Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:1889 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:06-07-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/416
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Voorlopige aanslag zuiveringsheffing. Bewijslastverdeling. Aansluiting leegstaande bedrijfsruimte op het riool en het waternet. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Vergoeding van immateriële schade.
Trefwoorden:belastingrecht
hoogheemraadschap
ozb
waterschap
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/416


Uitspraak van 21 april 2026

in het geding tussen:


[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en


de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 april 2025, nummer SGR 24/1072.




Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgelegd ten bedrage van € 64,60 (de voorlopige aanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslag gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 371 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 juli 2025, 31 december 2025, 8 januari 2026 (drie stukken) en 20 januari 2026 zijn door belanghebbende nadere stukken ingediend.



1.5.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft in 2021 het gebruik van de bedrijfsruimte [adres] te [woonplaats] . De bedrijfsruimte bestaat uit een kantoorgebouw met een hal. De bedrijfsruimte staat in 2021 leeg.



2.2.
De voorlopige aanslag ten bedrage van € 64,60 is opgelegd met dagtekening 28 februari 2021 en is berekend naar 1,0 vervuilingseenheid.



2.3.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“(…)




Bezwaar
U heeft een bezwaarschrift ingediend tegen [aanslagnummer] waarvan u een kopie bij uw
bezwaarschrift heeft gevoegd. De aanslag betreft de Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten voor het object [adres] [woonplaats] . In uw motivatie bespreekt u alleen de WOZ-waarde e.d.



Overwegingen

[aanslagnummer] betreft een voorlopige aanslag Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten 2021
(ZUIB).
In uw motivatie benoemt u alleen WOZ-waarde gerelateerde zaken. De ZUIB staat geheel los van de WOZ. Zodoende beschouw ik uw huidige motivatie niet als een motivatie in het kader van de aanslag ZUIB. Dit betekent dat u het bezwaarschrift niet gemotiveerd heeft en
derhalve niet aan de wettelijke eisen voldoet.

Artikel 6:5 Awb vermeldt waaraan een bezwaarschrift dient te voldoen. Twee van de eisen (lid c en d) betreffen het aangeven van een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en het vermelden van de gronden van bezwaar.

Conform het gestelde in artikel 6:6 Awb heb ik u de mogelijkheid geboden om deze fout te
herstellen.
Ik heb u per brief met dagtekening 6 juli 2021 verzocht om ons een duidelijke motivatie toe te zenden waaruit blijkt op welke gronden u het niet eens bent met de opgelegde aanslag ZUIB 2021. U heeft ons een kopie van onze brief toegezonden, waar u de volgende tekst bij heeft geschreven:
“geen aansluiting”.
Met dagtekening 30 december 2021 heb ik u wederom een brief gezonden met het verzoek uw bezwaar toe te lichten, daar Dunea op het betreffende adres wel melding maakt van een
watermeter ten name van [belanghebbende] In deze brief hebben wij u tevens verzocht ons te voorzien van een machtiging waaruit blijkt dat u gerechtigd bent om [belanghebbende] te vertegenwoordigen. 13 januari 2022 hebben wij uw machtiging ontvangen, zonder verdere toelichting op uw bezwaar.

D.d. 5 juli 2022 (per abuis 5 juli 2021 vermeld op de brief), hebben wij u wederom een brief
gezonden om nogmaals de machtiging op te vragen, dan wel een verduidelijking van de
bevoegdheid van de persoon waarvan u reeds de machtiging heeft toegezonden. Tevens hebben wij u nogmaals te verzocht uw bezwaar toe te lichten. U heeft ons 20 juli 2022 een nieuwe machtiging toegezonden.

In uw reactie heeft u aangegeven dat uw verdere motivatie pas volgt bij een mondelinge
hoorzitting. U heeft geen verdere motivatie gegeven.
Nu u geen nadere toelichting op uw motivatie in kader van de zuiveringsheffing heeft aangegeven zullen wij een besluit nemen op basis van uw argument ‘geen aansluiting’.

Wij hebben u in onze brieven verzocht om aan te geven welk soort aansluiting er volgens u, dan wel uw cliënt, niet aanwezig is op het object [adres] [woonplaats] , voorzien van een bewijsstuk en verdere toelichting. Nu u uw bezwaar niet verder heeft toegelicht, hebben wij de situatie beoordeeld op basis van de informatie die ons ter beschikking staat.

Dunea geeft ons jaarlijks na afloop van het jaar het waterverbruik op de locatie door. Er is sprake van een wateraansluiting op het adres.



Horen
Met dagtekening 6 december 2023 hebben wij u een brief gezonden met daarin de uitnodiging voor een hoorgesprek, met daarbij de keuze uit twee momenten. Ook hebben wij vermeld dat indien u geen keuze door zou geven, wij het tweede moment, donderdag 21 december 2023 14:00 zouden kiezen.
U heeft geen van beide momenten gekozen. U bent niet verschenen. U heeft niet bij ons
aangegeven of u de voorgestelde momenten mogelijk verhinderd was.



Uitspraak
Uw bezwaar is tijdig ingediend, u bent ontvankelijk in uw bezwaar.
Er is een aansluiting aanwezig op het adres. Om deze reden wijs ik uw bezwaar af.

(…)”




Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:


“Beoordeling van het geschil

6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag bevat enkel stellingen en verzoeken omtrent de WOZ-waardering. Bij brief van 6 juli 2021 verzocht verweerder eiseres om het bezwaarschrift van een op de aanslag betrekking hebbende motivering te voorzien. De gemachtigde van eiseres heeft deze brief geretourneerd met daarop de handgeschreven toevoeging: “geen aansluiting”. Bij brief van 30 december 2021 liet verweerder weten dat volgens opgave van Dunea er in 2021 een aansluiting op naam van eiseres was, met watergebruik, en verzocht hij eiseres om een nadere motivering van het bezwaar. Daar heeft eiseres niet op gereageerd. Nadat eiseres de haar geboden gelegenheden voor een hoorzitting ongebruikt heeft gelaten, heeft verweerder het bezwaar afgewezen.

7. Het beroepschrift en de verdere in de beroepsprocedure namens eiseres ingediende stukken bevatten vele stellingen die op de WOZ-waardering betrekking hebben, maar niets dat verband houdt met zuiveringsheffing. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat het object in 2001 leeg stond en in verband daarmee van het water was afgesloten. Verweerder heeft daartegenover ter zitting benadrukt dat blijkens de gegevens van Dunea er in 2021 niet alleen een aansluiting was, maar ook water is verbruikt.

8. In aanmerking genomen dat a priori aannemelijk dat is bij tijdelijke leegstand van een object als het onderhavige de wateraansluiting gehandhaafd blijft, alsmede gelet op de manier en de momenten waarop de gestelde afsluiting door de gemachtigde naar voren is gebracht, beoordeelt de rechtbank die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder als ongeloofwaardig. Gelet daarop moet het beroep ongegrond worden verklaard.


Verzoek om vergoeding van immateriële schade

9. De gemachtigde heeft in naam van eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat die overschrijding geen aanleiding kan geven tot vergoeding van immateriële schade. Uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, in het bijzonder uit de e-mail van 10 mei 2021, leidt de rechtbank af dat de machtiging door eiseres is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen OZB. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in de bezwaarfase al had gewezen op het waterverbruik in 2021 acht de rechtbank niet geloofwaardig dat eiseres heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat het object in 2021 van het waternet was afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen spanning en frustratie ter zake van de lange duur van de procedure kunnen ondervinden.


Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.1.
De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift en de nadere stukken volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaak. Daarom is hem ter zitting gevraagd welke hoger beroepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Daarop heeft hij verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de hierna onder 4.1.2 genoemde punten.



4.1.2.
In geschil is:
(i) of de voorlopige aanslag terecht is opgelegd; en
(ii) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Heffingsambtenaar beantwoordt de vragen tegenovergesteld.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de voorlopige aanslag, toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hogerberoepsfase en tot vergoeding van immateriële schade.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het geschil


De voorlopige aanslag



5.1.
Naar aanleiding van het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 10 maart 2021, heeft de Heffingsambtenaar op 6 juli 2021 ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem onder meer verzocht om gronden van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag in te dienen. De gemachtigde van belanghebbende heeft deze brief, ingekomen bij de Heffingsambtenaar op 27 juli 2021, retour gezonden met daarop onder meer de handgeschreven tekst “geen aansluiting”. De Heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 30 december 2021 medegedeeld dat volgens de gegevens van Dunea op het adres van de bedrijfsruimte sprake is van een wateraansluiting met waterverbruik op naam van belanghebbende. De Heffingsambtenaar heeft dit gedurende de gehele procedure gesteld, hetgeen belanghebbende steeds heeft betwist. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende dit verduidelijkt door te stellen dat de bedrijfsruimte niet beschikt over een wateraansluiting noch een rioolaansluiting.



5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021 (de Verordening), wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren. Onder afvoeren wordt verstaan het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap (artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de Verordening). Aan de zuiveringsheffing wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening onder meer onderworpen ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte degene die het gebruik heeft van die ruimte. Daarbij wordt in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Verordening verstaan degene die dat deel in gebruik heeft gegeven.



5.3.
Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar die een belastingaanslag oplegt, de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het daarin vermelde belastbare feit zich heeft voorgedaan tegenover de gemotiveerde betwisting door de belastingplichtige aannemelijk maakt.



5.4.
Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende heeft betwist dat er in de bedrijfsruimte een aansluiting op het waternet en op het riool is – en aldus heeft betoogd dat geen sprake is van het feitelijk afvoeren van afvalwater zoals bedoeld in 5.2 – had het op de weg van de Heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling dat volgens de gegevens van Dunea sprake is van waterverbruik en aldus sprake moet zijn geweest van het feitelijk afvoeren van afvalwater, met stukken te onderbouwen. Mede gelet op het feit dat niet in geschil is dat de bedrijfsruimte in het onderhavige jaar leegstond, is niet aannemelijk geworden dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De voorlopige aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd en dient te worden vernietigd.


Vergoeding van immateriële schade




5.5.
Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, afgeleid kan worden dat de machtiging door belanghebbende is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen onroerende-zaakbelastingen en dat het niet geloofwaardig is dat belanghebbende gelet op het verloop van de procedure heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten.



5.6.
In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden moeten onder meer worden gerekend de situatie dat degene die een rechtsmiddel heeft aangewend daartoe niet is gerechtigd, en de situatie dat de belanghebbende geen weet ervan heeft (gehad) dat namens hem of haar een belastingprocedure wordt gevoerd (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775). Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).



5.7.
Het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 6 mei 2021 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 11 januari 2024. Het beroepschrift is op 19 januari 2024 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 22 april 2025. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Heffingsambtenaar tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn (afgerond) vier jaar verstreken, zodat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden.



5.8.
Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, zoals bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, die afdoen aan de veronderstelling dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Naar het oordeel van het Hof is uit de omstandigheden die hebben geleid tot de totstandkoming van de volmacht niet gebleken dat belanghebbende niet heeft gewild (of geweten) dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet de stelling dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten. Het Hof wijst daarbij op de omstandigheid dat naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek van de Heffingsambtenaar van 5 juli 2022, waarin ook een passage over de aansluiting op het waternet staat vermeld, een nieuwe volmacht (gedateerd 6 juni 2022) is overgelegd. In de titel van deze volmacht staat de zuiveringsheffing expliciet vermeld en de inhoud van deze volmacht ziet op “ten onrechte (teveel) betaalde WOZ/OZB en andere lokale belastingen/heffingen”. Tevens wordt in aanmerking genomen dat het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de gestelde aansluiting op het waternet inhoudelijk is behandeld. Hieruit volgt dat de Rechtbank de volmachten kennelijk toereikend achtte voor een ontvankelijk beroep.



5.9.
Aangezien het financiële belang groter is dan € 15 is er ook op die grond geen aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 5.3). Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 2.000.





Proceskosten


6.1.
Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt de kosten voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 4.275 (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647 x wegingsfactor 1, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 x wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.



6.2.
Voorts dient de Heffingsambtenaar de voor de behandeling in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van respectievelijk € 371 en € 579 aan belanghebbende te vergoeden.






Beslissing

Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vernietigt de voorlopige aanslag;


gelast de Heffingsambtenaar een bedrag van € 2.000 als vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende te vergoeden;


veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.275; en


gelast de Heffingsambtenaar de voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 950 aan belanghebbende te vergoeden.





Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.


De griffier, de voorzitter,










J. Azmi Shenouda C. Maas


De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak