|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:2196 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-25/488 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Navorderingsaanslag IB/PVV 2016. Waardering lijfrenteaanspraken in box 3. Artikel 19 UBIB 2001; begrip “afhankelijk van het leven”. Belanghebbende en zijn dochters hebben ieder recht op levenslange periodieke uitkeringen vanaf moment overlijden langstlevende ouder van belanghebbende. Periodieke uitkering is afhankelijk van het leven van één persoon. Artikel 19, lid 3, UBIB is echter niet van toepassing omdat de ingangsdatum van de uitkeringen niet bij voorbaat vaststaat. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | belastingrecht | | | box 3 | | | inkomstenbelasting | | | lijfrente | | | rendementsgrondslag | | | uitkering | | | vennootschapsbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/488
Uitspraak van 30 juni 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: F.M.A.M. van Merrienboer)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 mei 2025, nummer SGR 24/1670.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.657 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 55.238 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 2.532 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend, bij het Hof ingekomen op 2 juni 2026.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2026. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft ter zitting twee pleitnota’s overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1970. Hij was het gehele jaar 2016 gehuwd met [A] (de echtgenote) en hij had in dat jaar twee minderjarige kinderen, [B] en [C] (de dochters).
2.2.
Op 14 december 2008 hebben belanghebbende, de ouders van belanghebbende [D] sr. (de vader) en [E] (de moeder; gezamenlijk: de ouders) en de vennootschap [B.V. 1] een overeenkomst gesloten met het opschrift “Lijfrente-overeenkomst” (de overeenkomst). In de overeenkomst is belanghebbende aangemerkt als verzekerde en [B.V. 1] als verzekeraar. De overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
“A. [Belanghebbende] (…) hierna te noemen de “Verzekerde”.
B. [De vader] (…) en [de moeder] (…), hierna (tezamen) te noemen de “Ouders”.
C. [B.V. 1] , te dezen vertegenwoordigd door haar directrice [B.V. 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , welke vertegenwoordigd wordt door haar directeur [de vader] (…).
Ondergetekenden A, B en C tezamen ook wel aangeduid als ‘de Partijen’.
In aanmerking nemende:
dat de ondergetekende verzekerde per 13 november 2008 bij ondergetekende verzekeraar een koopsom stort ter grootte van € 5.000.000 (vijf miljoen euro) ten einde van ondergetekende verzekeraar een recht op een uitgestelde lijfrente te verkrijgen ingaande bij overlijden van de langstlevende Ouder.
dat partijen de ter zake gemaakte afspraken op schrift willen vastleggen.
Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:
1. De ondergetekende verzekeraar verbindt zich aan de ondergetekende verzekerde met ingang van de datum waarop beide ondergetekende Ouders niet meer in leven zijn, uit te keren een op die datum dadelijk ingaande levenslange lijfrente ter grootte van € 681.171 (zeshonderdéénentachtigduizend éénhonderdéénenzeventig euro).
2. Ondergetekende verzekerde is voor verwerving van het in artikel 1 genoemde recht aan [B.V. 1] een koopsom van € 5.000.000 (vijf miljoen euro) verschuldigd. De koopsom wordt rentedragend schuldig gebleven ten titel van geldlening. De voorwaarden voor deze geldlening zijn vastgelegd in een separate akte van geldlening welke akte aan onderhavige akte wordt gehecht en daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt.
3. Bij overlijden van de Verzekerde vóór de in artikel 1 bedoelde ingangsdatum, wordt onderhavige polis voor het netto koopsomgedeelte geacht door Verzekerde te zijn afgekocht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip.
4. [B.V. 1] zal de lijfrente genoemd onder 1 bij achterafbetaling in maandelijkse termijnen uitkeren voor het eerst op de datum dat beide Ouders zijn overleden. De slotuitkering wordt pro rato berekend over de periode van de laatste vervaldag tot de dag waarop, overeenkomstig het hierboven onder 1 bepaalde, de desbetreffende lijfrente eindigt.
(…)
Verzekerde: Verzekeraar:
(…) (…)
[belanghebbende] [B.V. 1]
Namens deze: [B.V. 2]
Namens deze: [de vader]
Ouders:
(…) (…)
[de vader] [de moeder]”
2.3.
De dochters hebben elk een eigen lijfrenteovereenkomst gesloten met de ouders en [B.V. 1] onder vergelijkbare voorwaarden, maar met andere bedragen aan lijfrente en koopsom. De ouders zijn in deze overeenkomsten aangeduid als de grootouders.
2.4.
In 2016 waren de ouders beiden in leven.
2.5.
In de aangifte IB/PVV 2016 van belanghebbende (de aangifte) is naar aanleiding van de overeenkomst een lijfrenteaanspraak opgenomen als bezitting in box 3. De lijfrenteaanspraak is in de aangifte gewaardeerd op hetzelfde bedrag als de lijfrenteverplichting in de aangifte vennootschapsbelasting 2016 van (de moedermaatschappij van) [B.V. 1] , zijnde de fiscale waarde van € 5.886.201. De lijfrenteaanspraken van de dochters en de daarmee samenhangende schulden zijn niet in de aangifte opgenomen.
2.6.
Met dagtekening 29 januari 2022 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd. In de navorderingsaanslag is de lijfrenteaanspraak van belanghebbende opgenomen in de rendementsgrondslag naar de waarde in het economische verkeer, zijnde € 7.207.188. Daarnaast zijn de lijfrenteaanspraken van de dochters opgenomen in de rendementsgrondslag, eveneens naar de waarde in het economische verkeer, onder vermindering van de waarde van schulden van de dochters. In de aankondiging van de navorderingsaanslag van 10 november 2021 is de correctie, voor zover van belang, als volgt toegelicht:
“Naar aanleiding van de behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2017 ten name van [B.V. 2] is gebleken dat de waarde van lijfrente-aanspraak ten name van [belanghebbende] in de jaren 2015 tot en met 2019 tegen een te lage waarde als bezitting is aangegeven. Daarnaast zijn de waarden van de lijfrente-aanspraken ten name van de minderjarige kinderen [de dochters], in het jaar 2016, ten onrechte niet als bezitting aangegeven. De schulden welke zij zijn aangegaan voor de aankoop van de lijfrente-aanspraak is door [belanghebbende] niet in zijn aangifte vermeld. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zal ik hiermee rekening houden. (…)
[Belanghebbende] heeft aan waarde periodieke uitkering aangegeven een bedrag van € 5.886.201. Dit bedrag is te laag. Ik heb deze bepaald op € 7.207.188. Ik ben voornemens de waarde te corrigeren.
Ik heb de correctie, rekening houdend met de waarde van de lijfrente-aanspraak van [de dochters] en de door u opgegeven schulden, als volgt bepaald:
Verschil in waarde lijfrente-aanspraak [belanghebbende]
€
1.320.987
Waarde lijfrente-aanspraak [C]
-
1.003.389
Waarde lijfrente-aanspraak [B]
-
969.726
Correctie bezittingen
€
3.294.102
Schuld [C]
-
-461.035
Schuld [B]
-
-448.160
Correctie rendementsgrondslag
€
2.384.907
Ik heb de rendementsgrondslag voor box 3 als volgt bepaald:
[belanghebbende]
[de echtgenote]
Aangeven rendementsgrondslag
€
188.503
€
237.914
Correctie 50/50
-
1.192.454
-
1.192.453
Nieuw vastgesteld
rendementsgrondslag
€
1.380.957
€
1.430.367
(…)”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“11. Bezittingen en schulden worden in box 3 op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 in beginsel in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Op grond van artikel 5.23 van de Wet IB 2001 kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de waardering van bezittingen en schulden. Nadere regels voor de waardering van periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenteaanspraken, staan in artikel 19 UBIB. Artikel 19, derde en elfde lid, UBIB luiden:
“Lid 3. De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.”
“Lid 11. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.”
12. Artikel 19, derde lid, UBIB is ingevoerd in 2006. In de toelichting bij de Wijziging uitvoeringsbesluit per 2006[1] is in dat kader opgenomen:
“ Vanuit de praktijk is aan de Belastingdienst met enige regelmaat de vraag gesteld op welke wijze een recht op een nog niet ingegane (levenslange of tijdelijke) periodieke uitkering dient te worden gewaardeerd. Dergelijke periodieke uitkeringen zouden gewaardeerd moeten worden op grond van de bepaling uit artikel 19, negende lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001: de aankoopwaarde van een soortgelijk recht. Het derde en vierde lid zijn ingevoegd om te komen tot een praktische waardering van uitgestelde periodieke uitkeringen.
In het ingevoegde derde lid is geregeld op welke wijze een recht op een levenslange periodieke uitkering dient te worden gewaardeerd indien deze uitkering nog niet is ingegaan. Voor de periode dat de uitkering nog niet is ingegaan, wordt het bedrag van de jaarlijkse uitkering gesteld op nihil. Voor de waardering wordt aangesloten bij de tabel in het tweede lid. Aangezien het gaat om een levenslange uitkering, moet voor de berekening de gehele kolom behorende bij een bepaalde leeftijdsklasse worden ‘doorlopen’. Indien een 25-jarige belastingplichtige recht heeft op een levenslange periodieke uitkering van € 1.000 per jaar die ingaat op de dag dat hij 35 jaar wordt, dient de waardering als volgt plaats te vinden:
– voor het eerste vijftal jaren: 0 (bedrag van de uitkering) × 5 (aantal jaar) × 0,91 (factor) = 0
– voor het tweede vijftal jaren: 0×5×0,74 = 0
– voor het derde vijftal jaren: € 1.000 (de uitkering zal dan ingaan)×5× 0,61 = € 3.050
– voor het vierde vijftal jaren: € 1.000×5×0,49 = € 2.450
– voor het vijfde vijftal jaren: € 1.000×5×0,40 = € 2.000
Enzovoort tot en met het twaalfde vijftal jaren. De som van de aldus berekende waarden per vijftal jaren vormt de waardering van de periodieke uitkering. Deze som kan niet hoger zijn dan de waarde van de periodieke uitkering indien deze reeds zou zijn ingegaan, en derhalve zou zijn gewaardeerd overeenkomstig het eerste lid”.
13. De rechtbank zal hierna de vraag beantwoorden of de lijfrenteaanspraak van eiser valt onder de reikwijdte van artikel 19, derde lid, UBIB. Vooropgesteld wordt dat de datum waarop de onderhavige periodieke lijfrente-uitkering ingaat niet op voorhand vaststaat, nu deze ingangsdatum afhankelijk is van het overlijden van beide ouders. In het derde lid van genoemd artikel 19 staat: “waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld”. In het voorbeeld dat is gegeven in de toelichting bij de invoering van artikel 19, derde lid, UBIB ligt het moment waarop de uitkering ingaat vast. Daarom is het in dat geval praktisch gezien mogelijk om tot dat moment het jaarlijkse bedrag op nihil te stellen. De onderhavige situatie wijkt van die situatie af, vanwege de onzekere ingangsdatum van de lijfrente-uitkering. Eiser heeft dit opgelost door gebruik te maken van sterftetabellen van CBS Statline om een gezamenlijke levensverwachting te bepalen van beide ouders en vervolgens aansluiting te zoeken bij de tabel van artikel 19, tweede lid, UBIB. Op deze wijze heeft eiser dus een fictieve (toekomstige) ingangsdatum bepaald. Dit strookt echter niet met de bedoeling van artikel 19, derde lid, UBIB om, ter voorkoming van discussie, de waardering van periodieke uitkeringen praktisch vast te stellen in gevallen waarin de ingangsdatum vaststaat. Immers, het bepalen van een onzekere ingangsdatum kan ook op andere wijze en aan de hand van andere parameters gebeuren dan de door eiser gekozen invulling. Dat in het derde lid voor de waardering wordt verwezen naar de tabel van artikel 19, tweede lid, UBIB doet aan het voorgaande, anders dan eiser heeft bepleit, niet af. De onderhavige situatie valt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onder de reikwijdte van artikel 19, derde lid, UBIB. Aan de beantwoording van de andere vraag, of de lijfrente afhankelijk is van één leven (eiser) of drie levens (eiser en beide ouders) wordt dan niet meer toegekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat als artikel 19, derde lid, UBIB niet van toepassing is, de lijfrenteaanspraken gewaardeerd moeten worden op grond van artikel 19, elfde lid, UBIB.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. In zoverre bestaat geen reden de rentebeschikking te matigen. Het beroep is ongegrond.
(…)
[1] Besluit van 15 december 2005, Staatsblad 2005, 686, p. 10.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil voor welk bedrag de lijfrenteaanspraken van belanghebbende en de dochters (tezamen: de lijfrenteaanspraken) moeten worden gerekend tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3).
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Ingevolge artikel 5.19, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden bezittingen en schulden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Op grond van artikel 5.23 Wet IB 2001 kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de waardering van bezittingen en schulden. Dergelijke aanvullende regels zijn voor de waardering van periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenten, neergelegd in artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001 (UBIB). Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de lijfrenteaanspraak van belanghebbende mag worden gewaardeerd in overeenstemming met de bepaling van artikel 19, lid 3, UBIB.
In het verlengde hiervan houdt partijen verdeeld of de lijfrenteaanspraken van de dochters mogen worden gewaardeerd in overeenstemming met de bepaling van artikel 19, lid 7, UBIB in verbinding met artikel 19, lid 3, UBIB. Tussen partijen is niet in geschil dat de lijfrenteaanspraken in 2016 tot de rendementsgrondslag van belanghebbende behoren. Evenmin is de waarde in het economische verkeer van deze aanspraken op de peildatum 1 januari 2016 in geschil.
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat zijn lijfrenteaanspraak – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – moet worden gewaardeerd conform artikel 19, lid 3, UBIB, omdat de lijfrente afhankelijk is van één mannelijk leven (te weten: dat van belanghebbende) en nog niet is ingegaan. Volgens belanghebbende leidt een berekening van de waarde conform artikel 19, lid 3, UBIB ertoe dat zijn lijfrenteaanspraak moet worden gewaardeerd op € 3.882.885. De lijfrenteaanspraken van de dochters heeft hij met inachtneming van artikel 19, lid 7, UBIB in verbinding met artikel 19, lid 3, UBIB gewaardeerd op € 504.394 respectievelijk € 499.323. Belanghebbende heeft voor het bepalen van het tijdstip van ingang van de uitkeringen gebruikgemaakt van sterftetabellen van CBS Statline om een gezamenlijke levensverwachting van de ouders te bepalen en heeft vervolgens aansluiting gezocht bij de tabel van artikel 19, lid 2, UBIB.
5.2.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep onder meer het volgende, toegespitst op zijn lijfrenteaanspraak. De gebruikte sterftetabellen bevatten de objectief vastgestelde levensverwachtingen van de inwoners van Nederland. De parameters op grond waarvan en de wijze waarop belanghebbende de ingangsdatum heeft vastgesteld, liggen dus bij voorbaat vast. In zoverre is wel degelijk sprake van een bepaalde ingangsdatum in die zin dat deze op grond van objectieve, niet door belanghebbende te beïnvloeden, grondslagen is bepaald. De ingangsdatum van de lijfrente is weliswaar afhankelijk van de levens van de ouders en is daarmee van belang voor de waardering van de lijfrenteverplichting van [B.V. 1] , maar niet voor de waardering en de hoogte van het recht op de periodieke uitkering van belanghebbende. De omvang van de termijnen is vastgesteld bij de totstandkoming van de aanspraak en is derhalve niet afhankelijk van de ingangsdatum van de periodieke uitkering (het overlijden van de langstlevende ouder). De daadwerkelijke ingangsdatum is derhalve niet van invloed op de hoogte van de periodieke uitkering. In zoverre is er vanuit de positie van belanghebbende bezien sprake van een periodieke uitkering die uitsluitend afhankelijk is van zijn leven, zo betoogt hij.
5.3.
De Inspecteur is van opvatting dat de onderhavige periodieke uitkeringen onder geen van de bepalingen van artikel 19, leden 1 tot en met 10, UBIB kunnen worden geschaard, zodat de regel voor “overige periodieke uitkeringen” van artikel 19, lid 11, UBIB resteert. Op grond hiervan is voorgeschreven een waardering op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht (de waarde in het economische verkeer, zie 2.6).
5.4.
Bij de beoordeling van het geschil zal het Hof eerst nagaan of sprake is van een periodieke uitkering die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, zoals artikel 19, lid 3, UBIB vereist en waaraan volgens belanghebbende is voldaan.
5.5.
Het Hof is van oordeel dat de uitdrukking “afhankelijk van het leven” zoals die wordt gebezigd in de diverse leden van artikel 19 UBIB, zo moet worden opgevat dat de periodieke uitkering doorloopt zolang de begunstigde hiervan in leven is. Of hieraan is voldaan, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden op het moment van ingaan van de periodieke uitkering. Steun hiervoor is te ontlenen aan artikel 1.7, lid 1, letter a, Wet IB 2001, waarin – voor zover van belang – onder lijfrente wordt verstaan “een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden (…)”. Volgens oudere jurisprudentie moet de vraag of een lijfrente van het leven van één of meerdere personen afhankelijk is, worden bezien vanuit het standpunt van de genieter van de uitkering en niet de toezeggende maatschappij, met andere woorden de verzekeraar (HR 8 december 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2703, en HR 25 mei 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2503). In laatstgenoemd arrest wordt tevens overwogen dat van een lijfrente sprake is, indien het einde van een periodieke uitkering afhankelijk is van iemands leven, hetgeen in wezen overeenstemt met de door artikel 1.7, lid 1, letter a, Wet IB 2001 gestelde voorwaarde dat de periodieke uitkeringen uiterlijk bij het overlijden eindigen. Ook de formulering van artikel 19, lid 8, UBIB, dat ziet op periodieke uitkeringen die afhankelijk zijn van twee of meer levens, biedt steun voor het hiervoor gegeven oordeel. Hierin wordt namelijk gesproken van een periodieke uitkering die vervalt bij het overlijden van de langstlevende dan wel de eerststervende van twee of meer personen.
5.6.
Op grond van de overeenkomst heeft belanghebbende recht op een levenslange periodieke uitkering (i) vanaf het moment dat de langstlevende ouder is overleden, (ii) mits belanghebbende op dat moment in leven is (zie 2.2). Het gaat dus om een nog niet ingegane levenslange periodieke uitkering die aanvangt bij het overlijden van de langstlevende ouder en die vervalt bij het overlijden van belanghebbende. De mogelijkheid van vooroverlijden van belanghebbende kan hierbij buiten beschouwing blijven, omdat in dat geval geen periodieke uitkering zal aanvangen die vervalt bij het overlijden van één van de ouders. De ouders worden dus op geen moment begunstigden van een periodieke uitkering. Zoals belanghebbende ter zitting onbestreden heeft toegelicht, wordt de verzekeraar ( [B.V. 1] ) ingeval van het vooroverlijden van belanghebbende immers een afkoopsom verschuldigd die in de boedel van de verzekeringnemer valt. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.5, is de periodieke uitkering derhalve afhankelijk van het leven van één persoon, namelijk belanghebbende. Weliswaar is de ingangsdatum van de uitkeringen afhankelijk van het leven, of beter gezegd het overlijden, van de langstlevende ouder, maar dit brengt niet mee dat de uitkeringen als zodanig hiervan afhankelijk zijn. Het overlijden van de langstlevende ouder markeert immers de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen, maar niet het einde daarvan. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of er andere gronden zijn die in de weg staan aan toepassing van artikel 19, lid 3, UBIB.
5.7.
Voor de waardering van een levenslange periodieke uitkering die nog niet is ingegaan verwijst artikel 19, lid 3, UBIB naar de tabel van artikel 19, lid 2, UBIB, met dien verstande dat voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. Lid 3 is ingevoerd met ingang van 1 januari 2006. Volgens de toelichting bij deze wijziging, voor zover hier van belang, zou een recht op een nog niet ingegane levenslange periodieke uitkering gewaardeerd moeten worden op grond van (thans) artikel 19, lid 11, UBIB: de aankoopwaarde van een soortgelijk recht. Het derde en vierde lid van artikel 19 UBIB zijn volgens de toelichting ingevoegd om te komen tot een “praktische waardering van uitgestelde periodieke uitkeringen” (besluit van 15 december 2005, houdende aanpassing van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, Stb. 2005, 686, p. 10, weergegeven in overweging 12 van de uitspraak van de Rechtbank). Vervolgens wordt een voorbeeld gegeven van een periodieke uitkering die ingaat op een vooraf overeengekomen toekomstige datum (een toekomstige verjaardatum van de belastingplichtige).
5.8.
Uit de tekst van artikel 19, lid 3, UBIB, de bijbehorende toelichting en het daarin gegeven voorbeeld (zie overweging 12 van de uitspraak van de Rechtbank) moet worden afgeleid dat deze bepaling op pragmatische gronden beoogt te voorzien in de waardering van een nog niet ingegane levenslange periodieke uitkering waarvan de begindatum vooraf concreet kan worden bepaald. De verwijzing naar “het aantal jaren dat de uitkering nog niet is ingegaan” veronderstelt dat de ingangsdatum bij voorbaat vaststaat. Deze bepaling leent zich derhalve naar zijn aard niet voor de waardering van een periodieke uitkering met een onzekere ingangsdatum zoals in het onderhavige geval. Noch de tekst van artikel 19, lid 3, UBIB, noch de bijbehorende toelichting bieden aanknopingspunten voor de waarderingsmethode die belanghebbende wenst toe te passen. De door belanghebbende aan de hand van sterftetabellen berekende gezamenlijke levensverwachting van de ouders kan niet worden beschouwd als een concrete, bij voorbaat vaststaande ingangsdatum. Hierbij is immers sprake van een prognose aan de hand van statistische levensverwachtingen. Het feit dat de Inspecteur bij de berekening van de waarde in het economische verkeer op grond van artikel 19, lid 11, UBIB ook sterftetabellen heeft gebruikt, doet hieraan – anders dan belanghebbende betoogt – niet af, omdat deze restbepaling naar zijn aard juist wel de ruimte biedt voor een dergelijke methodiek. De Rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de onderhavige situatie niet onder de reikwijdte van artikel 19, lid 3, UBIB valt.
5.9.
Hetgeen is overwogen en geoordeeld in 5.5 tot en met 5.8 is van overeenkomstige toepassing voor de beantwoording van de vraag of de periodieke uitkeringen van de dochters afhankelijk zijn van het leven van één vrouwelijke persoon in de zin van artikel 19, lid 7, UBIB en of deze vallen onder de reikwijdte van artikel 19, lid 3, UBIB. Hoewel de periodieke uitkeringen van beide dochters elk afhankelijk zijn van het leven van één vrouwelijke persoon, vallen deze aanspraken niet onder de reikwijdte van artikel 19, lid 3, UBIB.
5.10.
Gelet op het voorgaande dienen de onderhavige periodieke uitkeringen te worden gewaardeerd met behulp van artikel 19, lid 11, UBIB. Alsdan is de waarde in het economische verkeer van de lijfrenteaanspraken niet in geschil. De navorderingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.
Proceskosten
Er is geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, M.J.M. van der Weijden en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes R.A. Bosman
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|