Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:2419 
 
Datum uitspraak:16-07-2026
Datum gepubliceerd:17-08-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/56 BK-24/57 BK-24/166 en BK-24/167
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende exploiteert een schip waarmee hij plantaardige olie (spijsolie) vervoert. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. Belanghebbende ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vervoerder, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verwerkt in zijn administratie en niet heeft aangegeven in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, rentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd. De Inspecteur baseert zijn stelling dat belanghebbende contante betalingen heeft ontvangen op inkoopfacturen en andere gegevens die zijn verkregen bij een (strafrechtelijk) onderzoek bij de vervoerder. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen niet aannemelijk, onder meer omdat de vervoerder heeft gesjoemeld met percentages en cijfers waaruit blijkt hoeveel olie in de slops zit, alsmede percentages op facturen heeft bijgesteld om zijn administratie kloppend te maken. Uit de omstandigheid dat de door de Inspecteur gestelde contante betalingen zijn terug te vinden in kalenders, kasboeken en notities van de vervoerder, kan niet meer worden afgeleid dan dat de vervoerder zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor zover aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contante betalingen zou hebben ontvangen, geldt dat dit vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd. De navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen worden vernietigd; de boetebeschikkingen waren in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft voorts – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboetes wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1).
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
mkb-winstvrijstelling
omzetbelasting
tarieven
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/56, BK-24/57, BK-24/166 en BK-24/167


Uitspraak van 16 juli 2026

in het geding tussen:




[X]
te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: M .J. van Dam)

en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] ).


op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2023, nummers SGR 21/4630 en SGR 21/4631.




Procesverloop


BK-24/56 en BK-24/166 (SGR 21/4630) betreffende het jaar 2012



1.1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.834 (de navorderingsaanslag 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 228 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking 2012) en een vergrijpboete opgelegd van € 610 (de boetebeschikking 2012).


BK-24/57 en BK-24/167 (SGR 21/4631) betreffende het jaar 2013




1.1.2.
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.658 (de navorderingsaanslag 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 2.859 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking 2013) en een vergrijpboete opgelegd van € 9.184 (de boetebeschikking 2013).


Beide jaren




1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikkingen betreft;
- vernietigt de boetebeschikkingen;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.200;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.300;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.955;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”



1.4.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 138. Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft op 20 januari 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 13 maart 2026 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting drie pleitnota’s ingediend.



1.6.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van:
- [A] B.V. met nummers BK-54/58 t/ m BK-54/60 en BK-24/85 t/ m BK-24/87;
- [B] met nummers BK-24/109 t/ m BK-24/111;
- [C] B.V. met nummer BK-24/119;
- [D] met nummer BK-24/120;
- [E] met nummers BK-24/121 t/ m BK-24/123; en
- [F] met nummers BK-24/157 t/ m BK-24/159.
Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] (de eenmanszaak). In de onderhavige jaren werd het motortankschip [naam schip] (het schip) geëxploiteerd in de eenmanszaak. Belanghebbende huurde het schip sinds 3 november 2012 van bevrachter [B.V. 1] . Belanghebbende was de schipper van het schip. Met het schip vervoerde belanghebbende in de onderhavige jaren bedrijfsmatig plantaardige (eetbare) olie (spijsolie). Soms was er een andere schipper in zijn plaats aanwezig.



2.2.
Het schip heeft een lengte van 85 meter en een breedte van 8,99 meter. Het schip beschikt over twaalf ladingtanks met een totaal laadvermogen van ruim 1.411 m ³. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met een laadvermogen van ongeveer 24 m3 per tank.



2.3.
De ladingtanks worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met (warm) water. Het daaruit ontstane waswater, waarin zich restanten van de vervoerde spijsolie bevinden, wordt verzameld in de sloptanks. Als het waswater niet meer bruikbaar is (omdat het te zeer vervuild is geraakt) of als de sloptanks (bijna) vol zijn, ontdoet de schipper zich van de inhoud van de sloptanks, de zogenoemde slops. Deze slops bevatten enerzijds restanten spijsolie en anderzijds vocht en vuil. In de branche pleegt de verhouding tussen beide componenten te worden uitgedrukt in een ‘vocht/vuilpercentage’, waarmee wordt aangeduid hoeveel procent van de slops bestaat uit vocht en vuil; het restant is spijsolie.



2.4.
Belanghebbende ontdeed zich in de onderhavige jaren van zijn slops door deze op te laten halen door [B.V. 2] te [vestigingsplaats 1] ( [B.V. 2] ), die de slops per vrachtwagen (soms met aanhangwagen) vanaf het schip transporteerde naar [B.V. 3] te [vestigingsplaats 2] ( [B.V. 3] ). [B.V. 3] bewerkte de slops en verwerkte de olie uit de slops tot biobrandstof. [B.V. 3] bepaalde aan de hand van de weegbrug het gewicht van de afgegeven slops (het netto gewicht), scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte (zuurgraad).



2.5.
Voor een ontdoening belde de dienstdoende schipper met [B.V. 2] om een afspraak te maken. [B.V. 2] kwam dan voorrijden en pompte de slops over naar zijn vrachtwagen (en/of de aanhangwagen). Ter gelegenheid van de ontdoening werd een zogenoemde begeleidingsbrief opgemaakt. De begeleidingsbrief was voorzien van een uniek volgnummer en bestond uit vier exemplaren (doordrukken):
1. Administratie-/vrijwaringsbewijs (Begeleidingsbrief C1/A2) voor de transporteur ( [B.V. 2] ).
2. Interne kopie (D)/extra bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B2) voor de ontdoener (de schipper).
3. Begeleidingsbrief vrachtbrief (Begeleidingsbrief A1) voor de ontvanger ( [B.V. 3] ).
4. Bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B1), retour naar de ontdoener (de schipper).



2.6.
De schipper ontving Begeleidingsbrief B2 van [B.V. 2] op het moment van de ontdoening. Op Begeleidingsbrief B2 werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen de geschatte hoeveelheid (in kilogram) slops. In veel gevallen werd ook het geschatte vocht/vuilpercentage ingevuld. Er stonden ook enkele voorgedrukte gegevens op, zoals het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 2] en de adresgegevens van de betrokkenen. Begeleidingsbrief B2 werd ondertekend door de schipper en door [B.V. 2] .



2.7.
Bij de aflevering van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] werden door [B.V. 3] gegevens op de Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 afgedrukt. Dit betrof het zogenoemde weegbrugstempel. Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 2] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 3] ). Het weegbrugstempel vermeldde niet het exacte vocht/vuilpercentage.



2.8.
De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie. Het komt dus voor dat slops per saldo een negatieve waarde hebben (wat kan inhouden dat de schipper moet betalen voor de ontdoening), dat de slops per saldo geen waarde hebben of dat de slops per saldo een positieve waarde hebben. In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening.


Strafrechtelijk onderzoek




2.9.
Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (onderzoeknummer […] ) gekregen.



2.10.
In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt: [B.V. 2] , de aandeelhouders van [B.V. 2] , [B.V. 3] en de aandeelhouder van [B.V. 3] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. Belanghebbende is één van de schippers/ontdoeners waarvan het OM over onderzoeksgegevens beschikt, maar die niet als verdachte zijn aangemerkt.



2.11.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van de goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. In die spreadsheet is op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 2] op de facturen vermelde contant betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 3] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 3] aan [B.V. 2] betaalde bedrag voor de slops opgenomen.



2.12.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn ook een maandkalender 2011 en twee weekkalenders 2013 van [B.V. 2] inbeslaggenomen. Op deze kalenders zijn op verschillende data bedragen en namen van schepen genoteerd. Deze gegevens corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn op de kalenders bedragen genoteerd die corresponderen met bedragen die volgens de (klad)kasboeken en de bankafschriften door [B.V. 2] zijn opgenomen bij de bank.


Onderzoek door de Belastingdienst




2.13.
Op enig moment heeft het OM de Belastingdienst ‘getipt’ over een vermoeden dat schippers van motortankschepen contante betalingen van [B.V. 2] hadden ontvangen voor het leveren van slops. De Inspecteur heeft vervolgens een vordering ingesteld op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om (relevante delen van) het strafdossier ter beschikking te krijgen.



2.14.
Op 26 mei 2016 heeft de Inspecteur toestemming gekregen van de officier van justitie voor inzage in en het gebruik van relevante gegevens uit het strafdossier ten behoeve van fiscale doeleinden. In dit strafdossier bevond zich onder meer de in 2.11 vermelde Excel-spreadsheet van de politie. In deze Excel-spreadsheet staan de veronderstelde contante betalingen vermeld die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen voor de afgifte van slops.


2.15.1.
De Belastingdienst heeft na ontvangst van de gegevens uit het strafdossier op 30 november 2017 een onderzoek bij [B.V. 2] ingesteld. Een verslag van een op 30 november 2017 bij [B.V. 2] gehouden bespreking vermeldt onder meer het volgende:





“6. Opeenvolgende factuurnummer op dezelfde datum bij zelfde aanbieder
Als voorbeeld zijn de leveringen door [naam 1] genomen. Er is vastgesteld dat een aantal inkopen op dezelfde datum met een opvolgend factuurnummer voorkomen. De contant-factuur vermeld een afgerond bedrag, de per bank betaalde factuur vermeld een niet-afgerond bedrag.

Door [ [B.V. 2] , Hof] is hierover het volgende verklaard:
Op verzoek van de schipper werd er een factuur gemaakt bijvoorbeeld voor € 5.000,= Dit geld werd daarvoor bij de bank opgenomen en bij de inname werd dit bedrag betaald aan de schipper. Deze was dus de opdrachtgever, ingeval van een vof, was dat meestal een van de firmanten. De factuur werd samen met de geleidebon bij de eerstvolgende inname aan de schipper overhandigd. Er werd hiervan geen afzonderlijke kwitantie gemaakt.

Voorbeeld facturen 2259 en 2260 van [naam 1]
Ingeval facturen 2260 en 2259 van [naam 1] is ingenomen: 20.303 (2259) plus 5.603 (2260) kilo, totaal derhalve 25.906 kilo.
Op factuur 2259 staat vloeibare olie 35.980. Het verschil tussen de 25.906 en de 35.980 is dus 10.074 vuil water.
Deze hoeveelheden sluiten aan bij de geleide bonnen. Er zijn twee geleid bonnen, een voor de vrachtwagen en een voor de aanhangwagen. Op de geleide bon staat tevens een vocht/vuil percentage van 28%. (geleidebonnen zijn bijgevoegd) 28% van 35.980 = 10.074. Dit sluit dus aan bij de genoemde kilo's op de facturen.

Deze werkwijze was bij alle schepen het zelfde.”


2.15.2.
Op 13 maart 2018 heeft een bespreking bij [B.V. 2] plaatsgevonden. Het gespreksverslag van die bespreking vermeldt onder meer het volgende:

“Waarom is er de ene keer per bank en de andere keer contant betaald? Wie bepaalt dat?
De schipper bepaalt of per bank of contant betaald wordt. Hij geeft aan wat hij wil en hoeveel geld hij contant wil hebben. [ [B.V. 2] ] ging dan naar [naam 2] , die het geld bij de bank ophaalde en aan hem meegaf. Het komt voor dat de rest wel per bank wordt voldaan. Dan zijn er 2 facturen van 1 levering. Er zien dan 2 betalingen op 1 afgifte van slops.


Waarom staat er geen btw op de contant betaalde facturen en wel op de facturen die per bank worden betaald? [ [B.V. 2] ] kan dan toch geen voorbelasting verrekenen?

Geen duidelijk antwoord. Dit zou afgesproken zijn met de Belastingdienst. Schoonzus [naam 2] heeft dit geprobeerd uit te leggen aan [naam 3] , maar hij geeft aan dit vergeten te zijn. De getoonde brief (bijlage 3) ging echter over de opname van veel contanten bij de bank. Niet om het achterwege laten van btw op de contante facturen. De reactie van de Belastingdienst hierop kon [ [B.V. 2] ] echter niet tonen. Sinds 1 april 2017 wordt de btw verlegd.”



2.15.3.
De in het vorige citaat bedoelde, als bijlage 3 bij het gesprekverslag gevoegde brief namens [B.V. 2] aan de Belastingdienst uit juni 2006 luidt als volgt:

“Cliënte heeft sinds kort de mogelijkheid gekregen restantpartijen vet, aanwezig in binnenvaartschepen, te kopen en deze vervolgens te transporteren naar en te verkopen aan industriële eindverwerkers (fabrieken).
Gezien het feit dat deze binnenvaartschepen slechts korte tijd aan wal liggen, en snel moeten worden gelost, dienen de ladingen contant te worden voldaan.
Van de lading wordt een geleidebrief opgesteld, waarop de geladen kilo’s -na weging- worden vermeld.
Dit nummer, alsmede de leverancier van de lading, worden op de factuurbon vermeld, waarna de lading wordt getransporteerd naar een industriële verwerker.
Deze betaalt de lading vervolgens per bank.
Betaling van de inkopen vindt uitsluitend plaats middels pin-opnamen van de rekening, waarop de verkopen binnenkomen.
Administratief bestaat evenwicht tussen het gewicht van de ingekochte en verkochte ladingen.
Aangezien het belang van cliënte uitsluitend bestaat uit het realiseren van de marge tussen inkoop en verkoop van de lading, wenst zij gevolgde procedure met de Belastingdienst afstemmen, teneinde in de toekomst eventuele discussies inzake de contante inkoop te voorkomen.”



2.15.4.
Belastingambtenaar [naam 4] van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor […] heeft bij brief van 27 juli 2006 bericht dat hij akkoord kan gaan met de voorgestelde werkwijze van [B.V. 2] .



2.16.
De Belastingdienst heeft in de administratie van [B.V. 2] onder meer aangetroffen: (i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1); (ii) genummerde inkoopfacturen op naam van [B.V. 1] ter zake van ingekochte slops, waaruit volgt dat de betaling per bank aan belanghebbende zou plaatsvinden; (iii) genummerde inkoopfacturen op naam van het schip van belanghebbende ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden.



2.17.
Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 2] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 2] aan [B.V. 3] . Op basis van de administratie van [B.V. 2] (in het bijzonder de begeleidingsbrieven met daarop de afdrukken van het weegbrugstempel van [B.V. 3] ) kon worden bepaald welke omzet [B.V. 2] heeft behaald met de verkoop van de ladingen aan [B.V. 3] en welke ladingen volgens de desbetreffende begeleidingsbrieven afkomstig waren van belanghebbende. Ook kon zodoende worden bepaald wat het vocht/vuilpercentage van de afgeleverde ladingen was, omdat die ladingen bij [B.V. 3] op de weegbrug werden gewogen en werden bemonsterd. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [B.V. 2] op het punt van de van de schipper ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen (ook die waaruit volgt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden) als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de desbetreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.


De navorderingsaanslagen




2.18.
Bij brief van 7 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze hij de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 2] voor de afgifte van slops heeft verantwoord in de administratie van zijn onderneming en in de aangiften IB/PVV over de jaren 2012 en 2013. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 2] . Tevens zijn de desbetreffende inkoopfacturen van [B.V. 2] in een bijlage bij deze brief gevoegd. De Inspecteur heeft in deze brief aangekondigd dat hij navorderingsaanslagen met vergrijpboetes zal opleggen als blijkt dat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verantwoord. De Inspecteur ging op dat moment ervan uit dat de betalingen inclusief omzetbelasting waren, waardoor hij de bedragen van de contante betalingen heeft verminderd met te berekenen omzetbelasting. De Inspecteur kwam uit op omzetcorrecties van in totaal respectievelijk € 3.306 (2012) en € 41.074 (2013).



2.19.
Bij brief van 15 november 2017 heeft belanghebbende via zijn advocaat gereageerd op de brief van 7 november 2017 en verklaard geen contante betalingen te hebben ontvangen van [B.V. 2] ter zake van de afgifte van slops uit het schip.



2.20.
De daarop volgende nadere correspondentie en het e-mailverkeer tussen de advocaat van belanghebbende en de Inspecteur heeft niet geleid tot herziening van het voornemen van de Inspecteur tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes, welke overeenkomstig de aankondiging zijn opgelegd. Het nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt berekend:













2012




2013





Contante betalingen


€ 4.000


€ 49.700















Berekende omzet


€ 3.306


€ 41.074















Eerder vastgesteld belastbaar inkomen


€ 39.925


€ 109.334




Bij: meer omzet


€ 3.306


€ 41.074




Af: hogere MKB-winstvrijstelling


€ 397


€ 5.750




Nader vastgesteld belastbaar inkomen


€ 42.834


€ 144.658








2.21.
Tijdens de bezwaarfase heeft de advocaat van belanghebbende bij brief van 12 oktober 2018 stukken uit de administratie van belanghebbende zelf overgelegd aan de Inspecteur. Dit betreft:
- Facturen 2012 inzake de bareboatcharter en vrachtcharter van [B.V. 1] aan belanghebbende;
- Facturen 2013 inzake de bareboatcharter en vrachtcharter van [B.V. 1] aan belanghebbende en overzichten van door te belasten facturen van [B.V. 2] aan [B.V. 1] ;
- Eén Begeleidingsbrief B1 (datum weegbrugstempel: 18/07/2013);
- Grootboekkaarten jaar 2012;
- Grootboekkaarten jaar 2013; en
- Olieafgifteboekje (bilgeboekje).



2.22.
Bij e-mail van 26 augustus 2019 heeft de advocaat van belanghebbende aan de Inspecteur nadere stukken uit de administratie van belanghebbende zelf overgelegd die zich bij de boekhouder van belanghebbende bevonden. Dit betreft onder meer bankafschriften van de onderhavige jaren op naam van de eenmanszaak. De advocaat heeft verder in deze e-mail laten weten dat een deel van de administratie van belanghebbende verloren is gegaan doordat de woning aan boord van het schip waar zich de administratie bevond, is uitgebrand. Bij e-mail van 15 januari 2020 heeft de advocaat bewijsstukken van de brand aan de Inspecteur overgelegd.



2.23.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes gehandhaafd.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:


“Op de zaak betrekking hebbende stukken


30. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Dat zijn alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.[2]

31. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens eiser heeft verweerder slechts brokken van het strafrechtelijk onderzoek overgelegd, terwijl hij wel over het gehele dossier beschikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser erop dat de officier van justitie toestemming heeft verleend aan verweerder voor het gebruik van het dossier. Hierdoor behoort volgens eiser het gehele strafdossier tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en is het ten onrechte niet overlegd.

32. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van artikel 8:42 Awb geen sprake is. Verweerder heeft verklaard niet het gehele strafdossier tot zijn beschikking te hebben. Volgens verweerder heeft hij alleen (afschriften van) de stukken ontvangen die fiscaal relevant zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verweerder over meer stukken de beschikking had dan de stukken die hij reeds heeft overlegd.


Nieuw feit


(…)


Vereiste aangiften


35. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[3]

36. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek (met name de daar beschreven modus operandi), de bevindingen uit het door verweerder ingestelde onderzoek bij [B.V. 2] [ [B.V. 2] , Hof] en op de bevindingen uit het onderzoek naar de administratie van eiser en de door [B.V. 2] beschreven werkwijze (zie r.o. 11). Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat de beschreven werkwijze ook volgt uit de administratie van [B.V. 2] . Hij wijst op inkoopfacturen 4001 en 4000 en begeleidingsbrief met nummer […] (r.o. 13 tot en met 15). Inkoopfactuur 4001 komt voor op het door eiser verstrekte overzicht van doorbelaste facturen van [B.V. 1] [ [B.V. 1] , Hof]. Inkoopfactuur 4000 komt niet voor op dat overzicht. Volgens inkoopfactuur 4001 heeft [B.V. 2] voor 5.156 kilogram een bedrag van € 3.299,84 betaald. Volgens de begeleidingsbrief bedroeg de geschatte afgegeven hoeveelheid 15.000 kilogram. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief leidt verweerder af dat de door het schip daadwerkelijk afgegeven slop 19.280 kilogram bedraagt. Op inkoopfactuur 4000 staat dat [B.V. 2] voor 12.090 kilogram een bedrag van € 6.650 contant heeft betaald. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat eiser geen vergoeding heeft ontvangen voor de 12.090 kilogram en is het vocht/vuilpercentage van 65 onjuist. Uit de meetgegevens van [B.V. 3] [ [B.V. 3] , Hof] en de factuurberekening tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] volgt dat het vocht-vuilpercentage 6 was. Verweerder heeft als voorbeeld ook gewezen op factuurnummers 3476 (contant op naam van het schip) en 3477 (aan [B.V. 1] ) van 22 respectievelijk 23 november 2012 met begeleidingsbrief […] en weegbonnummer 12-15610 Uit de weegbongegevens volgt een vocht/vuilpercentage van 32 in plaats van de op één van de twee tot het dossier behorende begeleidingsbrieven en de op de aan [B.V. 1] gerichte factuur vermelde 80%. Het is volgens verweerder zeer onwaarschijnlijk dat [B.V. 2] slechts voor 4.164 kg van de ingenomen 20.802 kg olie zou hebben betaald. Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen.

37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiser contante betalingen heeft ontvangen die niet in zijn aangiften zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde (bank- en) contant facturen op naam van het schip en de informatie op de spreadsheets, waaruit de door eiser geleverde slops door middel van het nummer op de begeleidingsbrief te volgen zijn naar [B.V. 3] en uit de meetgegevens van [B.V. 3] volgt dat de samenstelling van de slops bestaat uit een (zeer) laag vocht/vuilgehalte. Uit dit laatste, in samenhang bezien met de afrekening tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] , volgt dat de door eiser geleverde slops een aanzienlijke positieve waarde hadden. Ook zijn contant facturen op naam van het schip te herleiden naar de vermeldingen van contante bedragen op de weekkalender. Dit alles in samenhang bezien acht de rechtbank voldoende voor het aannemen van het hiervoor genoemde bewijsvermoeden.

38. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.

39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft in beroep naast formele gronden enkel ontkend contante bedragen te hebben ontvangen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiser niet op de hoogte was en wilde zijn van de waarde van de slops omdat het afgeven van slops niet zijn “core business” is. De (periodieke) afgifte van slops is immers een noodzakelijke activiteit voor het kunnen uitoefenen van de onderneming, en daarmee juist onderdeel van de “core business”. Daarmee valt niet te rijmen dat eiser er niet mee bekend was dat met de afgifte van slops aanzienlijke bedragen gemoeid waren, die ofwel tot de omzet, dan wel tot de kosten van de onderneming gerekend moesten worden en daarmee het bedrijfsresultaat direct raken. Daarbij is niet weersproken dat sinds de aanvang van het onderzoek de samenstelling van de afgegeven slops aanzienlijk is gewijzigd. Het is voorts naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat [B.V. 2] de door hem gevoerde sluitende en zeer gedetailleerde kasadministratie zou hebben opgesteld enkel voor eigen gewin en eiser slops aan [B.V. 2] heeft geleverd met een aanzienlijke positieve waarde en daar niet voor betaald zou zijn. Het had op de weg van eiser gelegen om met meer informatie te komen dan het enkel ontkennen van de ontvangst van de contante betalingen en het aanvoeren van formele verweren. Eiser had bijvoorbeeld een verklaring van [B.V. 2] kunnen vragen of inzichtelijk kunnen maken dat de samenstelling van de afgegeven slops niet ongebruikelijk was, dan wel onveranderd sinds de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek.

40. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van het niet aangeven van de contante betalingen niet zou worden geheven is voor alle jaren zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk. Eiser moet zich hier bewust van zijn geweest.


Redelijke schatting


41. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De rechtbank acht de schatting van verweerder redelijk. Verweerder is namelijk uitgegaan van de in de administratie van [B.V. 2] aangetroffen facturen en de uit de stukken op te maken geldstromen.

42. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat verweerder de winst uit onderneming te hoog heeft vastgesteld. De enkele ontkenning van de ontvangst van de betalingen is daartoe onvoldoende.


Boetebeschikkingen


43. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen, vergrijpboetes van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiser. Het betreft vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de AWR in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen[4].

44. Verweerder stelt dat eiser met zijn handelwijze willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat de contante ontvangsten onbelast zijn gebleven. Verweerder voert aan dat gelet op de substantiële omvang van de contante betalingen deze niet aan de aandacht van eiser kunnen zijn ontsnapt. Door de contante betalingen zijn de betreffende leveringen aan het zicht onttrokken. Door het structureel niet opnemen van de contante ontvangsten in de administratie heeft eiser volgens verweerder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de omzet tegen een te laag bedrag in de aangiften is verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Derhalve zijn volgens verweerder boeten van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden.

45. Eiser stelt dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd aangezien hij de door verweerder gestelde contante bedragen niet heeft ontvangen van [B.V. 2] . Volgens eiser valt die conclusie ook helemaal niet te trekken uit het strafrechtelijk onderzoek. Verder stelt eiser dat indien er wel sprake zou zijn van contante betalingen door [B.V. 2] , verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt aan wie die betalingen dan zijn gedaan.

46. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Voor een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft niet aangetoond dat eiser de contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder niet heeft aangetoond aan wie de contante betalingen, waarvan de facturen op naam staan van het schip, zijn gedaan. Dat het aannemelijk is dat eiser de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.


Belastingrente


47. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.

48. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 46 dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.


Immateriële schadevergoeding


49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser recht op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedure.[5] De stelling van verweerder dat in het geval van stelselmatige, langdurige en omvangrijke fraude moet worden afgeweken van het veronderstellen van spanning en frustratie, vindt, wat daar verder ook van zij, geen steun in het recht.

50. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de twee navorderingsaanslagen sprake is van samenhang. Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank uitgaan van het oudste bezwaarschrift. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 28 mei 2018 en deze uitspraak is een periode van vijf jaar en afgerond zeven maanden verstreken.

51. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. De rechtbank ziet echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. De complexiteit van de zaken en de omvang van het strafrechtelijke dossier zijn voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met zes maanden te verlengen. Daarnaast ziet de rechtbank in het onder 20 tot en met 23 beschreven procesverloop, waaruit blijkt dat verweerder de gemachtigde keer op keer tevergeefs in de gelegenheid heeft gesteld om gronden aan te vullen of te reageren om een reactie op de verschillende voorstellen voor een datum voor het hoorgesprek, aanleiding om de redelijke termijn met één jaar te verlengen. Alles bij elkaar genomen is er aanleiding om de redelijke termijn voor de bezwaarfase met één jaar en zes maanden te verlengen, waardoor de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase uitkomt op in totaal drie jaar en zes maanden.

52. Gelet op het voorgaande is de overschrijding van de redelijke termijn dus twee jaar en één maand. Derhalve bestaat er recht op een vergoeding van € 2.500. Van de overschrijding dient twaalf maanden te worden toegerekend aan verweerder (€ 1.200) en dertien maanden komt voor de rekening van de Staat (€ 1.300).

(…)

[2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
[3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
[4] ECLI:NL:HR:2022:526.
[5] Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen 2012 en 2013 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, alsmede of de vergrijpboetes 2012 en 2013 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan is toegekend door de Rechtbank.


4.2.1.
Meer specifiek spitst het geschil in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/56 en BK-24/57) zich toe op de volgende vragen:



Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgelegd?


Is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing wegens het niet doen van de vereiste aangifte?


Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel kan de Inspecteur zich met vrucht beroepen op kwade trouw als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR?


Dient een aanvullende vergoeding van immateriële schade te worden toegekend?





4.2.2.
Meer specifiek spitst het geschil in het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/166 en BK-24/167) zich toe op de volgende vragen:

Zijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?
Kan belanghebbende in dat kader met vrucht een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel (de meerderheidsregel)?




4.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behalve wat betreft de beslissingen omtrent de vergrijpboetes, de proceskosten en het griffierecht. Belanghebbende concludeert voorts tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de bijbehorende rentebeschikkingen, tot toekenning van een aanvullende vergoeding van immateriële schade, alsmede tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep en tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur.



4.4.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch alleen voor zover daarin de vergrijpboetes zijn vernietigd, en tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende.





Beoordeling van de hoger beroepen


Geschilpunt a (op de zaak betrekking hebbende stukken)



5.1.
Belanghebbende wijst erop dat het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ niet volledig is ingebracht door de Inspecteur. Dat hij slechts delen daarvan heeft ontvangen, blijkt niet uit de stukken. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op artikel 8:42, lid 1, Awb, zodat stellingen van de Inspecteur niet kunnen worden geverifieerd. Volgens belanghebbende is voor zijn zaak in het bijzonder van belang hetgeen uit het strafdossier over de administratie van [B.V. 2] en de geloofwaardigheid daarvan blijkt. Bovendien heeft het ontbreken van op de zaak betrekking hebbende stukken erin geresulteerd dat de Rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, aldus belanghebbende.



5.2.
De Inspecteur heeft verklaard dat de officier van justitie de naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek opgestelde processen-verbaal alsmede delen van de in beslaggenomen stukken uit de administraties van [B.V. 2] , [B.V. 3] en een aantal betrokken schippers op een USB-stick aan hem ter beschikking heeft gesteld. Hij heeft een lijst van deze bestanden opgesteld. Hij heeft deze stukken als bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegd, behoudens voor zover zij niet specifiek betrekking hebben op belanghebbende.



5.3.
Artikel 8:42, lid 1, Awb schrijft voor dat de inspecteur binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Dit betreft alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2; HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2).



5.4.
Aannemelijk is geworden dat de officier van justitie slechts de door de Inspecteur genoemde delen van het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ aan hem heeft verstrekt. Die opsomming is immers goed te rijmen met de tot de gedingstukken behorende vordering die de Inspecteur op grond van artikel 55 AWR heeft ingesteld, en concrete aanwijzingen dat meer documenten zouden zijn overgedragen ontbreken. Verder geldt dat de Inspecteur stukken die zich bevinden onder het OM en die niet aan hem zijn verstrekt niet behoeft over te leggen, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de Inspecteur ten onrechte een of meer van de bij name opgesomde documenten van de USB-stick heeft achtergehouden, heeft hij verzuimd die documenten te benoemen en te motiveren dat ze van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is derhalve niet aannemelijk geworden. De grief over een daaruit voortvloeiend motiveringsgebrek behoeft mitsdien geen behandeling.


Geschilpunt b (vereiste aangifte: omkering en verzwaring van de bewijslast)




5.5.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor een deel van zijn slops contante betalingen heeft ontvangen van [B.V. 2] die hij niet heeft verantwoord in zijn bedrijfsresultaat en niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet de vereiste aangiften gedaan.



5.6.
Voor omkering van de bewijslast op grond van het niet doen van de vereiste aangifte dient de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de door belanghebbende ingediende aangiften zowel absoluut als relatief gezien, in aanzienlijke mate bewust te laag zijn gedaan (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Belanghebbende stelt dat hij de door de Inspecteur gestelde contante betalingen nooit heeft ontvangen. Volgens belanghebbende heeft [B.V. 2] in zijn administratie valse contantfacturen opgemaakt die nooit aan hem zijn verzonden of gegeven. Gelet op het voorgaande rust op de Inspecteur de bewijslast om – in de eerste plaats – aannemelijk te maken dat belanghebbende in de onderhavige jaren méér inkomsten heeft genoten (in de vorm van contante betalingen) dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor deze jaren heeft aangegeven.



5.7.
De Inspecteur heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt samengevat weergegeven het volgende aangevoerd over de werkwijze (modus operandi) van belanghebbende en [B.V. 2] .


5.7.1.
Op het afgesproken tijdstip haalde [B.V. 2] de af te geven slops op bij het schip. Na het lossen werd op de begeleidingsformulieren, in het bijzijn van belanghebbende, de geschatte hoeveel product, een onjuist (hoog) percentage vocht/vuil en een onjuist (hoog) FFA-gehalte vermeld. Belanghebbende tekende in 2012 en 2013 op zes van de tien begeleidingsbrieven voor akkoord en kreeg hiervoor een exemplaar voor zijn eigen administratie (Begeleidingsbrief B2). Vervolgens betaalde [B.V. 2] het door belanghebbende gewenste contante bedrag.



5.7.2.
Na de afgifte vervoerde [B.V. 2] de partij naar [B.V. 3] . [B.V. 3] woog de partij, scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte. Op basis van deze gegevens werd de prijs van de partij bepaald. [B.V. 3] plaatste vervolgens een weegbrugstempel op de begeleidingsbrief. De weegbrugstempel vermeldde onder meer het exacte gewicht van de partij. [B.V. 3] hield één exemplaar zelf (Begeleidingsbrief A1) en gaf twee exemplaren aan [B.V. 2] , één voor de administratie van [B.V. 2] (Begeleidingsbrief C1/A2) en één voor de administratie van belanghebbende (Begeleidingsbrief B1). [B.V. 2] voegde in de meeste gevallen aan de begeleidingsbrief met weegbrugstempel nog het exacte (veel lagere) percentage vocht/vuil en het exacte (veel lagere) FFA-gehalte toe.



5.7.3.
Vervolgens maakte [B.V. 2] op naam van het desbetreffende schip en op het adres van de desbetreffende schipper/ontdoener waarvan partijen plantaardige olie werden ingekocht, een contant inkoopfactuur exclusief omzetbelasting op, met de datum van de afgifte. Daarop vermeldde [B.V. 2] het nettogewicht van de afgegeven partij, het (meestal) lagere gewicht waarvoor contant was betaald en de prijs per kilogram. [B.V. 2] maakte ook een bank inkoopfactuur op inclusief omzetbelasting, eveneens met de datum van de afgifte. In de meeste gevallen had deze factuur een nummer volgend op het nummer van de bijbehorende contant inkoopfactuur. Ook op de bank inkoopfactuur vermeldde [B.V. 2] in voorkomende gevallen het nettogewicht van de afgegeven partij.



5.7.4.
Het per bank over te maken bedrag berekende [B.V. 2] door het deel van de plantaardige olie waarvoor nog niet contant was betaald te vermenigvuldigen met de prijs per kilogram. De som van het gewicht waarvoor volgens de bank- en contant inkoopfacturen wordt betaald is lager dan het op deze facturen vermelde nettogewicht, dat overeenkomt met het netto afgegeven aantal kilogram volgens de weegbrugstempel van [B.V. 3] op de desbetreffende begeleidingsbrief. Het verschil betreft het vocht/vuil. Deze hoeveelheid komt overeen met het absolute equivalent van het percentage vocht/vuil dat [B.V. 2] bijschreef op de begeleidingsbrief met weegbrugstempel (Begeleidingsbrief B1), welke door [B.V. 2] ofwel tezamen met de bank inkoopfactuur aan belanghebbende werd gezonden, ofwel bij de volgende levering aan belanghebbende werd overhandigd. Door deze werkwijze werd belanghebbende, aldus de Inspecteur, door [B.V. 2] op de hoogte gesteld van de door [B.V. 3] gemeten hoeveelheid zuivere plantaardige olie in kilogram en het vastgestelde vocht/vuilpercentage.



5.7.5.
Ter illustratie van de geld- en goederenstromen heeft de Inspecteur een tweetal voorbeelden nader uitgewerkt.




5.8.
Volgens de Inspecteur leveren de gegevens uit de administratie van [B.V. 2] , de gegevens verkregen bij het fiscale onderzoek (waaronder het gespreksverslag van 13 maart 2018) en de stukken uit en getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het strafrechtelijke onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ het bewijsvermoeden op dat belanghebbende de op de contantfacturen vermelde bedragen contant heeft ontvangen van [B.V. 2] .



5.9.
Belanghebbende heeft de juistheid van de door de Inspecteur geschetste toedracht gemotiveerd weersproken en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de persoon van de afnemer ( [B.V. 2] ) en de redenen die [B.V. 2] zou kunnen hebben gehad om (valse) contantfacturen op te nemen in zijn administratie.


5.9.1.
Ter zitting van het Hof hebben belanghebbende en drie andere belanghebbenden in één van de onder 1.6 vermelde zaken verklaard dat zij nooit het vermoeden hebben gehad dat er (veel) meer kilogram olie in hun slops zat dan waarvoor zij door [B.V. 2] per bankbetaling op de bank inkoopfactuur betaald hebben gekregen. Zij hebben gesteld dat zij voor de ontdoening van hun slops waren aangewezen op [B.V. 2] en dat zij erop vertrouwden, en mochten vertrouwen, dat [B.V. 2] een betrouwbare zakenpartner was en daarom in goed vertrouwen met hem hebben gehandeld.



5.9.2.
Over de gang van zaken bij de afgifte van slops aan [B.V. 2] hebben belanghebbende en de andere schippers ter zitting van het Hof het volgende verklaard. Op het moment van ontdoening werd de hoeveelheid afgegeven slops (in kilogram) geschat, waarbij de schipper geen direct zicht had op de hoeveelheid olie die in het waswater van de sloptank zat. Dit was namelijk afhankelijk van verschillende factoren, zoals de soort olie die werd vervoerd en of sprake was van een zogenoemd eenheidstransport (opeenvolgende transporten met dezelfde soort olie); het ging om waswater dat vele malen was gebruikt en om restolie welke was verzameld na diverse reinigingen van de tanks en leidingen na verschillende transporten. In sommige gevallen werd door [B.V. 2] bij de afgifte van de slops een monster genomen en werd het vocht/vuilgehalte bij benadering gemeten in een centrifuge in zijn vrachtwagen. Het door [B.V. 2] op de Begeleidingsbrief B2 geplaatste (geschatte) vocht/vuilgehalte werd door de schipper aangenomen; zij gingen af op hetgeen door [B.V. 2] daaromtrent werd gesteld. De schippers hadden geen inzicht in de waarde die de slops hadden voor [B.V. 2] en [B.V. 3] . Voor hen ging het om een afvalstof, waarvan zij zich moesten ontdoen; het was voor hen al mooi indien zij daarvoor niet hoefden te betalen. De Begeleidingsbrief B2 (zonder weegbrugstempel) werd door de schipper en door [B.V. 2] ondertekend. Pas geruime tijd na de afgifte van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] (een maand of maanden later) werd, indien de slops een positieve waarde bleken te hebben, door de schipper – in het onderhavige geval: via de bevrachter [B.V. 1] – een bank inkoopfactuur van [B.V. 2] ontvangen. De gegevens op de ontvangen bank inkoopfacturen hebben bij de schippers nooit de vraag opgeroepen of zij meer betaald hadden moeten krijgen dan wat zij volgens de bank inkoopfacturen betaald hebben gekregen. Zij vergeleken die stukken niet met elkaar. Op latere vermeldingen door [B.V. 2] op begeleidingsbrieven hadden zij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 3] bepaalde gewicht van de inhoud van tankwagen, het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte.



5.9.3.
Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat [B.V. 2] als verdachte aangemerkt is (geweest) in het strafrechtelijk onderzoek, alsmede dat hij de mogelijkheid had om de samenstelling van de slops te manipuleren tussen het moment van de afgifte van de slops door de schipper aan [B.V. 2] en de aanbieding van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] , bijvoorbeeld door vocht weg te laten lopen of door verschillende slops bij elkaar te pompen (vermenging), waardoor de meetgegevens van [B.V. 3] in positieve zin zouden kunnen zijn bijgesteld. Voorts heeft de advocaat van belanghebbende erop gewezen dat de Belastingdienst in 2006 toestemming heeft gegeven aan [B.V. 2] om grote contante bedragen op te nemen (zie 2.15). Volgens [B.V. 2] was dat – aldus de advocaat van belanghebbende: beweerdelijk – nodig om schippers contant te kunnen betalen. Hij stelt dat [B.V. 2] door de akkoordverklaring van de Belastingdienst ‘op het spek werd gebonden’ om zich vorenbedoelde bedragen toe te eigenen. [B.V. 2] heeft de gedetailleerde en sluitende (interne) in- en verkoopadministratie aldus opgemaakt voor eigen gewin. Onduidelijk is of [B.V. 2] die bedragen zelf heeft gehouden, dan wel heeft gedeeld met derden. Belanghebbende heeft tot slot erop gewezen zelf in de onderhavige jaren, in tegenstelling tot de gebroeders [B.V. 2] , geen luxe leven te hebben geleid.




5.10.
De Inspecteur heeft dit een en ander niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Hij wijst in het bijzonder erop dat het veelal gaat om blote stellingen van belanghebbende en dat daarmee niet het door hem verdedigde bewijsvermoeden (zie 5.8) kan worden ontzenuwd.



5.11.
Alle stukken van het (omvangrijke) procesdossier in ogenschouw nemend en mede gelet op de door belanghebbende ter zitting afgelegde, geloofwaardige verklaringen, is de door de Inspecteur gestelde toedracht, waarin belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant heeft ontvangen, niet aannemelijk geworden. Met name gelet op de rol van [B.V. 2] is waarschijnlijker het door belanghebbende geschetste scenario, waarin de uit de administratie van [B.V. 2] volgende contante opnames, die de Inspecteur in verband brengt met de afgifte van slops door belanghebbende, niet ten goede zijn gekomen aan belanghebbende maar door [B.V. 2] in eigen zak zijn gestoken.


5.12.1.
Redengevend hiervoor is in de eerste plaats dat – naar tussen partijen niet in geschil is – [B.V. 2] heeft gesjoemeld met vocht/vuilpercentages en FFA-gehalten op begeleidingsbrieven, alsmede dat hij vocht/vuilpercentages op facturen heeft bijgesteld om het een en ander kloppend te maken. Er bestaan forse verschillen tussen de inschattingen van de vocht/vuilpercentages die door [B.V. 2] zijn vermeld op de begeleidingsbrieven en de daarop gebaseerde bank inkoopfacturen enerzijds en de meetgegevens bij [B.V. 3] anderzijds. In het Basis-PV ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ worden nog diverse andere gevallen beschreven die aanwijzingen opleveren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door [B.V. 2] opzettelijk werden misleid door het opmaken van valse en vervalste documenten en het achterwege laten van documenten. De Inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende contant is uitbetaald voor het meerdere aan kilogram olie dat volgens de meetgegevens van [B.V. 3] in de door hem aan [B.V. 2] afgegeven slops zat. De Inspecteur heeft daarvoor evenwel – zoals hij ter zitting van het Hof ook heeft erkend – geen enkel bewijs ingebracht dat niet afkomstig is van [B.V. 2] . Over de betrokkenheid van belanghebbende bij het sjoemelen met de gegevens of diens bekendheid daarmee is niets gebleken.



5.12.2.
De Inspecteur heeft erop gewezen dat de administratie van [B.V. 2] naadloos aansluit op de constateringen van het OM en de controlerend ambtenaren van de Belastingdienst. Daaruit volgt echter niet méér dan dat [B.V. 2] de registraties van zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor [B.V. 2] bestond een motief voor het opnemen van contante betalingen in zijn administratie; dat drukte immers de nettowinst, terwijl hij bovendien over die contante bedragen, waarvan waarschijnlijk is dat [B.V. 2] die in eigen zak heeft gestoken, geen belasting hoefde te betalen. Verder werden van de gestelde contante betalingen, aldus ook de Inspecteur, geen kwitanties opgemaakt en is het opmerkelijk dat de contantfacturen (zonder het bedrijfslogo van [B.V. 2] ) zijn opgemaakt exclusief omzetbelasting, terwijl de bank inkoopfacturen (mét bedrijfslogo) inclusief omzetbelasting zijn. Tevens is opvallend dat [B.V. 2] op contantfacturen veelal een andere marktprijs per kilogram slops hanteerde dan op de bankfacturen, terwijl voor deze verschillen geen bevredigende verklaring voorhanden is. Ten slotte is van belang dat geen enkele van de door [B.V. 2] opgemaakte contantfacturen is aangetroffen in de administratie van belanghebbende. Dit alles doet in sterke mate af aan de overtuigingskracht van de contantfacturen als bewijs voor de gestelde contante betalingen aan belanghebbende.



5.12.3.
In het onderhavige geval is sprake van één door belanghebbende retour ontvangen Begeleidingsbrief B1 (geleidebonnummer: […] , behorend bij een inname door [B.V. 3] op 18 juli 2013), die afkomstig is uit de administratie van belanghebbende. Het daarop door [B.V. 2] bijgeschreven vocht/vuilpercentage is 73, wat volgens de stelling van de Inspecteur betekent dat géén waarde aan de slops kan worden toegekend. In zoverre bestond dan ook geen aanleiding voor belanghebbende om te reclameren bij [B.V. 2] over het lage aantal kilogram olie waarover is afgerekend volgens de bank inkoopfactuur. In het dossier waarover het Hof beschikt, bevinden zich verder geen Begeleidingsbrieven B1 uit de administratie van belanghebbende. Het Hof heeft dan ook in het geheel niet kunnen vaststellen dat belanghebbende door [B.V. 2] op de hoogte is gebracht van het bij [B.V. 3] gemeten vocht/vuilgehalte, zoals de Inspecteur heeft gesteld, maar door belanghebbende wordt betwist. Evenmin is in het geval van belanghebbende sprake van een vast patroon van opeenvolgende ‘setjes’ van contante en bank inkoopfacturen, waarmee belanghebbende door [B.V. 2] op de hoogte zou zijn gesteld van het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 3] werden vastgesteld (vgl. 5.7.4). Derhalve is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende daarvan op de hoogte was. Ten slotte ontbreken aanknopingspunten die wijzen op het bezit van contanten bij belanghebbende.




5.13.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat de contante betalingen aan belanghebbende die de Inspecteur heeft afgeleid uit de administratie van [B.V. 2] , daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voor zover al aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contant betaald heeft gekregen voor het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 3] werden vastgesteld, geldt dat dit gelet op het voorgaande redelijkerwijs moet worden betwijfeld, zodat het vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd en niet tot de door de Inspecteur voorgestane uitkomst kan leiden.


Tussenconclusie



5.14.1.
Het voorgaande brengt mee dat de onderhavige navorderingsaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.



5.14.2.
De in 4.2.1 onder c) en in 4.2.2 onder e) en f ) benoemde geschilpunten kunnen derhalve onbesproken blijven.


Geschilpunt d (vergoeding van immateriële schade en undue delay)





5.15.
Belanghebbende verzoekt om een aanvullende vergoeding van immateriële schade nu de redelijke termijn ook in hoger beroep zal worden overschreden. Belanghebbende meent voorts dat nu de redelijke termijn niet alleen is overschreden bij de behandeling van de procedure tegen de navorderingsaanslagen, maar ook in die tegen de boetes, daarvoor een aanvullende schadevergoeding dient te worden toegekend, aangezien de boetes zijn vernietigd door de Rechtbank, zodat genoegdoening niet kan plaatshebben door vermindering van die boetes.



5.16.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de boetes terecht zijn opgelegd en dat de overschrijding van de redelijke termijn dus dient te worden gecompenseerd door vermindering van de boetes. Voorts meent de Inspecteur kennelijk dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, dient te worden bezien in hoeverre de tijd gemoeid met de behandeling van het geschil in eerste aanleg en hoger beroep tezamen een periode van vier jaar heeft overschreden.


5.17.1.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3). In dit geval bestaat, anders dan de Inspecteur kennelijk meent, geen aanleiding de duur van de totale procedure tot nu toe in ogenschouw te nemen, reeds omdat belanghebbende niet voor het eerst in hoger beroep maar al in eerste aanleg heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3).



5.17.2.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 25 januari 2024 en heden wordt uitspraak gedaan op 16 juli 2026, terwijl bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn in hoger beroep zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de termijn van twee jaar is overschreden met niet meer dan zes maanden. Belanghebbende heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien de onderhavige zaken over 2012 en 2013 als samenhangend worden beschouwd omdat deze dezelfde geschilpunten betreffen en gelijktijdig zijn behandeld, heeft belanghebbende wat betreft de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen 2012 en 2013 in hoger beroep – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 2.500 – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.



5.18.1.
Wat betreft de boetebeschikkingen 2012 en 2013 geldt het volgende.



5.18.2.
Nu de Rechtbank de boetebeschikkingen heeft vernietigd en die beslissing in hoger beroep in stand blijft, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boetes. De vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn vindt plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk (zie HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, r.o. 5.2.3).



5.18.3.
De vergrijpboete voor het jaar 2012 bedroeg minder dan € 1.000, zodat aan belanghebbende wat betreft die boetebeschikking geen vergoeding wordt toegekend en wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

5.18.4.1. De vergrijpboete voor het jaar 2013 bedroeg meer dan € 1.000 en belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een dergelijk geval kan compensatie voor de vorenbedoelde verdragsschending worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de navorderingsaanslag en de rentebeschikking (vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1, HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, r.o. 6.4, en HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1142, r.o. 2.4.3).
5.18.4.2. Voor de procedure in eerste aanleg geldt dat de in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 7 november 2017, toen de boete is aangekondigd (zie 2.18), en is geëindigd toen de Rechtbank op 19 december 2023 uitspraak deed, zodat de in aanmerking te nemen termijn 6 jaar en afgerond 2 maanden (74 maanden) bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om de redelijke termijn van twee jaar voor deze fase van de procedure met één jaar en zes maanden te verlengen. In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met 2 jaar en afgerond 8 maanden (32 maanden) (te weten: 74 maanden minus (24+18=) 42 maanden). In verband met deze overschrijding heeft belanghebbende recht op een vergoeding van € 3.000 (32 maanden vormen afgerond zes keer een half jaar à € 500).
Van het tijdsverloop in eerste aanleg kan de periode vanaf de uitspraak op bezwaar (3 juni 2021) tot de uitspraak van de Rechtbank op 19 december 2023, derhalve een tijdsverloop van afgerond 31 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase.
Een tijdsverloop van afgerond (74 – 31 =) 43 moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet – gelet op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden – een periode van (43 – 24 =) 19 maanden aan de Inspecteur worden toegerekend en een periode van (31 – 18 =) 13 maanden aan de Staat.
De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 19/32 deel van € 3.000 te betalen (€ 1.781) en de Staat 13/32 deel (€ 1.219).

5.18.4.3. Voor de procedure in hoger beroep geldt dat de redelijke termijn met – naar boven afgerond – zes maanden is overschreden (zie 5.17.2). Belanghebbende heeft derhalve voor deze fase van de procedure recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.




5.19.
Gelet op het vorenoverwogene zal – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 2.500 – de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 2.219 (€ 1.219 + € 500 + € 500) en de Inspecteur worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 1.781.


Slotsom




5.20.
Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond en het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.





Proceskosten en griffierecht


6.1.
De beslissingen van de Rechtbank omtrent de proceskosten en het griffierecht worden in stand gelaten. De Rechtbank heeft terecht en naar het juiste bedrag proceskosten toegekend naar de tarieven die golden op het moment van doen van uitspraak door de Rechtbank.



6.2.
Verder bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep, waarbij, gelet op de inhoud van de dossiers, de onderhavige zaken met de nummers BK-24/56 en BK-24/57 worden aangemerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hetzelfde geldt voor de zaken met de nummers BK-24/166 en BK-24/167. Deze kosten worden, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de zaken met de nummers BK-24/56 en BK-24/57 tezamen vastgesteld op € 2.802 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (respectievelijk voor het indienen van het hogerberoepschrift en voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak)) en voor de zaken met de nummers BK-24/166 en BK-24/167 tezamen vastgesteld op € 1.401 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van het verweerschrift) met een waarde per punt van € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 4.203.



6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 138 te worden vergoed.



6.4.
Nu de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wordt vernietigd als gevolg van het hoger beroep van belanghebbende, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 559.





Beslissing

Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin de boetebeschikkingen 2012 en 2013 zijn vernietigd en een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht is toegekend;


vernietigt de uitspraken op bezwaar;


vernietigt de navorderingsaanslagen 2012 en 2013, alsmede de daarbij gegeven rentebeschikkingen 2012 en 2013;


veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.219;


veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.781;


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.203;


draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden; en


gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.





Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H. M . Strik.


De griffier, de voorzitter,










A.S.H. M . Strik P.J.J. Vonk


De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak