|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:1206 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-05-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | 200.367.085.01 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Verzoek wraking kennelijk ongegrond. Geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid. Geen feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. | | Trefwoorden | : | box 3 | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer : 200.367.085/01Nummer hoofdzaak : BK-SGR 25/484
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 14 april 2026.
inzake het mondelinge verzoek om wraking, als bedoeld in artikel 8:16, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de hoofdzaak met het genoemde nummer van:
[X] ,
wonende te [Z] ,
verzoekster,
(gemachtigde: [A] ).
Het geding
1.1.
De procedure waarin verzoekster het verzoek om wraking (wrakingsverzoek) heeft gedaan (de hoofdzaak) betreft een zaak van verzoekster tegen de Inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur).
1.2.
Verzoekster is door de meervoudige belastingkamer van het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 28 januari 2026. Op 26 januari 2026 heeft verzoekster een verzoek om uitstel van deze behandeling ingediend. Het hof heeft het verzoek op 27 januari 2026 toegewezen en haar het volgende bericht:
“Zodra een nieuwe zittingsdatum bekend is ontvangt u hiervan bericht. Bij een volgend verzoek om uitstel wegens ziekte dient een medische verklaring van een (huis)arts te worden verstrekt.”
De zitting heeft daarop geen doorgang gevonden.
1.3.
Verzoekster is vervolgens op 5 maart 2026 door het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak door de meervoudige belastingkamer op 1 april 2026.
1.4.
Op 9 maart 2026 heeft verzoekster verzocht om verplaatsing van de zittingsdatum en een bijlage bijgevoegd met informatie over een vlucht naar [buitenland] . Het hof heeft bij bericht van dezelfde datum verzocht om nadere bewijsstukken:
“Het hof verzoekt u om nadere bewijsstukken waaruit blijkt dat de vlucht op u betrekking heeft en dat u de vlucht voor de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting, derhalve vóór 5 maart 2026, heeft geboekt. Indien u de vlucht na deze datum heeft geboekt, verzoekt het hof u eveneens nadere bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de vlucht op u betrekking heeft, alsmede toe te lichten om welke redenen u aanleiding heeft gezien om na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting deze vlucht te boeken. Het hof verzoekt u de nadere bewijsstukken (en toelichting) uiterlijk op 16 maart 2026 aan het hof te doen toekomen. Indien het hof de desbetreffende bewijsstukken niet uiterlijk op 16 maart 2026 ontvangt, zal de zitting op 1 april 2026, 12:30 uur doorgaan.”
1.5.
Verzoekster heeft naar aanleiding van het verzoek van het hof op 10 maart 2026 stukken ingediend. Het hof heeft op 11 maart 2026 verzoekster bericht:
“Uit de door u in dat verband overgelegde stukken blijkt echter niet dat er een vlucht op uw naam is geboekt. Het Hof wijst daarom uw verzoek om uitstel van de zitting af.
1.6.
Op 31 maart 2026 heeft verzoekster een verzoek om uitstel van de zaak ingediend wegens ziekte en de volgende verklaring bijgevoegd:
“v Actieve episode- en probleemlijst:
08-2016 spanningshoofdpijn
11-2022 depressie/overspannen
Medisch Centrum […] , [naam] , huisarts”
1.7.
Het hof heeft verzoekster op 31 maart 2026 bericht:
“Het hof heeft kennisgenomen van het door u op 31 maart 2026 ingediende verzoek om uitstel van de zaak met zaaknummer BK-25/484. Het Hof ziet echter geen aanleiding om uw verzoek om uitstel van de zaak te honoreren, gelet op de data zoals vermeld in de meegezonden bijlage. De zitting met zaaknummer BK-25/484 van 1 april 2026, 12:30 uur gaat dus door.”
1.8.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft vervolgens op 1 april 2026 een aanvang genomen. Aldaar is [A] verschenen, de echtgenoot van verzoekster. Verzoekster is niet verschenen. [A] heeft een machtiging overgelegd van [verzoekster] .
Het wrakingsverzoek
2.1.
[A] heeft tijdens de mondelinge behandeling namens verzoekster een verzoek tot wraking gedaan van mrs. P.J.J. Vonk, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden (hierna: de raadsheren wier wraking is verzocht).
2.2.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“De voorzitter:
- U (de gemachtigde van belanghebbende) en belanghebbende hebben gezamenlijk de Inspecteur verzocht het gezamenlijke box 3-vermogen geheel aan belanghebbende toe te rekenen. De Inspecteur heeft dit verzoek ingewilligd. Wat wilt u dienaangaande nog opmerken?
De gemachtigde van belanghebbende:
- Ik ben het er niet mee eens dat het Hof het verzoek om uitstel van de zitting, welk verzoek gisteren is ingediend, heeft afgewezen. Mijn echtgenote is namelijk ziek en ik ben niet volledig op de hoogte van wat zich in deze procedure precies heeft voorgedaan.
De voorzitter:
- Het Hof blijft bij zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting.
De gemachtigde van belanghebbende:
- Dan wraak ik de zetel.
De voorzitter deelt mee dat het onderzoek wordt geschorst.”
2.3.
De raadsheren wier wraking is verzocht hebben niet in de wraking berust.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
3.1.
De wrakingskamer doet dit verzoek om wraking af zonder behandeling ter zitting (zie artikel 8:18, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht). Het verzoek is kennelijk ongegrond.
3.2.
Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331).
3.3.
Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.4.
De wrakingsgrond houdt in, naar het hof begrijpt, dat de raadsheren wier wraking is verzocht ten onrechte geen uitstel van de mondelinge behandeling hebben verleend, en evenmin de mondelinge behandeling hebben willen aanhouden terwijl de gemachtigde heeft verklaard dat verzoekster niet aanwezig kan zijn omdat ze ziek is en dat hij niet geheel op de hoogte is van hetgeen zich in de zaak heeft voorgedaan.
3.5.
Voor rechterlijke (tussen)beslissingen, zoals het al dan niet verlenen van uitstel van een mondelinge behandeling of het aanhouden van de behandeling van een zaak, geldt dat zij als zodanig nimmer grond kunnen opleveren voor wraking. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van zulke beslissingen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak. Uitgangspunt is verder dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat de motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.6.
De beslissingen van het hof om geen uitstel te verlenen van de mondelinge behandeling van 1 april 2026 en de behandeling van de zaak niet aan te houden kunnen als zodanig geen wrakingsgrond opleveren. De motivering van de beslissing van 31 maart 2026 om geen uitstel te verlenen is naar het oordeel van de wrakingskamer niet onbegrijpelijk en in elk geval niet zo onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de raadsheren wier wraking is verzocht jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De wrakingskamer heeft hierbij in de beoordeling betrokken dat weliswaar door verzoekster ten behoeve van haar verzoek om uitstel een medische verklaring (hiervoor onder 1.6 weergegeven) is overgelegd maar dat daarop geen datum van afgifte is vermeld en de daarin genoemde klachten/aandoeningen dateren uit 2016 en 2022. Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden is dus geen sprake.
3.7
Dit laatste geldt ook ten aanzien van de beslissing van het hof op de mondelinge behandeling van 1 april 2026 om deze niet aan te houden. Met de uitspraak dat het hof bleef bij zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek om uitstel, verwees het hof duidelijk naar zijn eerdere afwijzing van 31 maart 2026 van het uitstelverzoek. Daarvoor geldt het hiervoor in 3.6 overwogene. Nieuwe omstandigheden (die tot een nadere motivering zouden nopen) voerde de gemachtigde van verzoekster niet aan.
3.8.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek tot wraking wordt afgewezen.
Beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoekster en de gemachtigde van verzoekster, aan de raadsheren wier wraking is verzocht, alsmede aan de Inspecteur.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. Frieling, C.J. Verduyn en A.A. Muilwijk-Schaaij, in aanwezigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 14 april 2026.
Wegens verhindering van de voorzitter is de beslissing ondertekend door mr. Muilwijk-Schaaij. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|