|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2025:615 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-04-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 18-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | 200.336.912/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Ruilverkaveling. Bijzondere rechtsgang? | | Trefwoorden | : | geldelijke regelingen | | | koopovereenkomst | | | landbouw | | | landinrichtingswet | | | perceel | | | plan van toedeling | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.336.912/01Zaaknummer rechtbank : C/09/635071 / HA ZA 22-769
Arrest van 22 april 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M. Stokdijk, kantoorhoudend in Arnhem,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K. Winterink, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellante] en de Staat.
1De zaak in het kort
1.1
[appellante] is eigenaresse van een recreatiewoning die uitsluitend bereikbaar is via een zandpad van ongeveer een kilometer lang. Het zandpad is eigendom van Staatsbosbeheer. Sinds 1964 had Staatsbosbeheer op grond van een erfdienstbaarheid de verplichting het zandpad te onderhouden.
1.2
Als gevolg van een ruilverkaveling in de periode 2002-2008 is de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer komen te vervallen. [appellante] vindt dat de Landinrichtingscommissie, die orgaan is van de Staat, hiermee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en zij vordert onder meer dat de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding in natura, die erop neerkomt dat de Staat het zandpad moet onderhouden.
1.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van [appellante] zijn verjaard. Het hof komt tot het oordeel dat de vorderingen niet zijn verjaard en dat de Landinrichtingscommissie onrechtmatig heeft gehandeld.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 27 december 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023;
de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
de memorie van antwoord van de Staat, met één bijlage.
2.2
Op 27 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten (voor de Staat mrs. J.J. Schaeffer en J.S. Procee, beiden advocaat in Den Haag) hebben de zaak toegelicht, mr. Stokdijk aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
[appellante] is eigenaresse van een recreatiewoning met erf, staande en gelegen aan het [straatnaam en huisnummer] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastraal gegeven] (hierna: het perceel van [appellante] ).
3.2
Staatsbosbeheer is sinds 1964 eigenaar van een perceel grond, plaatselijk bekend [kadastraal gegeven 2] (hierna: het perceel van Staatsbosbeheer). Dat perceel is door de toenmalig eigenaar van het perceel van [appellante] , samen met enkele andere percelen, destijds overgedragen aan Staatsbosbeheer.
3.3
Het perceel van [appellante] is uitsluitend toegankelijk via een zandpad van ongeveer een kilometer lang dat vanaf een openbare weg, de [straat] , naar haar perceel loopt (hierna: het zandpad). Het zandpad loopt over het perceel van Staatsbosbeheer.
3.4
Sinds 1964 rustte op het zandpand een erfdienstbaarheid, in de vorm van een recht van reed. Op grond van dat recht had Staatsbosbeheer een verplichting om het zandpad in goed berijdbare staat te onderhouden.
3.5
In 2002 zijn zowel het perceel van [appellante] als het perceel van Staatsbosbeheer betrokken bij de ruilverkaveling [gebied] (hierna: de ruilverkaveling of herverkaveling).
3.6
Ten dienste van deze ruilverkaveling is een Landinrichtingscommissie ingesteld. Deze commissie heeft in 2002 een plan van toedeling opgesteld en ter inzage gelegd.
3.7
In het ontwerp plan van toedeling is onder meer opgenomen:
“
3. Waarschuwing
Het is voor iedere belanghebbende van groot belang de omschrijving van de toegedeelde rechten en de ligging en begrenzing van de kavels goed te controleren. Dit geldt in het bijzonder voor andere erfdienstbaarheden dan het recht van reed. (…).
13Erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten
a) Voorzover niet anders is vermeld worden de gehandhaafde erfdienstbaarheden uitgeoefend op de tot dusverre bestaande wijze en wordt geen wijziging gebracht in de regeling van het onderhoud. Voor nieuw gevestigde erfdienstbaarheden geldt dat de noodzakelijke werken tot gebruik en behoud der erfdienstbaarheid ten laste komen van de eigenaren van het heersend en lijdend erf naar rato van de aard en frequentie van het gebruik der voorzieningen die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid zijn of worden aangebracht. (…)”
3.8
De akte van toedeling in de ruilverkaveling is gepasseerd op 20 februari 2008 en hierin staat onder andere het volgende:
“[…]
N. Voorzover niet anders is vermeld worden de gehandhaafde erfdienstbaarheden uitgeoefend op de tot dusverre bestaande wijze en wordt geen wijziging gebracht in de regeling van het onderhoud. Voor nieuw gevestigde erfdienstbaarheden geldt dat de noodzakelijke werken tot gebruik en behoud der erfdienstbaarheid ten laste komen van de eigenaren van het heersend en dienend erf naar rato van de aard en frequentie van het gebruik der voorzieningen die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid zijn of worden aangebracht. Zowel oude als nieuwe erfdienstbaarheden dienen op de minst bezwarende wijze te worden uitgeoefend.
[…]”
3.9
Na de ruilverkaveling is tussen [appellante] en Staatsbosbeheer een geschil ontstaan over het onderhoud van het zandpad.
3.10
Op 16 november 2016 zond de zoon van [appellante] , [zoon appellante] (hierna ook: [zoon appellante] ), een e-mail aan een medewerker van Staatsbosbeheer, [naam] (hierna ook: [naam] ), met onder meer de volgende inhoud:
“Geachte Ik heb er eindelijk een avondje in kunnen steken, via een officiële samenvatting op papier uit 2002 kwam ik op een tekst die ook in de akte van toedeling, zie bijlage, is opgenomen. (…).”
3.11
Op 17 november 2016 antwoordde [naam] per e-mail onder meer als volgt:
“Het is inderdaad een behoorlijke akte om door te spitten. (…) Ik kan mij voorstellen dat de notaris alleen een recht van weg kan opnemen in de akte. (…)”
3.12
Op 21 november 2016 heeft [zoon appellante] weer een e-mail gestuurd aan [naam] . Hij verzocht daarbij om toestemming aan de notaris om vast te leggen dat Staatsbosbeheer het zandpad onderhoudt. Bij e-mail van 22 november 2016 heeft [naam] aangegeven dat, mede na telefonisch overleg met de notaris die door [zoon appellante] was ingeschakeld, geen medewerking aan het verzoek wordt verleend.
3.13
Bij brief van 10 april 2017 van Staatsbosbeheer aan de (toenmalig) advocaat van [appellante] is bericht dat Staasbosbeheer niet bereid is een onderhoudsverplichting op zich te nemen.
3.14
Bij vonnis van 7 februari 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:405) heeft de rechtbank Noord-Nederland – onder meer – geoordeeld dat op Staatsbosbeheer geen verplichting meer rust om het zandpad te onderhouden.
3.15
Bij arrest van 29 september 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:7858) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2018 bekrachtigd.
3.16
Bij brief van 17 september 2021 heeft [appellante] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt als gevolg van het in haar visie onrechtmatig handelen van de Landinrichtingscommissie bij de ruilverkaveling.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellante] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd, samengevat,
een verklaring voor recht luidende dat de Staat aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad van de Landinrichtingscommissie bij de ruilverkaveling;
de Staat te veroordelen de schade die [appellante] door de onrechtmatige daad van de Staat lijdt te vergoeden in andere vorm dan in geld, namelijk door de Staat te veroordelen het zandpad in goed berijdbare staat te (laten) brengen en vervolgens te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag;
een verklaring voor recht dat het recht van [appellante] om te verlangen dat de Staat het zandpad in goed berijdbare staat brengt en houdt, een kwalitatief recht is dat overgaat op diegenen die het perceel van [appellante] onder bijzondere titel verkrijgen en dat dit recht kan worden ingeschreven in de openbare registers;
te bepalen dat, voor zover in verband met het gevorderde noodzakelijk is dat de Staat een overeenkomst sluit met [appellante] , dit vonnis in de plaats treedt van die overeenkomst;
betaling van de proces- en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [appellante] is verjaard en heeft deze daarom afgewezen. [appellante] is veroordeeld in de proceskosten.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
[appellante] is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Haar grieven komen erop neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen zijn verjaard. Zij vordert in hoger beroep dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
6Beoordeling in hoger beroep
Verjaring
6.1
Het hof zal eerst oordelen over de vraag of de vorderingen van [appellante] zijn verjaard. Bij die beoordeling neemt het hof het volgende tot uitgangspunt.
6.2
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde — behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon — daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden.
6.3
Het is aan degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus de Staat, om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn voor verjaring, dus ook feiten waaruit het tijdstip volgt waarop de verjaringstermijn is begonnen te lopen. Het is vervolgens aan de wederpartij, in dit geval [appellante] , om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verjaring is gestuit. Daarbij staat het partijen in beginsel vrij om in hoger beroep hun in eerste aanleg ingenomen stellingen en verweren, uit te breiden of zelfs nieuwe (tegenstrijdige) stellingen in te nemen. Voor zover de Staat van iets anders lijkt uit te gaan (onder meer in zijn reactie op grief 3) is dat dus onjuist.
6.4
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de verjaring met de brief van 17 september 2021 (zie achter 3.16) is gestuit. Wanneer de verjaringstermijn eerder is gaan lopen dan op 17 september 2016, is de vordering van [appellante] dus verjaard.
6.5
De Staat heeft zich ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring erop beroepen dat Staatsbosbeheer in 2016 is gestopt met het onderhoud. Uit de stellingen van de Staat kan echter niet worden afgeleid wanneer het laatste onderhoud heeft plaatsgevonden. Als dat al voor 17 september 2016 is geweest, volgt daaruit bovendien niet dat de verjaringstermijn toen is gaan lopen. Daarvoor is vereist dat het voor [appellante] duidelijk was dat Staatsbosbeheer zich op het standpunt stelde niet meer tot het onderhoud gehouden te zijn.
6.6
Dat dit moment vóór 17 september 2016 was aangebroken is uit de stellingen van de Staat niet voldoende af te leiden. Uit de e-mailcorrespondentie in november 2016 tussen [zoon appellante] en (de medewerkster van) Staatsbosbeheer volgt juist dat er toen nog een vorm van overleg plaatsvond en dat de relevante akte ook door Staatsbosbeheer nog werd onderzocht. Dat Staatsbosbeheer ook, los van de uitleg van de akte, feitelijk niet meer bereid was het onderhoud van het zandpad voor haar rekening te nemen, stond toen nog niet vast. Als [appellante] op dat moment een verband zag met de herverkaveling, betekent dat dus nog niet dat zij toen al wist dat zij schade zou gaan lijden. De Staat stelt verder dat [zoon appellante] , ruim voor 1 november 2016, toen hij een koopovereenkomst sloot met betrekking tot een belendend perceel, door de notaris op de hoogte moet zijn gesteld van het vervallen van de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer. Als dat al juist is (de stelplicht rust op de Staat, maar de Staat brengt dit feit slechts als een aannemelijkheid), is dat niet relevant omdat daarmee niet vaststond dat Staatsbosbeheer ook daadwerkelijk geen onderhoud meer zou plegen. Pas in de brief van Staatsbosbeheer van 10 april 2017 wordt door Staatsbosbeheer formeel gereageerd op ‘de stelling dat er een verplichting voor Staatsbosbeheer is om het zandpad (…) te onderhouden’ en pas vanaf dat moment was er voor [appellante] aanleiding om aan te nemen dat zij schade zou gaan lijden. Vóór dat moment is de verjaring dus niet gaan lopen. De Staat betoogt dat de inhoud van deze brief niet kan worden beoordeeld zonder de brieven te kennen waarop deze brief een antwoord is, maar dat betoog volgt het hof ook niet. Uit de brief van Staatsbosbeheer zelf blijkt immers dat het op dat moment haar standpunt is dat zij geen onderhoud meer behoeft te plegen.
6.7
De grieven tegen het oordeel van de rechtbank slagen daarom. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof de vorderingen van [appellante] en de daartegen gevoerde verweren van de Staat alsnog moet beoordelen.
De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [appellante]
6.8
heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Landinrichtingscommissie onrechtmatig heeft gehandeld door een onderscheid te hanteren tussen ‘gehandhaafde erfdienstbaarheden’ en ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ zonder dit onderscheid nader te duiden en zonder zich rekenschap te geven van het feit dat door de titelzuiverende werking van de akte van toedeling, feitelijk alle daarin opgenomen erfdienstbaarheden nieuw gevestigde erfdienstbaarheden zijn.
6.9
Het hof stelt voorop dat de Landinrichtingscommissie een orgaan van de Staat was, zodat de Staat aansprakelijk is voor een eventueel door de Landinrichtingscommissie begane onrechtmatige daad. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
6.10
Het meest verstrekkende verweer van de Staat is (na het beroep op verjaring) dat de burgerlijke rechter niet over de vorderingen van [appellante] kan oordelen omdat [appellante] geen gebruik heeft gemaakt van de in de Landinrichtingswet (Liw) voorziene bijzondere en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Zij had, aldus de Staat, op grond van artikel 200 Liw bij de Landinrichtingscommissie bezwaar kunnen maken tegen het plan van toedeling en op grond van artikel 214 Liw bezwaar kunnen maken tegen de Lijst der Geldelijke Regelingen.
6.11
Het hof is van oordeel dat de rechtsgang die in de Liw is voorzien, en die uiteindelijk zou kunnen leiden tot de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris en de rechtbank en waarbij ook voorzien was in een beroep in cassatie, te beschouwen is als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dat brengt als uitgangspunt mee dat [appellante] die rechtsgang had moeten gebruiken om haar bezwaren tegen de wijziging van de erfdienstbaarheid naar voren te brengen, en dat zij in dit geding niet meer de rechtmatigheid van het resultaat van de herverkaveling aan de orde kan stellen. Het hof is echter ook van oordeel dat in dit specifieke geval van [appellante] niet verwacht kon worden dat zij rechtsmiddelen zou aanwenden tegen het plan van toedeling. Daaraan ligt het volgende ten grondslag.
6.12
In de eerste plaats acht het hof van belang dat aan [appellante] door de uitkomst van de herverkaveling door een orgaan van de Staat een substantieel vermogensbestanddeel is ontnomen. Het hof is van oordeel dat, wanneer (een orgaan van) de Staat een particulier een vermogensbestanddeel ontneemt, dit uitdrukkelijk en op niet mis te verstane wijze moet gebeuren. Alleen dan immers zal het voor de betrokken burger duidelijk zijn dat hij daartegen rechtsmiddelen zal moeten aanwenden.
6.13
In het ontwerp van het plan van toedeling dat ter inzage heeft gelegen is onder 3. opgenomen dat belanghebbenden oplettend moeten zijn en onder andere de omschrijving van de toegedeelde rechten goed moeten controleren en “dat dit in het bijzonder geldt voor andere erfdienstbaarheden dan het recht van reed”. Onder 13. is opgenomen dat gehandhaafde erfdienstbaarheden, tenzij anders vermeld, blijven worden uitgeoefend op de “tot dusverre bestaande wijze”. Er is ook in opgenomen dat er geen wijziging wordt gebracht in de regeling van het onderhoud. Daaraan is toegevoegd dat voor nieuwe erfdienstbaarheden een andere regeling wordt opgenomen. In onderdeel N van de akte van toedeling is datzelfde opgenomen. Op pagina 341 van de akte van toedeling is vervolgens achter nummer 391 het recht van weg opgenomen om van het perceel van [appellante] te komen en te gaan van en naar de [straat] .
6.14
De begrippen ‘gehandhaafde erfdienstbaarheden’ en ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ zijn door de Landinrichtingscommissie niet gedefinieerd. Vaststaat dat in de akte van toedeling onder nummer 391 een recht van weg is opgenomen waarbij het perceel van [appellante] het heersend erf is en het perceel van Staatsbosbeheer het dienend erf en dat ertoe strekte om te komen van en te gaan naar de openbare weg. Die erfdienstbaarheid kwam overeen met de al bestaande erfdienstbaarheid. In het ontwerp plan van toedeling was bovendien opgenomen dat oplettendheid vereist was ‘in het bijzonder voor andere erfdienstbaarheden dan het recht van reed’, hetgeen voor gerechtigden tot een dergelijk recht van reed een (extra) aanwijzing kon zijn dat zo’n recht in ieder geval ongewijzigd zou blijven bestaan. Het hof acht het alleszins begrijpelijk dat [appellante] , gelet op de bewoordingen van het ontwerp plan van toedeling en de akte van toedeling, ervan is uitgegaan dat de erfdienstbaarheid die aan haar werd toegekend, een ‘bestaande erfdienstbaarheid’ was. Zij was immers als rechthebbende aangewezen tot een erfdienstbaarheid die zij al jaren gebruikte en voor haar was niet kenbaar dat er aan die erfdienstbaarheid iets veranderde. Er was, met andere woorden, voor [appellante] geen kenbare reden om daartegen bezwaar te hebben en om de in de Liw voorziene rechtsmiddelen aan te wenden. Die reden voor nader onderzoek was, anders dan de Staat stelt, ook niet gelegen in het feit dat in het ontwerp plan van toedeling is opgenomen dat de erfdienstbaarheden niet wijzigen ‘voorzover niet anders is vermeld’. Zo’n andere vermelding ontbrak nu juist, het ontwerp plan van toedeling wekte de indruk dat alles hetzelfde zou blijven.
6.15
De Staat heeft aangevoerd dat als hoofdregel heeft te gelden dat alle in de akte van toedeling omschreven erfdienstbaarheden ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ zijn. Nu hij niet aanwijst waar dit uitgangspunt voor [appellante] bij de herverkaveling kenbaar is gemaakt en waar voor haar duidelijk uit had moeten blijken dat de algehele onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer kwam te vervallen, kan hieraan niet de conclusie worden verbonden dat [appellante] eraan had moeten twijfelen dat alles bij het oude zou blijven. Dat een ruilverkaveling een titelzuiverende werking heeft en dat erfdienstbaarheden dus kunnen vervallen, doet hier niet aan af. Voor zover het betoog van de Staat hierop is gebaseerd dat in de akte van toedeling op enkele plaatsen is verwezen naar gehandhaafde erfdienstbaarheden, acht het hof die verwijzing niet voldoende expliciet om voor [appellante] duidelijk te maken dat haar rechten, waarbij niet is verwezen naar gehandhaafde erfdienstbaarheden, zouden worden aangetast.
6.16
Zou [appellante] wel op de hoogte zijn geweest van de wijziging in de onderhoudsverplichting, en zou zij daartegen wel bezwaar hebben gemaakt, dan acht het hof het bovendien aannemelijk dat de wijziging in de onderhoudsverplichting uiteindelijk niet door de rechter zou zijn aanvaard. De stelling van [appellante] dat haar bezwaar succes zou hebben gehad heeft de Staat niet weersproken. Er is overigens ook geen deugdelijke grond aangedragen voor die wijziging en die is uit de stukken van de ruilverkaveling (voor zover die in het geding zijn gebracht) ook niet af te leiden. Namens [appellante] is ter zitting van het hof onweersproken erop gewezen dat het hier om een unieke feitelijke situatie gaat, waarin er bij de levering van percelen grond aan Staatsbosbeheer bewust voor is gekozen het onderhoud bij Staatsbosbeheer te leggen. In de situatie waarin het recht van weg, het heersend erf en het dienend erf dezelfde bleven, is ook niet goed in te zien waarom er aanleiding zou zijn de onderhoudsverplichting aan te passen. De Staat heeft desgevraagd ter zitting ook niet kunnen uitleggen waarin uit het oogpunt van de ruilverkaveling het belang lag van het laten vervallen van de onderhoudsplicht van Staatsbosbeheer.
6.17
De Staat heeft betoogd dat er in het geval waarin zou worden aangenomen dat er destijds voor [appellante] geen reden was bezwaar te maken, sprake zou kunnen zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat [appellante] alsnog bezwaar had moeten instellen toen zij ontdekte dat de onderhoudsplicht van Staatsbosbeheer was vervallen. Het hof volgt de Staat daarin niet. De rechtsbescherming die in de Liw is opgenomen strekte ertoe dat op relatief korte termijn duidelijkheid zou ontstaan over de goederenrechtelijke verhoudingen (vgl. Kamerstukken II 1979/1980, 15907, nr. 3-4, p. 27 en nr. 6, p. 102). De in de Landinrichtingswet opgenomen termijnen strekten er daarbij toe om binnen korte tijd het proces van ruilverkaveling onherroepelijk te kunnen afronden door middel van een onaantastbare vaststelling van de rechten op in de ruilverkaveling betrokken percelen. De Landinrichtingscommissie bestaat niet meer en de Liw is ingetrokken bij wet van 7 december 2006 (Stb. 2006/666, artikel 95). Bij die intrekking is niet erin voorzien dat de rechtsbeschermingsmogelijkheden in de Liw van kracht blijven in een geval als hier aan de orde.
6.18
Niet valt daarom in te zien hoe [appellante] thans nog de in de Liw voorziene rechtsmiddelen zou moeten (kunnen) aanwenden en hoe dat nu nog zou moeten leiden tot een aanpassing van de goederenrechtelijke verhoudingen met Staatsbosbeheer.
6.19
Het hof onderschrijft verder de stellingen van [appellante] dat de Landinrichtingscommissie onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer te laten vervallen zonder dat dit voor [appellante] expliciet duidelijk was. De termen ‘gehandhaafde erfdienstbaarheden’ en ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ zijn onvoldoende onderscheidend in een geval als hier aan de orde, waarin [appellante] kreeg toebedeeld wat zij feitelijk al had, maar dit toch een ‘nieuwe erfdienstbaarheid’ bleek te zijn. Door deze gang van zaken verloor zij een belangrijk vermogensbestanddeel en dit had niet op een dergelijke impliciete wijze mogen gebeuren. Door de wijziging moet zij immers het onderhoud van het zandpad (naar rato van het gebruik) nu zelf verzorgen, en dit leidt tot kosten die zij voorheen niet had en daarmee, naar de Staat niet gemotiveerd heeft weersproken, tot een waardedaling van haar perceel. De Landinrichtingscommissie heeft daarom onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld. De vordering die ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de Staat aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad van de Landinrichtingscommissie is daarom in zoverre toewijsbaar dat voor recht zal worden verklaard dat de Staat aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van de Landinrichtingscommissie dat erin bestaat dat zonder voldoende duidelijk onderscheid tussen de begrippen ‘gehandhaafde erfdienstbaarheden’ en ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ is bewerkstelligd dat de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer (gedeeltelijk) is komen te vervallen.
6.20
Uit artikel 6:103 BW volgt dat schadevergoeding wordt voldaan in geld, maar dat de rechter de bevoegdheid heeft om op vordering van de benadeelde schadevergoeding in een andere vorm dan in geld toe te kennen. [appellante] heeft gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding in natura het zandpad in goed berijdbare staat te (laten) brengen en te houden, op straffe van een dwangsom. Die vordering kan niet slagen. Niet alleen is het zandpad geen eigendom van de Staat, maar van een derde (Staatsbosbeheer), zodat de Staat niet de vrijheid heeft om werkzaamheden aan dat zandpad te verrichten, maar ook acht het hof de vordering te onbepaald. Over de vraag welke werkzaamheden nodig zijn om het pad in goed berijdbare staat te brengen en te houden, zal eenvoudig discussie kunnen ontstaan, waarna partijen verzeild zullen raken in mogelijke executiegeschillen. Om die reden laat het hof onbesproken of [appellante] op grond van het bepaalde in artikel 5:75 lid 1 BW de Staat dergelijke werkzaamheden kan laten uitvoeren. Ook dan zullen de hiervoor gesignaleerde problemen zich immers kunnen voordoen.
6.21
[appellante] heeft verder gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat haar recht om van de Staat te verlangen dat hij het zandpad in goed berijdbare staat brengt en houdt, een kwalitatief recht is dat overgaat op een nieuwe eigenaar van de recreatiewoning. Een kwalitatief recht ontstaat echter niet door een verklaring voor recht die door een rechter wordt uitgesproken, maar is een uit een overeenkomst voortvloeiend, voor overgang vatbaar recht. Tussen [appellante] en de Staat is er niet een dergelijke overeenkomst. De Staat is ook niet gehouden een dergelijke overeenkomst aan te gaan, zodat het hof ook niet kan bepalen dat dit arrest in de plaats treedt van zo’n overeenkomst.
6.22
Omdat [appellante] wel aanspraak heeft op vergoeding van de schade die zij lijdt, maar die schade in dit geding niet kan worden begroot, zal het hof de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. In die procedure zal moeten worden begroot welke schade [appellante] lijdt en heeft geleden doordat Staatsbosbeheer niet meer exclusief verantwoordelijk is voor het onderhoud van het zandpad. Bij die begroting dient uitgangspunt te zijn dat zonder de onrechtmatige daad van de Landinrichtingscommissie, de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer niet zou zijn aangepast en dat [appellante] in de oude situatie geen kosten had aan het onderhoud van het zandpad. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de mogelijkheid bestaat dat [appellante] schade heeft geleden.
Conclusie en proceskosten
6.23
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vorderingen van [appellante] op hierna volgende wijze alsnog toewijzen. Het hof zal de Staat als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van eerste aanleg en in hoger beroep.
6.24
Het bewijsaanbod van de Staat heeft niet kenbaar betrekking op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden, en wordt daarom gepasseerd. Datzelfde geldt voor het bewijsaanbod van [appellante] .
6.25
Die proceskosten worden begroot op:
Eerste aanleg:
dagvaarding: € 125,02
griffierecht: € 314,-
salaris advocaat € 1.196,-
totaal € 1.635,02
Hoger beroep
dagvaarding € 129,14
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.084,14
7Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023,
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van de Landinrichtingscommissie dat erin bestaat dat zonder voldoende duidelijk onderscheid tussen de begrippen ‘gehandhaafde erfdienstbaarheden’ en ‘nieuwe erfdienstbaarheden’ is bewerkstelligd dat de onderhoudsverplichting van Staatsbosbeheer (gedeeltelijk) is komen te vervallen;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van de schade die [appellante] door dit onrechtmatig handelen lijdt en heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
wijst het meer of anders gevorderde af;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 4 oktober 2023 begroot op € 1.635,02;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 3.084,14;
bepaalt dat als de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.F.H. ten Brummelhuis, S.A. Boele en J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Zie bijvoorbeeld HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 en de daar genoemde jurisprudentie. HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739.
HR 2 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1432, NJ 1995/660.
HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9600, NJ 2010/508. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|