Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:1025 
 
Datum uitspraak:05-03-2026
Datum gepubliceerd:01-06-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/551
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Artt. 7:2 en 7:3, aanhef en onderdeel d, Awb. Art. 67a, lid 1, AWR. Geen schending van de hoorplicht. Verzuimboete terecht opgelegd.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/551


Uitspraak van 5 maart 2026

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.L.M. Reijnen)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 juni 2025, nummer SGR 24/6613.




Procesverloop


1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.835. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385 (de verzuimboete) en € 77 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.




Feiten


2.1.
De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 31 oktober 2022 belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021.



2.2.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 6 januari 2023 een herinnering tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gestuurd. In de herinnering tot het doen van aangifte is een uiterste termijn van 20 januari 2023 vermeld.



2.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 7 februari 2023 een aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gestuurd. In de aanmaning tot het doen van aangifte is een uiterste termijn van 21 februari 2023 vermeld.



2.4.
Belanghebbende heeft op 4 september 2023 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 ingediend.



2.5.
Belanghebbende heeft op 8 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om te worden gehoord.



2.6.
De Inspecteur heeft bij brief van 12 april 2024 zijn voorgenomen beslissing op belanghebbendes bezwaar aan belanghebbende kenbaar gemaakt. In deze brief is onder meer opgenomen:

“(…)U geeft in het bezwaar aan dat u deze mondeling wilt toelichten. Daarom stel ik de volgende drie mogelijkheden aan u voor op locatie […] :
- 26 april 2024 tussen 09:00 en 13:00 uur;
- 30 april 2024 tussen 09:00 en 13:00 uur;
- 1 mei 2024 tussen 12:30 en 15:00 uur.(…)”



2.7.
De Inspecteur heeft bij brief van 30 april 2024 een nieuwe uitnodiging voor een hoorgesprek naar belanghebbende gezonden. In deze brief is onder meer opgenomen:

“(…)U hebt eerder aangegeven dat u uw bezwaar namens [belanghebbende] mondeling wilt toelichten in een hoorgesprek. In mijn brief van 12 april 2024 heb ik u hiervoor een uitnodiging gestuurd. U hebt daar niet op gereageerd. Daarom krijgt u deze nieuwe uitnodiging.
(…)

Nieuwe datum hoorgesprek

Ik nodig u nogmaals uit om uw bezwaar op 23 mei 2024 om 10:00 uur toe te lichten op het volgende adres:

Belastingdienst/Kantoor […]
(…)”



2.8.
De Inspecteur heeft op 23 mei 2024 een e-mailbericht naar belanghebbende gestuurd waarin onder meer is vermeld:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van deze morgen waarin u aangeeft dat u door uw verkoudheid het hoorgesprek moet verzetten geef ik u drie opties voor het hoorgesprek:

dinsdag 18 juni om 11.00 uur
woensdag 19 juni om 14.00 uur
donderdag 20 juni om 11.00 uur

Locatie:
Belastingdienst Kantoor […]

Wilt u zo vriendelijk zijn per omgaande aan te geven welke datum u schikt?”



2.9.
De Inspecteur heeft op 26 mei 2024 een e-mailbericht naar belanghebbende gestuurd waarin onder meer is vermeld:

“Ik heb u op donderdag 23 mei gesproken en een e-mail gestuurd voor weer een nieuwe datum voor een hoorgesprek. We hebben toen ook afgesproken dat u per omgaande zou reageren omdat ik voor 3 weken afwezig ben. Ik heb tot op heden niets van u vernomen. Omdat dit hoorgesprek al 2x is verzet ga ik ervan uit dat u het hoorgesprek niet meer wil voeren.
Mocht het toch anders zijn dan kunt u op 17 juni contact met mij opnemen.”

Belanghebbende heeft niet op dit e-mailbericht gereageerd.



2.10.
De Inspecteur heeft op 20 juni 2024 uitspraak op bezwaar gedaan zonder een voorafgaand hoorgesprek.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“10. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar heeft verweerder eiser verschillende data voorgelegd om te worden gehoord. De geplande hoorzitting op 23 mei 2024 is door eiser afgezegd en op andere voorstellen is, ondanks dat verweerder daarom had verzocht, niet gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Van schending van het hoorrecht is geen sprake.

11. Artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR) bepaalt dat aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, een verzuimboete kan worden opgelegd.De verzuimboete van artikel 67a van de AWR heeft tot doel de nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen ervan volstaat in beginsel de constatering van het verzuim. De mate van verwijtbaarheid speelt alleen die rol, dat de boete achterwege moet blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). De stelplicht daaromtrent rust op de belastingplichtige. Dat betekent dat hij feiten en omstandigheden moet stellen, en bij betwisting aannemelijk moet maken, waaruit volgt dat hem geen enkel verwijt treft.

12. Eiser stelt dat hij de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 niet heeft ontvangen.
Tot de stukken van het geding behoort een verzendrapport dat ziet op de aan eiser gerichte uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021. Dat de adressering van de uitnodiging onjuist zou zijn, is gesteld noch gebleken. Daarmee heeft verweerder onderbouwd dat de uitnodiging tot het doen van aangifte ter verzending bij PostNL is aangeboden. Met het oog op het voorgaande is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, zoals hij stelt, de uitnodiging niet heeft ontvangen. Nu eiser heeft niets naar voren gebracht om dat aannemelijk te maken, is hij in die bewijslast niet geslaagd.
Van de herinnering en de aanmaning stelt eiser niet, dat hij deze niet ontvangen heeft. In de aanmaning is opgenomen dat de aangifte IB/PVV vóór 21 februari 2023 door verweerder moet zijn ontvangen. Verweerder heeft de aangifte eerst op 4 september 2023 ontvangen.
Nu eiser is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV en dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, is behoudens avas sprake van een verzuim in de zin van artikel 67a van de AWR.

13. Eiser stelt dat hij in april of mei 2022 telefonisch heeft geïnformeerd of hij aangifteplichtig was en dat die vraag toen ontkennend is beantwoord. Naar de rechtbank begrijpt, bedoelt hij daarmee een beroep te doen op avas.
De uitnodiging voor het doen van aangifte dateert van oktober 2022, ruim na het door eiser gestelde telefoongesprek, en is gevolgd door een herinnering en aanmaning. Daarmee is de indruk weggenomen die eiser aan het door hem gestelde gesprek mocht hebben overgehouden, zodat het minst genomen op zijn weg lag om navraag te doen. Door dat na te laten, treft hem het verwijt dat hij niet de zorg betracht die bij de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Het door eiser gestelde telefoongesprek van april of mei 2022 kan daarmee, wat van die stelling verder ook zij, niet een beroep op avas dragen.

14. De rechtbank stelt vast dat de verzuimboete overeenkomstig artikel 67a van de Awr en met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is opgelegd naar een bedrag van € 385, ofwel 7% van het wettelijke maximum. Eiser heeft niet feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven en daarvan is de rechtbank ook overigens niet gebleken. De rechtbank acht de verzuimboete van € 385 passend en geboden.

15. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden en of de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.



4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging dan wel vermindering van de verzuimboete en subsidiair tot terugwijzing naar de Inspecteur om te worden gehoord ter zake van de verzuimboete. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


Hoorplicht



5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte heeft geconcludeerd dat belanghebbende heeft afgezien om te worden gehoord. Nadat belanghebbende niet op het e-mailbericht van 26 mei 2024 van de Inspecteur had gereageerd, had de Inspecteur volgens belanghebbende op een andere wijze contact met hem moeten zoeken (bijvoorbeeld telefonisch).



5.1.2.
Uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat degene die een bezwaarschrift heeft ingediend, de gelegenheid moet krijgen om over zijn bezwaar te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, onderdeel d, van de Awb, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Ook het uitblijven van een verklaring van belanghebbende op een uitnodiging te worden gehoord, kan worden uitgelegd als het afzien van het recht te worden gehoord. Uit de wetgeschiedenis volgt dat het bestuursorgaan tijdens de bezwaarfase mag afzien van het horen van een belanghebbende indien deze niet binnen een redelijke termijn heeft gereageerd op de uitnodiging om aan te geven of hij wil worden gehoord (zie MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 15-16 en 38).



5.1.3.
Vast staat dat de Inspecteur belanghebbende, na het verzoek van belanghebbende om te worden gehoord, heeft uitgenodigd voor een hoorzitting, onder vermelding van mogelijke tijdstippen en plaats. Ook staat vast dat (de gemachtigde van) belanghebbende niet op deze uitnodiging heeft gereageerd. Het Hof overweegt dat de Inspecteur met de daarop volgende berichten aan belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om een hoorzitting met (de gemachtigde van) belanghebbende te laten plaatsvinden. Hierbij overweegt het Hof dat uit het e-mailbericht van 26 mei 2024 (zie onder 2.9) volgt dat de Inspecteur op 23 mei 2026 telefonisch contact met de gemachtigde van belanghebbende over het hoorgesprek heeft gehad en dat belanghebbende daarin heeft aangegeven het hoorgesprek wegens verkoudheid te willen verzetten. Belanghebbende heeft vervolgens niet op dat e-mailbericht gereageerd. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven waarom een reactie is uitgebleven. Onder die omstandigheden komt het gevolg van het niet reageren, namelijk dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan zonder belanghebbende te horen, voor rekening en risico van belanghebbende. Onder de gegeven omstandigheden is geen sprake van een situatie waarin de Inspecteur ‘zonder meer’ heeft geconcludeerd dat belanghebbende geen prijs meer stelde op een hoorzitting (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Het Hof is derhalve van oordeel dat de Inspecteur tijdens de bezwaarfase uiteindelijk mocht afzien van het horen van belanghebbende.



Verzuimboete




5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd en voert daarbij aan dat hij de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 niet heeft ontvangen en dat hij in april of mei 2022 is geïnformeerd dat hij niet aangifteplichtig was.



5.2.2.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Inspecteur de verzuimboete terecht heeft opgelegd en bevestigt het oordeel van de Rechtbank op dit punt. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht ter zake van dit punt werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven.


Slotsom




5.3.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten en griffierecht

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.


Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.


De griffier, de voorzitter,










T.S.K.L. Tjon H.A.J. Kroon


De beslissing is op 5 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak