Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 
 
Datum uitspraak:19-05-2026
Datum gepubliceerd:15-06-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/358
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Art. 6:22 Awb. Art. 8:42 Awb. Art. 17 Wet WOZ. Art. 40, lid 2, Wet WOZ. Gevolgen schending hoorplicht. Grondprijzenbrief is een op de zaak betrekking hebbend stuk. Heffingsambtenaar maakt waarde in het economische verkeer bedrijfswoning aannemelijk. Gecorrigeerde vervangingswaarde tennisbaan. Taxatiewijzer Sport. Bewijslastverdeling. Levensduur en restwaarde. Heffingsambtenaar maakt gecorrigeerde vervangingswaarde niet aannemelijk. Waardering in goede justitie. Opbrengstlimiet rioolheffing niet overschreden. Geen recht op hogere wegingsfactor proceskostenvergoeding dan 1.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
belastingrecht
bpm
koopovereenkomsten
ozb
perceel
tarieven
wettelijke rente
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/358


Uitspraak van 19 mei 2026

in het geding tussen:


[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: M.M. Vrolijk)

en


de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 maart 2025, nummer SGR 24/3601.




Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 30 januari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] (de woning) vastgesteld op € 108.000 (de beschikking 1) en van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 2] te [woonplaats 1] (de tennisbaan) vastgesteld op € 216.000 (de beschikking 2 en samen met beschikking 1 de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor zowel de woning als de tennisbaan en de aanslag rioolheffing (RIOG) voor de tennisbaan (de aanslagen).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen en de aanslagen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij in één geschrifte vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de beschikking 1 gegrond verklaard, de waarde van de woning verlaagd tot € 103.000 en de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (OZBE) dienovereenkomstig verminderd. Voor het overige heeft de Heffingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier heeft ter zake € 371 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven behoudens de toekenning van de proceskosten in bezwaar;
- bepaalt de proceskosten in bezwaar op € 647;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden;”



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft ter zake € 579 griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend bij brief van 12 februari 2026. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend bij brief van 26 februari 2026.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 10 maart 2026. Partijen zijn ter zitting verschenen. De Heffingsambtenaar heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
De woning betreft een vrijstaande bedrijfswoning. De gebruiksoppervlakte van de woning bedraagt ongeveer 134 m2 en de oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 121 m2. De tennisbaan bestaat uit een kantine met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 104 m2 en bijbehorende grond van ongeveer 300 m2, banen van zand-kunstgras met een oppervlakte van ongeveer 3.900 m2, een lichtmast en extra grond met een oppervlakte van ongeveer 5.156 m2. De grond waarop de woning en de tennisbaan gelegen zijn is in erfpacht uitgegeven door de gemeente Leidschendam-Voorburg.



2.2
Belanghebbende was op 1 januari 2023 eigenaar (erfpachter) van de woning en eigenaar (erfpachter) en gebruiker van de tennisbaan. Aan haar is op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen 2023 (de Verordening OZB) een aanslag OZBE voor de woning opgelegd, alsmede aanslagen OZBE en OZBG voor de tennisbaan. Op grond van de Verordening op de heffing en invordering van Riool- en Waterzorgheffing 2023 (de Verordening Rioolheffing) is aan belanghebbende voorts een aanslag RIOG voor de tennisbaan opgelegd voor een vast bedrag van € 216,36. De aanslagen zijn verenigd op één aanslagbiljet.



2.3.
Op 10 januari 2024 heeft de Heffingsambtenaar een brief gestuurd aan belanghebbende, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Op 21 december 2023 heb ik van u een brief ontvangen waarin u nadere informatie vraagt om uw bezwaarschrift te onderbouwen. Overeenkomstig uw verzoek ontvangt u bijgaand de betreffende matrix van de objecten [adres 2] en [adres 1] te [woonplaats 1] , bijgebouwtabel, grondstaffels en vlokcodes.

(…)

In het bezwaarschrift heeft u ook verzocht om een hoorzitting. Door middel van deze brief wil ik deze hoorzitting inplannen. Graag verneem ik welke van de onderstane data u het beste schikt:

Donderdag 25 januari 2024 11.00 uur
Vrijdag 26 januari 2024 11.00 uur
Maandag 29 januari 2024 11.00 uur

Indien u liever telefonisch gehoord wil worden, ontvang ik graag het telefoonnummer waarop u bereikbaar bent.

Mocht deze data en/of tijd u niet schikken dan verzoek ik u dat per omgaande aan te geven en een ander voorstel te doen met een dag en tijd dat u wel bereikbaar bent. Wilt u daarbij ook aangeven of u naar het servicecentrum wilt komen of telefonisch gehoord wenst te worden.

Graag ontvang ik voor 23 januari 2024 van u bericht welke datum u schikt. Indien u niet voor 23 januari 2024 reageert, ga ik ervan uit dat u geen gebruik wenst te maken van uw recht om gehoord te worden. Wij zullen dan uitspraak doen op basis van de bij ons bekende gegevens.”



2.4.
Als bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Heffingsambtenaar de paragraaf lokale heffingen rioolheffing 2023 en de onderliggende begroting (met een nadere uitsplitsing van de kostenposten) van de kostendekkendheid van de rioolheffing uit de Programmabegroting 2023 overgelegd. In de paragraaf lokale heffingen staat onder meer het volgende overzicht:










Omschrijving




2023





Kosten taakveld T72 Riolering


5.161




Kosten taakveld T21 Verkeer en Vervoer


607




Kosten taakveld T63 Inkomensregelingen


480




Inkomsten taakveld T72 Riolering, excl. Heffingen
Kosten taakveld T57 Openbaar groen en (openlucht) recreatie


0
309





Netto kosten taakveld




6.556






Toe te rekenen kosten:








Overhead



693





BTW


984





Totale kosten




8.234






Opbrengst heffingen

Onttrekking voorziening



7.992

242




Dekkingspercentage


97,06%















2.5.
De Toelichting bij dit overzicht luidt:

“De kosten voor de gemeentelijke watertaak wordt gefinancierd vanuit de gemeentelijke rioolheffing. Bij de bepaling van de hoogte van de rioolheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

- Het tarief is 100% kostendekkend
- Eerste aanleg van riolering wordt gedekt vanuit de grondexploitatie.
- De direct te relateren uitgaven geraamd op Taakveld T72 Riolering worden voor 100% meegenomen in het tarief
- De direct te relateren uitgaven geraamd op Taakveld T21 Verkeer en Vervoer (onderdelen straatreiniging, legen afvalbakken en onderhoud veegmachines) worden voor 35% meegenomen in het tarief
- De direct te relateren inkomsten op Taakveld T72 Riolering (Huuropbrengst) worden voor 100% meegenomen in het tarief
- Op de toe te rekenen directe ambtelijke uren aan Taakveld T72 Riolering en voor 35% aan Taakveld T21 Verkeer en Vervoer
(onderdelen straatreiniging, legen afvalbakken en onderhoud van de veegmachines) wordt een overheadsoplsag meegenomen van € 48 per uur.
- De btw op de kosten worden meegenomen in de rioolheffing.
- De gehanteerde omslagrente is 1,20%
- Het jaarlijkse resultaat wordt in een afzonderlijke bestemmingsreserve Riolering gestort of daaraan onttrokken.”



2.6.
Op 10 januari 2025 heeft belanghebbende een nader stuk in eerste aanleg ingediend, waarin het volgende is vermeld:

“12. In de bestreden uitspraak (p.2. ) overweegt Verweerder ten aanzien van door Eiser
in de motivering van het bezwaarschrift gestelde overschrijding van de opbrengstlimiet
dat:

"Voor de riool-en waterzorg 2023 bent u niet te hoog aanslag."

13. Met inachtneming van de aldus door Eiser gestelde overschrijding van de
opbrengstlimiet is de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd danwel is Eiser
hierdoor genoopt in beroep te gaan. Daartoe het volgende.

14. Verweerder dient na het door Eiser aldus gedaan expliciet beroep op overschrijding van
de opbrengstlimiet allereerst inzicht in de ramingen van baten en lasten te verschaffen
(vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, r.o. 3.3.4.).

15. Vaststaat dat Verweerder in de bezwaarfase niet het aldus vereiste inzicht in de
geraamde baten en lasten heeft verschaft. Van toezending van daartoe strekkende stukken
blijkt immers niet. Eiser heeft derhalve de in het bezwaarschrift opgeworpen stelling
dat sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet niet nader kunnen onderbouwen.

16. Daarnaast heeft Verweerder met het verstrekken van stukken in diens verweerschrift
geen inzicht in de omvang en samenstelling van met name de post Overhead en overige,
relatief grote posten gegeven. Een onderbouwing van deze posten met stukken ontbreekt
immers. Daarmee heeft Verweer de aldus opgeroepen twijfel dat sprake is van een last
niet naar vermogen weggenomen (Hof Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2016,
ECLI:NL:GHARL:2016:1539). Als gevolg daarvan is de opbrtengstlimiet
overschreden.”



2.7.
De Heffingsambtenaar heeft ten aanzien van de overheadkosten in zijn pleitnota in eerste aanleg het volgende vermeld:

“Ter zake van de overhead merk ik het volgende op. In de Programmabegroting 2023 is aangegeven (https://leidschendam-voorburg.begroting-2023.nl/pl6308/tarief-van-deoverheadkosten) dat bij het berekenen van de tarieven voor 2023 een bedrag van € 57 per uur wordt gehanteerd voor overheadkosten. Dit tarief is als volgt tot stand gekomen:

De totale overheadlasten t.b.v. de tariefberekening bedragen € 32.924.771,62. Het totaal aantal uren van de taakvelden anders dan overhead bedraagt 576.180,97. Door de totale overheadlasten te delen door het aantal uren ontstaat een overheadstarief van € 57,14 (afgerond € 57,-) per uur.

Het totaal aantal uren die betrekking hebben op de rioolheffing bedraagt 12.131. Dit betreft 8,99 FTE (maal 1.350 productieve uren per jaar). De overhead bedraagt derhalve 12.131 maal € 57,14 = € 693.000,- afgerond. Dit bedrag is ook aan de rioolheffing toegerekend.”



2.8.
De Heffingsambtenaar heeft ten aanzien van de salaris- en overheadkosten in zijn nader stuk in hoger beroep, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“In dit kader verwijs ik Uw Hof naar de eerder genoemde specificatie die als bijlage 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg is overgelegd. Daarin is ook het volgende opgenomen:

Er zijn aldus 12.131 uren toegerekend en zoals reeds opgemerkt betreft dit de bijna 9 FTE die werkzaam zijn op het product riolering.

De salariskosten tevens zijn opgenomen in de specificatie van de lasten en bestaan uit de volgende geraamde posten:






Er is aldus rekening gehouden met de salariskosten van de afdelingen KCC (Klantcontactcentrum), SB (stadsbeheer) en PMA (Projectmanagement en Advies) ter hoogte van in totaal € 691.221,-.

Deze lasten sluiten nagenoeg aan bij de in het GRP 2022-2027 (hierna: GRP) opgenomen lasten.[1] Zo is op pagina 9 van het GRP het volgende opgenomen




Personele middelen
Voor riolering is 9 fte formatie geraamd, hiervan is 8,7 fte in de begroting opgenomen en wordt ten minste 0,3 fte ingehuurd ten laste van de beheerbudgetten.

Op pagina 104 van het GRP zijn de volgende salariskosten opgenomen:





Daarmee is met deze en de reeds eerder verstrekte gegevens in mijn optiek voldoende duidelijk gemaakt dat ter zake van de overhead en de salariskosten sprake is van lasten ter zake van de rioolheffing.

Gelet op de door de Hoge Raad in het arrest van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:777) gestelde regels ben ik derhalve dan ook van mening dat op belanghebbende, die kennelijk stelt dat de aangeleverde gegevens feitelijk onjuist zouden zijn, de bewijslast rust om dit aannemelijk te maken.

[1] Het GRP 2022-2027 is te raadplegen en te downloaden via: https://www.lv.nl/water-en- rioleringsplan-2022-2027.”




Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:


“Hoorplicht

8. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord. Vaststaat dat eiseres in bezwaar heeft verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar, per brief eiseres in de gelegenheid gesteld om een hoorzitting in te plannen, dan wel om telefonisch gehoord te worden. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vervolgens echter hieruit ten onrechte afgeleid dat eiseres (stilzwijgend) afstand doet van zijn recht om te worden gehoord.[2]

10. De rechtbank gaat aan de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij, omdat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten naar voren te brengen en deze standpunten daarnaast vrij algemeen van aard zijn.


WOZ-waarde van de woning

11. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".[3]

12. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit de matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn ( [adres 3] te [woonplaats 2] , verkocht op 26 augustus 2021 voor € 200.000, [adres 4] te [woonplaats 1] , verkocht op 11 maart 2022 voor € 675.000 en [adres 5] te [woonplaats 2] , verkocht op 7 februari 2022 voor € 425.000). De stelling van verweerder dat het, vanwege de specifieke kenmerken van de woning, lastig is om goede vergelijkingsobjecten te vinden, heeft eiseres niet betwist. Volgens verweerder zijn de door hem gehanteerde vergelijkingsobjecten de best bruikbare. De rechtbank ziet geen aanleiding hem hierin niet te volgen. Verweerder heeft vervolgens voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen zoals perceeloppervlakte, onderhoud en ligging. Ook heeft verweerder voor de woning, vanwege de ligging op het tennispark, een lagere prijs per vierkante meter gehanteerd dan bij de vergelijkingsobjecten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

13. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet af. Eiseres stelt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden, omdat verweerder de door eiseres gevraagde stukken in bezwaar niet heeft toegezonden. Alle gevraagde gegevens (overigens voor beide objecten) zijn echter in de bezwaarfase toegezonden of online raadpleegbaar en daarom is artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ niet geschonden. Het overige dat eiseres aanvoert zijn enkel algemene punten zonder nadere onderbouwing en doen niet af aan het oordeel dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.


WOZ-waarde onroerende zaak

14. Op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak die niet tot woning dient bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan de waarde zoals hiervoor beschreven in het tweede lid van artikel 17 Wet WOZ. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering (gecorrigeerde vervangingswaarde).

15. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de overgelegde taxatieverslag, waardematrix en hetgeen overigens is aangevoerd, hierin geslaagd. Verweerder heeft bij het vaststellen van de waarde gebruik gemaakt van de Taxatiewijzers VNG, meer specifiek deel 18 (sport). Daarbij is verweerder uitgegaan van de kengetallen behorende bij archetypes S1703201 (clubhuis), S1904000 (tennisbaan), lichtmasten (S2904300) en erfverharding (I3001130). Voor de grond onder het clubhuis is verweerder uitgegaan van een prijs per vierkante meter van € 190. Voor de overige grond is verweerder uitgegaan van een prijs per vierkante meter van € 14. De rechtbank acht de gebruikte archetypes en prijs per vierkante meters voor de twee types grond goed bruikbaar. Met het taxatieverslag, de waardematrix met de daarin gebruikte archetypes en wat verweerder overigens heeft aangevoerd, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak op een voldoende inzichtelijke en controleerbare wijze onderbouwd.

16. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd doet hier niet aan af nu zij geen inhoudelijke tegenargumenten heeft gegeven. Ook heeft eiseres geen bezwaren geuit tegen het gebruik van de taxatiewijzer. Eiseres heeft enkel aangevoerd dat artikel 40 Wet WOZ is geschonden omdat de grondstaffels niet zijn verstrekt in de bezwaarfase en als gevolg daarvan de afzonderlijke waardes niet inzichtelijk zijn gemaakt. Zoals al in rechtsoverweging 13 is overwogen, zijn alle door eiseres opgevraagde stukken (voor beide objecten) overgelegd en slaagt het betoog van eiseres op dit onderdeel niet.


Aanslag rioolheffing

17. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden tarieven in verordeningen zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten (de opbrengstlimiet). De vaststelling van de tarieven berust op een raming, die moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren.[4] In de gevallen waarin de belastingplichtige overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belastingplichtige voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.[5]

18. Eiseres heeft aangevoerd dat de opbrengstlimiet is overschreden. Verweerder heeft in de bezwaarfase echter nagelaten om eiseres inzicht te verschaffen in de ramingen van de baten en lasten. Ter zitting heeft verweerder dit ook erkend. Verweerder heeft in de beroepsfase wel inzicht verschaft in de ramingen van de lasten en baten. Voorts heeft verweerder alsnog afdoende inlichtingen verstrekt in reactie op de stelling van eiseres dat bij de post overhead nog redelijke twijfel aanwezig was of sprake is van een ‘last ter zake’. Verder zijn er geen feiten vast komen te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat verweerder bepaalde baten of lasten niet in redelijkheid op de in aanmerking genomen bedragen heeft kunnen ramen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van de opbrengstlimiet geen sprake.

19. Gegeven het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. De rechtbank ziet in het vorenstaand overwogene tevens aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit waar het de aanslag rioolheffing betreft in stand te laten.


Proceskostenvergoeding bezwaarfase

20. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van partijen dat het beroep gericht tegen de omvang van de proceskostenvergoeding in bezwaar gegrond is. Ten onrechte is niet het bedrag toegekend genoemd in bijlage B2 onder 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het beroep op dit onderdeel is gegrond.[6]


Conclusie

21. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep van eiseres gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar kunnen in stand blijven behoudens de toekenning van de proceskosten in bezwaar.


Proceskosten

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en bedragen € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907).

(…)

[2] Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524.
[3] Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
[4] Hoge Raad 4 april 2014, ECL1:NL:HR:2014:777, r.o. 3.3.3.
[5] Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:20I4:938, r.o. 3.3.4.
[6] Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de Rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorbijgegaan aan de schending van de hoorplicht in bezwaar, of de Heffingsambtenaar de informatieverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden, of de waarden van de woning en van het tennispark te hoog zijn vastgesteld, of de opbrengstlimiet voor de rioolheffing is overschreden en of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover die ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de vergoeding van het griffierecht, en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de WOZ-waarde van de woning tot € 75.000, tot vermindering van de WOZ-waarde van de tennisbaan tot € 150.000, tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen OZBE en de aanslag OZBG, tot vernietiging van de aanslag RIOG, tot vergoeding van de proceskosten in beroep naar een wegingsfactor 2, tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep naar een wegingsfactor van 1, waarbij artikel 30a Wet WOZ buiten toepassing blijft, tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep en tot vergoeding van wettelijke rente indien deze bedragen niet tijdig worden betaald.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


Hoorplicht



5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank niet met toepassing van artikel 6:22 Awb aan de schending van de hoorplicht in bezwaar voorbij had mogen gaan, omdat zij door de schending is benadeeld. Belanghebbende verwijst naar de arresten van de Hoge Raad van 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1243, r.o. 3.5 en 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, r.o. 2.5. Belanghebbende verzoekt het Hof zelf in de zaak te voorzien. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank het gebrek terecht heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.



5.2.
In het onderhavige geval kan aan de schending van de hoorplicht niet voorbijgegaan worden met toepassing van artikel 6:22 Awb. Naar uit de gedingstukken volgt verschilden de Heffingsambtenaar en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan bij de vaststelling van de waarden van de woning en de tennisbaan en de kostendekkendheid van de Verordening Rioolheffing en is de Heffingsambtenaar niet volledig aan belanghebbendes grieven tegemoetgekomen. In zodanig geval kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraken op de bezwaren niet in stand kunnen worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 Awb (vgl. Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, r.o. 2.5).



5.3.
In het beroepschrift heeft belanghebbende verzocht om de zaak terug te wijzen naar de Heffingsambtenaar. Gelet hierop kon de Rechtbank niet zelf in de zaak voorzien en had de Rechtbank de zaak moeten terugwijzen naar de Heffingsambtenaar.



5.4.
In hoger beroep heeft belanghebbende aan het Hof verzocht zelf in de zaak te voorzien. Gelet op dit uitdrukkelijke verzoek zal aan het verzoek worden voldaan.



5.5.
Op grond van het voorgaande is het hoger beroep reeds hierom gegrond en zal het Hof in verband daarmee een proceskostenvergoeding toekennen (vgl. Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, r.o. 2.6).


Informatieplicht




5.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de grondprijzenbrief heeft verstrekt op zijn verzoek in het kader van zijn bezwaar tegen de WOZ-waarde van de tennisbaan. Tevens is de grondprijzenbrief ten onrechte niet overgelegd als op de zaak betrekking hebbend stuk.



5.7.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de grondprijzenbrief een openbaar toegankelijk stuk is dat via internet eenvoudig geraadpleegd kan worden. Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is daarom niet geschonden.



5.8.
De grondprijzenbrief is in dit geval een stuk dat op grond van artikel 40, lid 2 van de Wet WOZ overgelegd had moeten worden. De Heffingsambtenaar heeft dit stuk rechtstreeks gebruikt bij de waardebepaling en belanghebbende heeft hiertoe een voldoende gespecificeerd verzoek gedaan in haar bezwaarschrift (vgl. Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.2-5.9). De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat bij een stuk dat via internet algemeen en vrij toegankelijk is kan worden volstaan met een aanduiding van de website waarop of via welke dat stuk te vinden is. Die aanduiding moet zodanig nauwkeurig zijn dat het stuk aan de hand daarvan zonder noemenswaardige inspanning kan worden gevonden en geraadpleegd (Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.13). In dit geval heeft de Heffingsambtenaar niet uiterlijk in de uitspraak op bezwaar het stuk verstrekt of verwezen naar de website waarop of via welke de grondprijzenbrief te vinden is. De Heffingsambtenaar heeft daarom artikel 40, lid 2Wet WOZ geschonden (vgl. Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.3.1 en 4.3.2).



5.9.
Tevens heeft de Heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb geschonden door de grondprijzenbrief niet als op de zaak betrekking hebbend stuk te overleggen. De grondprijzenbrief is immers een stuk dat ter raadpleging ter beschikking staat of heeft gestaan aan de Heffingsambtenaar en relevant is voor de beslechting van een nog bestaand geschilpunt (Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672).


Waarde woning




5.10.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank ten aanzien van de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.



5.11.
Belanghebbendes klacht dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat of op welke wijze met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten rekening is gehouden, treft geen doel. Met de overwegingen over de verschillen in oppervlakte, onderhoud en ligging en de waardering daarvan in r.o. 12 heeft de Rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij tot het oordeel is gekomen dat met de verschillen rekening is gehouden bij de waardering en dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.



5.12.
Tevens faalt de door belanghebbende ingenomen stelling dat niet duidelijk is wat de uitgangspunten voor de indexatie zijn geweest. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat de indexatie volgt uit een marktanalyse van verkopen van woningen in de omgeving, waarbij een stijging of daling van de verkoopprijzen wordt teruggerekend naar de waardepeildatum. Daarbij wordt rekening gehouden met bijvoorbeeld het type object en de wijk of de buurt waarin de verkochte woningen zijn gelegen. Belanghebbendes woning is een vrijstaande bedrijfswoning. Omdat er geen of te weinig verkopen van vergelijkingsobjecten zijn geweest rond de waardepeildatum, zo heeft de Heffingsambtenaar toegelicht, is voor de indexering uitgegaan van de indexeringscijfers van vrijstaande woningen binnen de gemeente. Belanghebbende heeft hiertegenover onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de indexeringscijfers op grond van artikel 40, lid 2 Wet WOZ op haar verzoek hadden moeten worden overgelegd, slaagt dit betoog niet. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.10, is in dit geval aan de informatieplicht voldaan, nu de Heffingsambtenaar aan de belanghebbende gegevens heeft verstrekt over de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten en de door hem aangenomen waardes daarvan op de peildatum, zodat de indexeringscijfers daaruit eenvoudig kunnen worden afgeleid.



5.13.
Anders dan belanghebbende stelt, horen de koopovereenkomsten van de vergelijkingsobjecten in dit geval niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, behoren tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken alle stukken die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Belanghebbende bestrijdt, naar eigen zeggen bij gebrek aan wetenschap, dat de indexatie op juiste wijze is geschied. Een blote stelling als de onderhavige is onvoldoende om hetgeen de Heffingsambtenaar te berde heeft gebracht te kunnen weerleggen. Anders dan belanghebbende betoogt heeft de Heffingsambtenaar de koopovereenkomsten niet hoeven te raadplegen. De Heffingsambtenaar heeft deze naar zijn onweersproken stelling ook niet ter raadpleging ter beschikking gehad. Er is daarom geen aanleiding de Heffingsambtenaar op te dragen deze stukken over te leggen. Het betoog van belanghebbende faalt.



5.14.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verder geen andere feiten en/of omstandigheden ingebracht die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in bezwaar en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op het onderhavige geschilpunt werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank op dit punt bevestigd dient te worden.


Waarde tennisbaan




5.15.
Partijen zijn eenparig van mening dat de waarde van de tennisbaan dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof sluit zich aan bij dit, naar zijn oordeel juiste, gemeenschappelijke standpunt van partijen.



5.16.
Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar zich niet zonder meer op de kengetallen in de Taxatiewijzer Sport kan beroepen, omdat deze niet onderbouwd zijn met controleerbare gegevens. Belanghebbende aanvaardt uitdrukkelijk niet de richtsnoeren in de Taxatiewijzer ten aanzien van de onderdelen levensduur en restwaarde. De Rechtbank heeft volgens belanghebbende voor de motivering van haar oordeel ten onrechte de Taxatiewijzer als bewijsmiddel aanvaard.



5.17.
Bij de behandeling van dit geschilpunt stelt het Hof het volgende voorop. Bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde geldt als regel dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten, ook indien hij bij het vaststellen van die waarde heeft aangesloten bij een taxatiewijzer. Indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen. Bij de beoordeling van de standpunten moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (vgl. Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 en Hoge Raad 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332). Ten slotte brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat een partij die een beroep doet op een afwijking van de taxatiewijzer wegens de omstandigheden van het geval, terwijl zij de taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Het Hof verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 en van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234.



5.18.
De Heffingsambtenaar heeft in dit geval de waarde vastgesteld aan de hand van de Taxatiewijzer Sport. Deze taxatiewijzer is algemeen toegankelijk op de website van het WOZ-datacenter en behoort in afschrift tot de gedingstukken. Belanghebbende heeft daarop dus effectief commentaar kunnen leveren zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234.



5.19.
Het feit dat belanghebbende de Taxatiewijzer Sport voor wat betreft de aspecten levensduur en restwaarde uitdrukkelijk niet heeft aanvaard als uitgangspunt voor de waardering, is geen reden om af te wijken van de normale bewijslastverdeling. Op de Heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij, met behulp van de ingeschatte levensduur en restwaarde, de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het Hof zal dat beoordelen in het licht van hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd.


Levensduur en restwaarde



5.20.1.
De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de tennisbaan een taxatiekaart overgelegd. Het Hof geeft deze als volgt schematisch weer, waarbij ‘bruto vw’ de bruto vervangingswaarde is,’bwjr’ het bouwjaar, ‘ld’ de levensduur, ‘rw %’ het restwaardepercentage, ‘TC’ de technische correctie, ‘waarde na tc’ de waarde na technische correctie, ‘FC factor’ de factor voor functionele correctie en ‘waarde na fc’ de waarde na functionele correctie (afgerond op hele euro’s):
















Onderdelen


Opp/
inh


Bruto vw


bwjr


ld


rw %


TC


Waarde na tc


FC factor


Waarde na fc





Clubhuis
































Ruwbouw


104


19.760


1927


35


15


16.796


2.964


0,389


1.152




Afbouw


104


7.800


2016


30


10


1.404


6.396


0,389


2.487




installaties


104


7.800


2016


20


10


2.106


5.694


0,389


2.214





Tennisbanen zandkunstgras (rood)
































Ruwbouw


3.900


142.194


2007


30


0


71.097


71.097


0,787


55.938




Afbouw


3.900


102.375


2007


10


0


0


0


0


0




installaties


3.900


39.819


2007


10


0


0


0


0


0





Lichtmasten RVS met 1 armatuur
































Ruwbouw


24 st.


54.264


2016


40


15


6.919


47.345


0,922


43.670




Installaties


24 st.


34.704


2016


15


10


12.493


22.211


0,922


20.486





Terras voor clubhuis
































Ruwbouw


120


4.500


2017


10


0


2.250


2.250


1


2.250





TOTALEN







413.216













113.065




157.957







128.197








































Opp.


Wrd/m2

























Grond onder clubhuis


125


190




















23.750




Overige grond


5.327


14




















74.578





TOTALEN




























226.525









5.20.2.
Voor de gebruikte kengetallen voor de berekening van de bruto vervangingswaarde, de levensduur en restwaarde van de onderdelen van de tennisbaan verwijst de Heffingsambtenaar naar de Taxatiewijzer Sport. Daarbij heeft hij aangesloten bij de archetypes S1703201 (clubhuis), S1904000 (tennisbanen), S2904300 (lichtmasten) en I3001130. Voor de gebruikte grondwaardes verwijst de Heffingsambtenaar tevens naar de Taxatiewijzer Infrastructuur en de Taxatiewijzer Agrarisch.



5.20.3.
Daarnaast heeft de Heffingsambtenaar stukken overgelegd met betrekking tot de herberekening van de erfpachtcanon in 2017, waartoe onder andere een taxatierapport behoort van 21 april 2017, opgemaakt door taxateur mr. […] van [naam] . In dit taxatierapport is de waarde van de tennisbaan en de woning samen per 1 januari 2017 op € 530.000 geschat. In dit taxatierapport is tevens een berekening met toelichting opgenomen van de gecorrigeerde vervangingswaarde, de levensduur en restwaarde van de hiervoor in de matrix onderscheiden onderdelen van de tennisbaan. Grotendeels is hiervoor aangesloten bij de kengetallen in de taxatiewijzer, maar daarnaast zijn gegevens gebruikt die de eigenaar of gebruiker heeft aangeleverd. Dit betreft in het bijzonder de investeringskosten van de lichtmasten, die volgens het rapport in 2016 € 50.000 bedroegen.



5.20.4.
Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd, dat de kengetallen in de taxatiewijzer voor wat betreft de levensduur en restwaarde van de onderdelen van de tennisbaan niet zijn onderbouwd.




5.21.
Het Hof komt nu toe aan de beoordeling of de Heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, in het licht van hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd. Daarbij is van belang dat de Hoge Raad niet heeft uitgesloten dat de Heffingsambtenaar ter voldoening aan zijn bewijslast gebruik maakt van de (kengetallen in de) taxatiewijzer, ook indien de bruikbaarheid of juistheid van de kengetallen wordt bestreden door een belanghebbende.



5.22.
In dit geval heeft belanghebbende gesteld dat onduidelijk is waarop de kengetallen voor levensduur en restwaarde van de onderdelen van de tennisbaan in de Taxatiewijzer Sport zijn gebaseerd, nu een onderbouwing daarvan in die taxatiewijzer zelf ontbreekt. In het licht van deze stelling had het op de weg van de Heffingsambtenaar gelegen tenminste met enige uitleg te komen over zijn keuze om deze kengetallen als uitgangspunt te nemen en te motiveren waarom deze kengetallen in zijn ogen een juist uitgangspunt voor de waardering vormen. Deze uitleg of motivering ontbreekt in dit geval echter. De overgelegde taxatiekaart bevat geen uitleg of motivering van de gebruikte levensduur en restwaarde van de onderdelen van de tennisbaan. Het taxatierapport uit 2017 is niet nader toegelicht, is voor een ander doel dan de WOZ-waardebepaling opgesteld en ziet op een peildatum die vijf jaren is gelegen voor de onderhavige waardepeildatum, zodat dit stuk niet zonder meer als bewijs kan dienen. Ook overigens heeft de Heffingsambtenaar geen toelichting gegeven op de gehanteerde kengetallen, anders dan de enkele verwijzing naar de Taxatiewijzer Sport. Dit brengt mee dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat de waarde van de tennisbaan niet te hoog is vastgesteld.



5.23.
Belanghebbende maakt met hetgeen zij aanvoert evenmin aannemelijk dat de waarde moet worden vastgesteld op het door haar voorgestane bedrag van € 150.000. Meer dan de enkele betwisting van de bruikbaarheid van de kengetallen in de Taxatiewijzer Sport voor wat betreft de levensduur en de restwaarde van de onderdelen van de tennisbaan heeft belanghebbende niet aangevoerd.



5.24.
Het Hof zal de waarde van de tennisbaan daarom in goede justitie bepalen. Gelet op vorenstaande overwegingen, concludeert het Hof, daarbij de door partijen over en weer geponeerde argumenten tegen elkaar afwegende, dat de aan de tennisbaan op de waardepeildatum toe te kennen waarde moet worden vastgesteld op € 185.000.


Opbrengstlimiet rioolheffing




5.25.
Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de Heffingsambtenaar niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze het aantal uren in de posten overheadkosten en salariskosten zijn berekend, zodat niet duidelijk is of de geraamde kosten niet te hoog zijn. Ter zitting heeft belanghebbende haar beroepsgrond met betrekking tot de overheadkosten uitdrukkelijk prijsgegeven, zodat het geschil zich toespitst op de salariskosten. De Heffingsambtenaar betwist de stellingen van belanghebbende met de gegevens genoemd in 2.4, 2.5, 2.7 en 2.8 en zijn toelichting ter zitting.



5.26.
In artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet is bepaald dat de opbrengst van de rioolheffing niet hoger mag zijn dan de kosten die verbonden zijn aan de gemeentelijke watertaken.



5.27.
De Hoge Raad heeft twee vuistregels geformuleerd over de stelplicht en de bewijslastverdeling in aan de (belasting)rechter voorgelegde geschillen over de vraag of de tarieven van retributies en bestemmingsheffingen van decentrale overheden zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde “lasten ter zake”. Het Hof verwijst hiertoe naar de arresten van de Hoge Raad van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en ECLI:NL:HR:2014:780.



5.28.
De eerste vuistregel houdt in dat de Heffingsambtenaar, als de belanghebbende de vraag aan de orde stelt of de geraamde baten van een heffing de geraamde “lasten ter zake” overschrijden, inzicht moet verschaffen in de ramingen van baten en de “lasten ter zake”.



5.29.
De tweede vuistregel houdt in dat, als de belanghebbende met betrekking tot een of meer posten in de ramingen van de “lasten ter zake” van een heffing in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een “last ter zake”, de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post/posten moet verstrekken, teneinde – naar vermogen – de bij de belanghebbende levende twijfel weg te nemen.



5.30.
De beantwoording van de vraag of de geraamde heffingsopbrengst hoger is dan de geraamde kosten die verbonden zijn aan de gemeentelijke watertaken dient te geschieden op basis van gegevens omtrent de geraamde opbrengst en kosten in de gemeentebegroting dan wel op basis van gegevens die op de geraamde opbrengst en kosten in die begroting zijn terug te voeren. Het Hof verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9879..



5.31.
De Heffingsambtenaar heeft aan de hand van het gedeelte uit de Programmabegroting 2023 (2.4), dat betrekking heeft op de rioolheffing waarin de ramingen van de kosten en de opbrengst zijn te vinden en een toelichting op de kostendekkendheid is opgenomen (2.5) met de verdeling van de kosten over de taakvelden, inzichtelijk gemaakt dat de vaststelling van de tarieven voor de rioolheffing voor het jaar 2023 berusten op ramingen van de opbrengsten en de lasten voor dat jaar dan wel op gegevens die op de geraamde opbrengsten en lasten in de begroting voor dat jaar zijn terug te voeren. Het Hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777. Voorts is in de Toelichting kostendekkendheid (2.5) een algemene toelichting opgenomen over de wijze van toerekening aan de taakvelden die met de riolering te maken hebben.



5.32.
Uit de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie volgt dat de Heffingsambtenaar aan de eerste vuistregel heeft voldaan.


De tweede vuistregel




5.33.
Ingevolge de tweede vuistregel moet de heffingsambtenaar, indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd in twijfel heeft getrokken dat bepaalde kosten kunnen worden aangemerkt als een “last ter zake”, nadere inlichtingen verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel van belanghebbende weg te nemen. In dit geval gaat het om de post ‘salariskosten’, waarvan belanghebbende (eerst) in hoger beroep in twijfel heeft getrokken of deze toerekenbaar is. Het naar vermogen wegnemen van twijfel is iets anders dan bewijzen; de Heffingsambtenaar hoeft dus, om aan de tweede vuistregel te voldoen, niet te bewijzen dat de salariskosten (volledig) als kosten verbonden aan de gemeentelijke watertaken in aanmerking kunnen worden genomen.



5.34.
Bij de beantwoording van de vraag of de Heffingsambtenaar aan de tweede ‘vuistregel’ heeft voldaan neemt het Hof de raming van het bedrag van de baten dat in de gemeentelijke begroting is opgenomen en de onderbouwing daarvan in ogenschouw.



5.35.
Belanghebbende heeft niet voldoende gemotiveerd in twijfel getrokken dat de salariskosten kunnen worden aangemerkt als een “last ter zake”. Belanghebbende heeft om inzicht gevraagd op welke wijze de post salariskosten is samengesteld en heeft dit ook gekregen (zie 2.7 en 2.8). Op haar vraag naar de onderbouwing van het aantal uren dat voor de salariskosten is berekend, heeft belanghebbende eveneens antwoord gekregen (zie 2.8). Daarop heeft belanghebbende onvoldoende gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van deze kosten redelijke twijfel bestaat of sprake is van een “last ter zake”.



5.36.
Uit de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie volgt dat de Heffingsambtenaar ook aan de tweede vuistregel heeft voldaan.



5.37.
Met inachtneming van het voorgaande heeft de Heffingsambtenaar de lasten en baten in redelijkheid kunnen ramen op de bedragen als opgenomen in de Programmabegroting 2023. De aldus geraamde baten overtreffen de aldus geraamde lasten niet. Van een overschrijding van de opbrengstlimiet is geen sprake.


Proceskostenvergoeding




5.38.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding in de beroepsfase, omdat de Rechtbank ten onrechte geen hogere wegingsfactor dan 1 heeft toegepast. Nu het geschil op twee WOZ-beschikkingen, drie aanslagen in de onroerende-zaakbelasting en een aanslag in de rioolheffing ziet en er meerdere formele bepalingen zijn geschonden, bestaat er volgens haar aanleiding voor het toepassen van wegingsfactor 2. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting bevestiging van de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor 1 bepleit.



5.39.
Het Hof stelt voorop dat de Rechtbank het gewicht van de zaak zelfstandig moet beoordelen (Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862 en Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293). Nu belanghebbende heeft geklaagd over de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor, toetst het Hof of de uitkomst van de door de Rechtbank gegeven beoordeling van het gewicht van de zaak in overeenstemming is met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293).



5.40.
De Rechtbank heeft de wegingsfactor gesteld op 1 en heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat zij het gewicht van de zaak als gemiddeld heeft beoordeeld. Op basis van de gedingstukken in eerste aanleg, alsmede het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank, acht het Hof deze beoordeling juist. Het belang en de ingewikkeldheid van het feitencomplex, de beroepsgronden, de rechtsvragen en de gewisselde stukken in eerste aanleg waren niet dusdanig groot dat voor de proceskostenvergoeding een hogere wegingsfactor zou moeten worden toegepast. Het oordeel van de Rechtbank dat er meerdere formele bepalingen zijn geschonden, namelijk de hoorplicht en de plicht om inzicht te geven in de kostendekkendheid van de rioolheffing, maakt het gewicht van de zaak niet groter dan gemiddeld. Deze (grieven met betrekking tot de) schendingen maken de procedure niet complexer dan gemiddeld en maken de werkbelasting voor de rechtsbijstandverlener die daarmee verband houdt ook niet groter dan gemiddeld. Bij dit alles dient ook in aanmerking te worden genomen dat de proceskostenvergoeding beoogt een tegemoetkoming te zijn in de gemaakte kosten.


Slotsom




5.41.
Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de schending van de hoorplicht, de schending van artikel 8:42 Awb en de WOZ-waarde van de tennisbaan en voor het overige ongegrond.





Proceskosten en griffierecht


6.1.
Er bestaat aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt hoger beroepschrift, 1 punt zitting Hof) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak) x 0,25 (vermenigsvuldigingsfactor). Het Hof stelt vast dat aan belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand wordt verleend door een gemachtigde die optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskosten-vergoedingen en andere vergoedingen ten goede komen aan de gemachtigde. Belanghebbende heeft geen gegevens verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde niet voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking (vgl.HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175:3.4.2 en 3.4.5.). Daarvoor is niet voldoende de enkele stelling dat geen gebruik wordt gemaakt van tekstblokken en geen sprake is van overdekking. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende niet is geslaagd in het bewijs dat in dit geding sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de zin van de tweede volzin van de leden 1 en 2 van artikel 30a Wet WOZ. Het Hof heeft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep daarom met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm berekend



6.2.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep van € 579 te worden vergoed.





Beslissing

Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voorzover de Rechtbank de schending van de hoorplicht heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb;


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar tegen beschikking 2 en de aanslagen OZBE en OZBG met betrekking tot de tennisbaan daarbij zijn gehandhaafd;


vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen beschikking 2 en de aanslagen OZBE en OZBG met betrekking tot de tennisbaan;


wijzigt beschikking 2 aldus dat de WOZ-waarde van de tennisbaan wordt vastgesteld op € 185.000 en vermindert de aanslagen OZBE en OZBG met betrekking tot de tennisbaan dienovereenkomstig;


veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding aan belanghebbende van de in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 467;


gelast de Heffingsambtenaar het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 aan haar te vergoeden, en


bepaalt dat de Heffingsambtenaar over de proceskostenvergoeding en de teruggaaf van het griffierecht wettelijke rente is verschuldigd na het verstrijken van vier weken na de datum van deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening daarvan.





Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema – van der Koogh.


De griffier, de voorzitter,









Y. Postema-van der Koogh M.J.M. van der Weijden


De beslissing is op 19 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:







Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak