedoelde financieel overzicht van de vereniging.



4.8.
Op grond van artikel 6.32 Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Op grond van artikel 6.33, eerste lid, onder a, Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 6:35 Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

Periodieke giften



4.9.
Artikel 6.38 Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren en dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld waaraan de onderhandse akte van schenking moet voldoen.



4.10.
De onder 4.9 bedoelde regels waaraan de onderhandse akte van schenking moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 41 van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (UR IB 2001). Dit artikel luidt als volgt:

“In de onderhandse akte van schenking, bedoeld in artikel 6.38 van de Wet IB 2001, worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
a. de naam, het adres en het burgerservicenummer van de belastingplichtige;
b. de naam en het nummer, bedoeld in artikel 1a, zevende lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, van de begiftigde instelling of vereniging, dan wel, ingeval het een buitenlandse vereniging is, een door de vestigingsstaat aan de begiftigde vereniging toegekend identificatienummer dat vergelijkbaar is met het nummer, bedoeld in artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;
c. het startjaar en de looptijd van de uitkeringen of verstrekkingen;
d. de jaarlijkse hoogte van de uitkeringen of een omschrijving van de verstrekkingen; en
e. een door de instelling of vereniging aan de schenking toe te kennen uniek transactienummer van ten hoogste vijftien cijfers.”



4.11.
Belanghebbende heeft een onderhandse akte van de vereniging overgelegd waaruit volgens hem zou blijken dat hij daadwerkelijk de periodieke gift in contanten heeft voldaan. Bij een periodieke gift moet een onderhandse akte voldoen aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 41 UR Wet IB 2001. De door belanghebbende overgelegde onderhandse akte voldoet, gelijk belanghebbende overigens ter zitting van 16 mei 2024 in de hogerberoepsprocedure met kenmerk BK-23/492 zelf ook heeft erkend, niet aan alle voorwaarden die in dit artikel zijn genoemd. Zo ontbreekt zowel een uniek transactienummer als het bsn-nummer van belanghebbende, en is de looptijd van de gift niet genoemd dan wel is niet aangegeven dat de gift eindigt bij een onzekere gebeurtenis. Belanghebbendes stelling ter zitting van het Hof van 16 mei 2024, later herhaald ter zitting van het Hof van 13 mei 2025, dat het ontbreken van eerdergenoemde gegevens in de onderhandse akte niet opzettelijk is geschied, maar dat dit een omissie betreft, kan belanghebbende niet baten, nu deze gegevens onderdeel van de voorwaarden voor giftenaftrek uitmaken. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst niet heeft voldaan aan haar informatieplicht ter zake op de website van de Belastingdienst gaat, tegenover de gemotiveerde en aannemelijke betwisting daarvan door de Inspecteur, die nog eens gestaafd wordt door de door belanghebbende in zijn beroepschrift geplaatste schermafbeeldingen daarvan, niet op. Belanghebbende heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een periodieke gift.


Andere giften



4.12.
Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 Wet IB 2001). In geval van betwisting door de inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.



4.13.
Belanghebbende stelt dat hij in het jaar 2015 giften in contanten heeft gedaan aan de vereniging tot een bedrag van (in totaal) € 6.000. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015, waarin de penningmeester verklaart dat bedrag op 1 januari 2015 in contanten te hebben ontvangen, en voorts naar het financieel overzicht van de vereniging (zie 2.12) waaruit volgens belanghebbende volgt dat de vereniging in het jaar 2015 een bedrag van € 2.342,50 aan fractievergoedingen heeft ontvangen en ruim € 8.842,50 aan kosten heeft gemaakt. Belanghebbende stelt dat het verschil tussen de kosten en de fractievergoedingen is voldaan met de donatie van belanghebbende.



4.14.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende overgelegde schenkingsovereenkomsten niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften. Niet alleen geldt daarvoor, aldus de Inspecteur, dat deze niet zijn gedagtekend en geen registratienummer bevatten, maar ook geldt dat belanghebbende in eerste instantie bij het doen van zowel zijn aangifte IB/PVV 2015 op 7 april 2016 als bij het doen van zijn aangifte IB/PVV 2016 op 26 maart 2017 in beide jaren een bedrag van € 1.000 als gift aan de vereniging in aanmerking heeft genomen en eerst later bij herziene aangiften voor die jaren het bedrag van € 6.000 voor die beide jaren heeft opgenomen.
De door hem overgelegde verklaring komt dan ook niet overeen met de ingediende aangiften voor de jaren 2015 en 2016. Indien belanghebbende reeds op 1 januari 2015 € 6.000 in contanten had geschonken aan de vereniging, is niet duidelijk waarom hij in zijn aangifte in eerste instantie € 1.000 als gift aan de vereniging in aftrek heeft gebracht. En in het jaar 2016 heeft hij dus ook zijn aangifte ingediend in strijd met de door hem overgelegde verklaring. Dat maakt de verklaring twijfelachtig, aldus de Inspecteur. Om die reden is terecht in de verzoek- en bezwaarfase om ondersteunend bewijs gevraagd. Belanghebbende heeft echter geen ondersteunend bewijs overgelegd. De verwijzing van belanghebbende naar het financieel overzicht van de vereniging kan, aldus de Inspecteur, niet dienen als bewijs nu uit het onderzoek naar de ANBI-status van de vereniging (zie 2.2) blijkt dat de jaarcijfers achteraf door belanghebbende zijn opgemaakt en hierin bovendien niet staat vermeld van wie (een) donatie(s) is (zijn) ontvangen. Er is, aldus de Inspecteur, niet gebleken dat het door belanghebbende in zijn herziene aangifte voor 2015 als gift geclaimde bedrag van € 6.000 ten goede is gekomen aan de vereniging.



4.15.
Het Hof komt tot het volgende oordeel. Aan de enkele verklaring van de penningmeester in de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 kan op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking dat belanghebbende in eerste instantie bij het doen van zowel zijn aangifte IB/PVV 2015 op 7 april 2016 als bij het doen van zijn aangifte IB/PVV 2016 op 26 maart 2017 in beide jaren slechts een bedrag van € 1.000 als gift aan de vereniging in aanmerking heeft genomen en pas later bij herziene aangiften voor die jaren het bedrag van € 6.000 voor die beide jaren heeft opgenomen, en dat de schenkingsovereenkomst later is opgemaakt en nadien nog is aangepast teneinde mogelijk (beter) binnen de voorwaarden voor giftenaftrek te passen. Als aanvullend bewijs heeft belanghebbende het financieel overzicht van de vereniging overgelegd. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, volgt daaruit niet van wie de daarin vermelde “donaties en inkomsten” ad € 6.500 zijn ontvangen en evenmin dat een gift van € 6.000 door belanghebbende is gedaan en ten goede is gekomen aan de vereniging. Dat belanghebbende, naar hij ter zitting van het Hof van 16 april 2024 in de hogerberoepsprocedure heeft gesteld, het als vertegenwoordiger van een politieke partij niet juist acht de namen van donateurs te vermelden, en dat dit ook niet verplicht zou zijn, doet hier niet aan af. Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften tot een bedrag van € 6.000, of in elk geval meer dan de bij de aanslagregeling reeds in aftrek toegestane € 1.000, ten goede zijn gekomen aan de vereniging, acht het Hof niet aannemelijk dat (voor het meerdere) giften zijn gedaan.


Conclusie giftenaftrek



4.16.
Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een periodieke gift of van een andere gift als bedoeld in artikel 6.32 Wet IB 2001, heeft de Inspecteur terecht belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering, inhoudende de toekenning van een nadere giftenaftrek van € 5.000, afgewezen. Het beroep is ongegrond. Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie, dat hij heeft gedaan voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbende zou zijn, behoeft gelet hierop geen behandeling.


Vergoeding van immateriële schade




4.17.
Belanghebbende heeft voor het eerst in de beroepsprocedure ter zitting van het Hof van 13 mei 2025 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gedurende de behandeling van de procedure inzake zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Het gaat daarbij om de termijn die is verstreken gedurende de procedure in bezwaar, beroep (SGR 21/2467), hoger beroep (BK-23/492), de bezwaarprocedure na verwijzing en beroep (BK-24/892) tezamen.



4.18.
Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De termijn begint in de regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de hoofdzaak. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.



4.19.
Aangezien het verzoek om immateriële schadevergoeding voor het eerst in de beroepsprocedure na terugwijzing bij het Hof is gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op dit beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).



4.20.
Door terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur in de hogerberoepsprocedure BK-23/492 is niet een nieuwe behandelingsfase gestart. In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan (in dit geval) vier jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen (vgl. HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818, BNB 2020/6, r.o. 3.2). Het voorgaande brengt mee dat in dit geval de redelijke termijn van vier jaar is overschreden met afgerond zes maanden (ontvangst bezwaarschrift 5 januari 2021, uitspraak op het beroep na terugwijzing 24 juni 2025). Uitgaande van een vergoeding van € 500 per half jaar termijnoverschrijding heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500.



4.21.
Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 5 januari 2021. Hij heeft de (oorspronkelijke) uitspraak op bezwaar gedaan op 23 maart 2021. Het beroepschrift is op 26 maart 2021 ingekomen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 april 2023. Het hogerberoepschrift is van 9 mei 2023. Het Hof heeft de terugwijzingsuitspraak gedaan op
11 juli 2024. De Inspecteur heeft op 3 oktober 2024 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Nadat belanghebbende hiertegen op 9 oktober 2024 beroep heeft aangetekend bij het Hof, doet het Hof bij beslissing van 24 juni 2025 uitspraak op dit beroep. Nu de Inspecteur voor de beide perioden gezamenlijk in bezwaar (voor en na verwijzing) minder dan een half jaar de tijd heeft genomen en de beroepsfase bij de Rechtbank alleen al meer dan twee jaren heeft geduurd, terwijl hiervoor een redelijke termijn van anderhalf jaar geldt (zie 4.18), rekent het Hof de overschrijding van de redelijke termijn van afgerond zes maanden toe aan de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid (de Minister)).


Slotsom




4.22.
Het beroep is in zoverre gegrond dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.





Proceskosten en griffierecht


5.1.
Nu belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade, zal het Hof de Minister veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in deze beroepsprocedure. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast. Het Hof bepaalt deze kosten op € 15,58 wegens reis- en verblijfkosten (op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 11, lid 1, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komen als reiskosten in aanmerking de reiskosten retour laagste klasse vanaf het woonadres van belanghebbende naar het Paleis van Justitie in Den Haag ten bedrage van € 15,58 voor de zitting van het Hof). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van de door belanghebbende gestelde verletkosten. Belanghebbende heeft de verletkosten niet onderbouwd met de door hem overgelegde stukken. De door belanghebbende geclaimde verletkosten zien op een overeenkomst tussen een opdrachtgever en [Stichting] als opdrachtnemer. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij geen inkomsten uit [Stichting] geniet, omdat hij daarvan bij notariële akte afstand heeft gedaan en dat hij om diezelfde reden voorts niet door [Stichting] kan worden aangesproken op de door [Stichting] gemiste inkomsten voor de, kennelijk door belanghebbende in persoon uit te voeren, dienst waar de overeenkomst van opdracht op ziet. Belanghebbende heeft derhalve geen vermogensschade geleden door bij de zitting aanwezig te zijn. Ook anderszins is niet gebleken van vermogensschade. Dat [Stichting] mogelijk vermogensschade heeft geleden doordat belanghebbende de zitting heeft bijgewoond, doet hier niet aan af, nu het bij de vergoeding van proceskosten gaat om verletkosten van de belanghebbende zelf.



5.2.
Het Hof heeft in de hogerberoepsprocedure BK-23/492 al een beslissing genomen over de proceskosten in beroep bij de Rechtbank en in hoger beroep. Er is geen aanleiding tot toekenning van een nadere vergoeding voor die rechtsgangen noch tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.



5.3.
Voor vergoeding van het griffierecht ziet het Hof, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, en 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, BNB 2024/118, geen aanleiding.





Beslissing

Het Gerechtshof:


bevestigt de uitspraak op bezwaar;


veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, en


- veroordeelt de Minister in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 15,58.


Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, R.A. Bosman en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.


De griffier, de voorzitter,










E.J. Nederveen H.A.J. Kroon


De beslissing is op 24 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak