Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2025:2867 
 
Datum uitspraak:18-11-2025
Datum gepubliceerd:10-02-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/997
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Naheffingsaanslag bpm. Geen waardevermindering wegens schade.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
taxatie
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/997


Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 november 2024, nummer SGR 23/6960.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.147 (de naheffingsaanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.863 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden tot een bedrag van € 184.”



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 2 oktober 2025.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 7.439 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Ford Mustang Fastback 5.0 GT (de auto). De datum van eerste toelating is 19 oktober 2016.



2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). Daarin is een historische nieuwprijs van de auto vermeld van € 23.832 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 22.964. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 10.634 in mindering gebracht wegens schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 12.330. De historische nieuwprijs is in de aangifte vastgesteld op € 110.400. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 66.665 (CO2-uitstoot van 286 gr/km).



2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 6.147 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 15 juli 2020. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 110.800 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 22.586 (Xray (Marge)). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 22.586 (afschrijving van 79,62%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 66.665 (CO2-uitstoot van 286 gr/km).



2.4.
De Rechtbank heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 113.190 en de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.863.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Beoordeling van het geschil

Deskundigheid taxateur DRZ

8. Eiser heeft betoogd dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder.


Schade

9. Eiser stelt dat de handelsinkoopwaarde die wordt gebruikt ter bepaling van de afschrijving moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto. Verweerder heeft betwist dat de schade aan het voertuig kan worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Eiser draagt alsdan de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen aan het voertuig een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben (vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3).

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat aan de auto meer dan normale gebruiksschade aanwezig was. Voor dat oordeel acht de rechtbank redengevend dat op de inkoopfactuur (Kaufvertrag) is vermeld dat er geen sprake is van schade (keinen Unfallschaden, keine sonstige Beschädigungen), dat de door eiser gestelde schade op de in het dossier aanwezige foto’s niet valt waar te nemen en dat die schade door DRZ ook niet is waargenomen. De door eiser overgelegde reparatienota’s, die volgens hem zien op schade die hij na de aangiftedatum heeft laten repareren, wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de hiervoor bedoelde aanwijzingen. Daar komt nog bij dat naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, die nota’s niet zijn te herleiden tot onderhavig voertuig en ook geen betrekking hebben op de gecalculeerde schadeposities in het taxatierapport.

11. Bij afwezigheid van meer dan normale gebruiksschade staat de Wet bpm toepassing van de taxatiemethode niet toe (artikel 10, achtste lid, aanhef en letter a, van de Wet bpm).


Historische nieuwprijs

12. Eiser beroept zich wel terecht op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2013, ECLI:NL:HR:2023:1703, met het betoog dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm van de geïmporteerde auto (€ 66.665). Dat is in lijn met dat arrest en de rechtbank ziet geen aanleiding daarvan in dit geval af te wijken. De historische nieuwprijs dient derhalve te worden vastgesteld op € 113.190.

13. Verweerder heeft betoogd dat alsdan de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de bewuste auto eveneens dient te worden verhoogd. Immers, de hogere CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto houdt in dat de auto een hoger energieverbruik heeft dan de referentieauto, hetgeen slechts kan worden verklaard door verschillen bijvoorbeeld in de aanwezige opties. Dit standpunt kan evenwel niet worden gevolgd, nu de taxatiemethode in deze zaak niet kan worden toegepast, waardoor moet worden teruggevallen op – in dit geval – de koerslijstmethode. De tekst van artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm biedt bij toepassing van de koerslijstmethode geen ruimte voor correcties op de waarde die is vermeld in de koerslijst, indien de desbetreffende koerslijst niet in die correcties voorziet.[1] Gesteld noch gebleken is dat de door verweerder gebruikte koerslijst voorziet in relevante, nog niet toegepaste correcties voor bijvoorbeeld hoger energiegebruik of extra opties.

14. Verweerder heeft nog gewezen op de koerslijstwaarde volgens Eurotax XchangeNet, die veel hoger uitkomt (€ 42.862) dan de XRAY-koerslijstwaarde en die volgens verweerder veel meer de werkelijkheid benadert. Verweerder merkt hierbij tevens op dat ook het eigen aankoopbedrag zoals dat blijkt uit de inkoopfactuur een hogere handelsinkoopwaarde ondersteunt, namelijk één van (minstens) € 37.439 (€ 30.000 (eigen aankoopbedrag) + € 7.439 (door eiser zelf berekende bpm)). Eiser heeft betoogd dat hij mag kiezen voor de meest gunstige koerslijst en heeft een verklaring ingebracht van [naam 1] , directeur van XRAY, waaruit hij afleidt dat de overgelegde XRAY-koerslijst de historische XRAY-koerslijst betreft die is gebaseerd op de aangeleverde XRAY-gegevens en dat de betreffende XRAY-koerslijstwaardering is gebaseerd op een CO2-uitstoot van 286 gr/km.

15. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het grote verschil in handelsinkoopwaarde tussen beide koerslijsten opvallend is. Tussen partijen is echter niet in geschil dat beide koerslijsten in de handel algemeen toegepaste koerslijsten voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland zijn en dus voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in alle gevallen moet kunnen worden gekozen voor het laagste restbedrag aan registratiebelasting dat bij een redelijke benadering van de werkelijke waarde geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige reeds in het binnenland geregistreerde gebruikte personenauto’s.[2] Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser gebruik mag maken van de koerslijst XRAY, hetgeen resulteert in het laagste restbedrag aan registratiebelasting. Dat zou anders liggen indien de eigenschappen en kenmerken van het door verweerder gekozen voertuig in de koerslijst Eurotax XchangeNet dichter aanleunen bij die van het te registreren motorvoertuig dan de eigenschappen en kenmerken van het door eiser geprefereerde voertuig in de koerslijst XRAY.[3] Dat laatste is echter gesteld noch gebleken.


Slotsom

16. Het beroep is gegrond. De verschuldigde bpm dient te worden vastgesteld op (€ 22.586 / € 113.190) * € 66.665 = € 13.302. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 13.302 -/- € 7.439 = € 5.863.


Immateriële schadevergoeding

17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 23 juni 2021 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 12 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 11 november 2024 gedaan. Dat is afgerond 41 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 17 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 12 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.

18. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[4] Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500, geheel te vergoeden door verweerder. De rechtbank volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat de vergoeding kan worden gematigd tot € 50 per half jaar.[5]


Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raard daarover voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

20. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te laten vergoeden.
(…)

[1] Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2.
[2] HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45, r.o. 2.4.1.
[3] HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4.
[4] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.
[5] Zie HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.4.3.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en op een te hoog bedrag is vastgesteld, meer specifiek of de Inspecteur de handelsinkoopwaarde juist heeft vastgesteld door voldoende rekening te houden met een waardevermindering vanwege schade.



4.1.2.
Niet langer is in geschil of de Rechtbank de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase juist heeft vastgesteld.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 18.080, tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 113.190, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 10.648 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.209. Tot slot concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten voor de hogerberoepsfase.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


Waardevermindering wegens schade



5.1.1.
Belanghebbende stelt dat uit het taxatierapport en de bijgevoegde schadecalculatie blijkt dat sprake is van een waardevermindering wegens schade en dat DRZ derhalve ten onrechte geen waardevermindering wegens schade heeft toegekend.



5.1.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering vanwege het schadeverleden van de auto. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63).


5.1.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm meer schade had dan de door de DRZ getaxeerde schade en dat die schade het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. De Rechtbank heeft in haar overwegingen 9 en 10 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de auto sprake is van een grotere waardevermindering wegens schade. De verwijzing naar het taxatierapport, de bijgevoegde schadecalculatie en de daarbij behorende foto’s en reparatienota’s is, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en het rapport van DRZ, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook de overgelegde reparatienota’s leiden niet tot een ander oordeel. De reparatienota’s staan op naam van [naam bedrijf] en niet op naam van belanghebbende. Belanghebbendes verwijzing naar de schermprint van de website van [naam bedrijf] , waar [belanghebbende] als partner is vermeld maakt dit niet anders, nu ook [naam 2] daar staat vermeld. Uit de facturen kan niet duidelijk worden afgeleid dat zij betrekking hebben op de auto, behalve dan uit het woord ‘Mustang’. Ook is het vreemd dat tijdens de keuring door de RDW en de taxatie niets is (op)gemerkt, terwijl de auto een maand later kennelijk dringend gerepareerd moest worden. De Inspecteur heeft voorts verklaard dat de desbetreffende schokdempers (van het type airride) worden gebruikt om een voertuig een ander uiterlijk te geven. Met andere woorden, schade hoeft niet de reden te zijn geweest voor de vervanging. Belanghebbende voldoet gelet op het voorgaande niet aan de op hem rustende bewijslast.


Slotsom




5.3.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten en griffierecht

6. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht.




Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.



Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.


De griffier, de voorzitter,










T.S.K.L. Tjon A. van Dongen


De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak