Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:3132 
 
Datum uitspraak:27-10-2026
Datum gepubliceerd:28-10-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:200.351.934/02
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:zorgplicht bank; renteswaps; verjaring
Trefwoorden:euriborlening
herstructurering
kredietovereenkomst
tarieven
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel

Zaaknummer: 200.351.934/02
Zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 22/00978
Zaaknummer gerechtshof Amsterdam: 200.269.911/01
Zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/651726/HA ZA 18-757



Arrest van 27 oktober 2026


in de zaak van




1 N.A.M. Mak B.V.,
2. Mak Houdster B.V.,
3. Mak ’t Zand B.V.,
4. Variety B.V.,
alle gevestigd in Wieringerwerf,
appellanten,
advocaat: mr. H.J. Bos, kantoorhoudend in De Woude,

tegen


Deutsche Bank AG,

gevestigd in Frankfurt am Main (Duitsland),
mede kantoor houdende te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Mak c.s. en Deutsche Bank.




1De zaak in het kort

1.1
Mak c.s. bankierde tot 2017 bij (de rechtsvoorganger van) Deutsche Bank. Volgens Mak c.s. heeft Deutsche Bank haar zorgplicht geschonden, door Mak c.s. in 2006 en 2007 te adviseren renteswaps aan te gaan, en bij de herstructurering van de kredietfaciliteiten van Mak c.s. in 2009. Zij vordert onder meer vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade. Deutsche Bank is van mening dat de vorderingen van Mak c.s. verjaard zijn en dat zij, Deutsche Bank, haar zorgplicht niet heeft geschonden. Daarnaast beroept zij zich met betrekking tot een van de renteswaps op een vaststellingsovereenkomst die partijen ten aanzien daarvan hebben gesloten.


1.2
Het hof komt tot de conclusie dat de vorderingen van Mak c.s. ten aanzien van de herstructurering van het krediet in 2009 zijn verjaard. De vorderingen ten aanzien van de schending van de zorgplicht bij het aangaan van de renteswaps zijn niet verjaard. Het hof oordeelt dat deze vorderingen toewijsbaar zijn. De bank kan een beroep doen op de vaststellingsovereenkomst.




2Procesverloop

2.1
Voor het verloop van het geding tot en met het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:19), gewezen tussen Mak c.s. als eiseressen tot cassatie en Deutsche Bank als verweerster in cassatie, verwijst het hof naar dat arrest (hierna: het verwijzingsarrest). Bij het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof Amsterdam) van 21 december 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:4046) vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.


2.2
Bij exploot van 20 december 2024 heeft Mak c.s. Deutsche Bank opgeroepen voor dit hof om voort te procederen. Mak c.s. heeft vervolgens een memorie na verwijzing (met producties) genomen, waarop Deutsche Bank heeft gereageerd bij antwoordmemorie na verwijzing.


2.3
Op 23 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.


2.4
Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.




3Feitelijke achtergrond

3.1
Het hof gaat uit van de feiten zoals opgenomen door het hof Amsterdam en de Hoge Raad. Deze feiten zijn tussen partijen niet (langer) in geschil en luiden, voor zover hier relevant en aangevuld met overige feiten die tussen partijen vaststaan, als volgt.


3.2
Mak c.s. teelde, veredelde en vercommercialiseerde lelies. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw bestaat er een kredietrelatie tussen Deutsche Bank (dan wel haar rechtsvoorganger; beide hierna aangeduid als Deutsche Bank) en Mak c.s.


3.3
Bij overeenkomst van 27 juli 2006 hebben Deutsche Bank en Mak c.s. lopende kredietovereenkomsten geherstructureerd, onder meer in de vorm van een dertienjarige euriborlening van € 4,25 miljoen op basis van een variabele rente, gecombineerd met een renteswap met een looptijd van zeven jaar en elf maanden (hierna: renteswap I). Mak c.s. heeft door ondertekening van de nieuwe kredietovereenkomst tevens verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de ‘Brochure Derivatentransacties’ heeft ontvangen.


3.4
In een overeenkomst gedateerd 29 oktober 2007 en aangegaan op 7 november 2007, zijn Mak c.s. en Deutsche Bank een vijftienjarige lening overeengekomen van € 2,4 miljoen op basis van een variabele rente. Ook deze lening is gecombineerd met een renteswap, die een looptijd had van 10 jaar en één maand (hierna: renteswap II, en samen met renteswap I, de renteswaps). Mak c.s. heeft door ondertekening van deze kredietovereenkomst opnieuw verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de ‘Brochure Derivatentransacties’ heeft ontvangen.


3.5
Op 24 december 2009 zijn Mak c.s. en Deutsche Bank een nieuwe kredietovereenkomst (hierna: de 2009 overeenkomst) aangegaan, waarbij de dertienjarige en vijftienjarige leningen (voor het restant) werden gehandhaafd en een rekening-courantkrediet werd verstrekt van € 6,5 miljoen, bestaande uit een basiskrediet van € 1,2 miljoen, een seizoenskrediet van € 2,5 miljoen en een extra krediet van € 2,8 miljoen. De 2009 overeenkomst is gewijzigd bij overeenkomsten van 28 mei 2010 en 20 juli 2011.


3.6
Bij brief van 16 april 2013 heeft Deutsche Bank Mak c.s. meegedeeld dat zij wegens een aangescherpte strategische focus niet langer de geschikte bank is om Mak c.s. de producten en diensten aan te bieden die zij op dat moment afnam, en Mak c.s. gewezen op de mogelijkheden van Nederlandse banken die wel een breed lokaal aanbod hebben voor de bancaire producten en diensten die Mak c.s. op dat moment afnam. De individuele overeenkomsten met Mak c.s. zouden vooralsnog worden voortgezet.


3.7
In januari 2014 heeft Mak c.s. met de opbrengst van de verkoop van grond afgelost op het rekening-courantkrediet. Deutsche Bank heeft daarna aan Mak c.s. bevestigd dat de maximale limiet van het in rekening-courant verstrekte basiskrediet wordt verlaagd van € 1,2 miljoen naar € 500.000,-, zodat de totale maximale limiet in rekening-courant € 4.925.000,- bedroeg.


3.8
Naar aanleiding van de negatieve resultaten over de jaren 2012 en 2013 en de daarmee gepaard gaande situatie van liquiditeitskrapte hebben Deutsche Bank en Mak c.s. in mei 2014 besproken dat Mak c.s. 60 hectare bedrijfsgrond en de teeltkraam zou kunnen verkopen. Deze verkopen zijn kort daarna tot stand gebracht.


3.9
Bij brief van 6 augustus 2014 heeft Deutsche Bank aan Mak c.s. geschreven dat de verkoopopbrengst zal worden aangewend ten behoeve van de algehele aflossing van de vijftienjarige lening en de dertienjarige lening, de negatieve waarde (op het moment van de verkoop) van renteswap II van circa € 170.000,-, de inlossing van het basiskrediet en het seizoenskrediet, en van het extra krediet tot een maximale limiet van € 1.500.000,-. Mak c.s. heeft deze brief op 18 augustus 2014 voor akkoord ondertekend en geretourneerd aan Deutsche Bank, met onder meer de opmerking dat zij moeite heeft met de boetesom voor renteswap II.


3.10
De gesprekken die partijen daarna hebben gevoerd, hebben in november 2014 geleid tot een overeenkomst, inhoudend dat de verkoopopbrengst van € 6.321.710,18 werd toegerekend aan de vijftienjarige lening, de dertienjarige lening, een lening aan N.A.M. Mak, de negatieve waarde van renteswap II, en de rekening-courantfaciliteit, die is gereduceerd tot € 1.800.000,-. Het extra krediet zou stapsgewijs worden afgebouwd, de zekerheden zouden worden gehandhaafd, de “risk fee” zou komen te vervallen en Deutsche Bank zou voorwaardelijk een rentecorrectie van € 40.000,- betalen. Deze afspraken zijn neergelegd in een brief van Deutsche Bank van 12 november 2014, welke op 14 november 2014 door Mak c.s. is ondertekend.


3.11
In deze brief van 12 november 2014 van Deutsche Bank aan Mak c.s. is voorts het volgende opgenomen.

“Afspraken over uw kredietregeling

Deutsche Bank verwijst hierbij naar de gemaakte afspraken die per brief d.d. 14 augustus 2014 zijn vastgelegd, met inachtneming van de volgende wijzigingen en/of aanvullingen hierop:
• De negatieve waarde van het rentederivaat bedraagt thans circa EUR 161 duizend en zal conform afspraak volledig worden afgewikkeld door aanwending van de op 11 november 2014 ontvangen verkoopopbrengst (hierna: “settlement"). Deutsche Bank en Mak 't Zand verklaren hierbij dat beide partijen na settlement wederzijds niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het rentederivaat contract
• […]”

De bepaling “Deutsche Bank en Mak ‘t Zand verklaren hierbij dat beide partijen na settlement wederzijds niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het rentederivaat contract” wordt hierna de settlement clausule genoemd.


3.12
De bancaire relatie tussen Deutsche Bank en Mak c.s. is in april 2017 geëindigd, nadat Mak c.s. haar schuld volledig had afgelost.




4De procedure in de voorgaande instanties

4.1
Mak c.s. heeft Deutsche Bank gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Mak c.s., althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, althans heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, en Deutsche Bank veroordeelt tot terugbetaling van de door Mak c.s. teveel en/of onnodig betaalde (swap)rente, renteopslagen, provisies etc. en/of tot vergoeding van de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. Mak c.s. heeft daarnaast gevorderd dat Deutsche Bank wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Mak c.s. betaalde buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, en dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.


4.2
Bij het vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Mak c.s. afgewezen, met veroordeling van haar in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.


4.3
Van het vonnis is Mak c.s. in hoger beroep gekomen. Zij heeft gevorderd dat het hof Amsterdam het vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
“I. te vernietigen de door Deutsche Bank zo geduide “settlement clausule” als opgenomen in de overeenkomst van 14 november 2014 op grond van misbruik van omstandigheden;
II. te verklaren voor recht dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Mak c.s. en/of dat Deutsche Bank onrechtmatig, althans onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens Mak c.s. heeft gehandeld, door:
[a] Swap I en II indringend te adviseren en aan Mak c.s. te verkopen/leveren;
[b] het r-c krediet te herstructureren onder het verstrekken van een r-c lening van € 2,8 mln. met zeer hoge opslagen en het bedingen van aanzienlijke extra zekerheden;
[c] het continue verminderen van het krediet zonder enige kennis van zaken van de sector waarin Mak c.s. opereert;
[d] Mak op grond van de strategische heroriëntatie gedwongen laten aflossen op een zo kort mogelijke termijn en Mak c.s. te forceren om de gronden waarop hij zijn bloemen teelde te verkopen;
[e] De van Mak c.s. ontvangen gelden als eerste ten laste van het r-c basis krediet te brengen en de dure leningen te laten door lopen;
[f] Mak c.s. de volledige negatieve waarde van de renteswap te laten betalen;

III. Deutsche Bank te veroordelen tot vergoeding van de door Mak c.s. geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf datum van de geleden schade tot de dag der algehele voldoening;

IV. Deutsche Bank te veroordelen tot betaling van schade ter grote van de behandelingsfees op grond van wanprestatie, althans onrechtmatig handelen;
V. Deutsche Bank te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de geleden schade tot de dag der algehele voldoening;
VI. Deutsche Bank te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, alsmede de nakosten, aan de zijde van Mak c.s. bepaald op € 157,- voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van het arrest heeft plaatsgevonden, met € 82,- voor (na)salaris en de wettelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening.”


4.4
Deutsche Bank heeft in haar memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling van Mak c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.


4.5
Bij arrest van 21 december 2021 heeft het hof Amsterdam het vonnis van 10 juli 2019 bekrachtigd, met veroordeling van Mak c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.


4.6
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Amsterdam vernietigd. Uit het verwijzingsarrest volgt dat het hof (onder meer) opnieuw zal moeten beoordelen of de vordering tot schadevergoeding van Mak c.s. op Deutsche Bank is verjaard en of Mak c.s. gebonden is aan de settlement clausule.




5De vordering in de procedure na verwijzing

5.1
Mak c.s. concludeert in haar memorie na verwijzing gelijk haar vordering bij het hof Amsterdam (zie 4.3 hierboven).


5.2
Deutsche Bank concludeert - verkort weergegeven - tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van Mak c.s. in de proceskosten, met rente.




6Beoordeling

6.1
Het hof stelt voorop dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep, zoals na verwijzing nog aan de orde, wordt bepaald door (i) de grieven die Mak c.s. heeft gericht tegen het vonnis; (ii) het arrest van het hof Amsterdam van 21 december 2021, voor zover daartegen niet of tevergeefs in cassatie is opgekomen; en (iii) het verwijzingsarrest.


6.2
Mak c.s. heeft, verkort weergegeven en voor zover hier nog van belang, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat Deutsche Bank in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld bij het aangaan van de 2009 overeenkomst en door Mak c.s. te adviseren de renteswaps aan te gaan.


6.3
Deutsche Bank heeft in de eerste plaats het verweer gevoerd dat zowel de schadevergoedingsvorderingen ten aanzien van de renteswaps als ten aanzien van de 2009 overeenkomst zijn verjaard. Met betrekking tot de vordering ten aanzien van renteswap II heeft Deutsche Bank daarnaast een beroep gedaan op de settlement clausule. Deutsche Bank betwist haar zorgplicht te hebben geschonden.

Verjaring van de schadevergoedingsvorderingen - uitgangspunten



6.4
Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv is het daarbij aan Deutsche Bank, als degene die zich op de verjaring beroept, om de feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die nodig zijn om te kunnen concluderen dat de schadevergoedingsvorderingen van Mak c.s. zijn verjaard.


6.5
De Hoge Raad overweegt in het verwijzingsarrest (in 3.3 en 3.4):
“Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval.

Het voorgaande betekent dat de rechter dient te beoordelen of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op (i) de schade - dus dat nadeel wordt geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van een derde - en (ii) de aansprakelijke persoon. Bij de beoordeling of de benadeelde daadwerkelijk bekend was met het tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon dient de rechter te betrekken of de benadeelde over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen.”


6.6
De bovenstaande uitgangspunten in aanmerking nemend overweegt het hof als volgt.

Verjaring van de vordering ter zake de 2009 overeenkomst



6.7
Mak c.s. voert aan dat Deutsche Bank haar zorgplicht heeft geschonden door zich onvoldoende te verdiepen in het bedrijf van Mak c.s. en haar (als gevolg daarvan) de 2009 overeenkomst te laten tekenen, die voor haar onevenredig nadelig was. Deutsche Bank eiste extra zekerheden, en Mak c.s. moest meer rente, hogere opslagen en een risk-fee betalen. Voorafgaand aan de 2009 overeenkomst zijn met Deutsche Bank gesprekken gevoerd, maar heeft de bank verder geen informatie verschaft. Mak c.s. werd zonder overleg bij bijzonder beheer geplaatst en kreeg uiteindelijk de overeenkomst voorgelegd om te ondertekenen. Omdat zij op dat moment het geld direct nodig had en de continuïteit van de onderneming wilde waarborgen, had zij geen andere keuze dan te tekenen.


6.8
Volgens Deutsche Bank is de vordering van Mak c.s. verjaard. De verjaringstermijn is gaan lopen bij het aangaan van de 2009 overeenkomst op 24 december 2009, of kort daarna, omdat de wijzigingen waarover Mak c.s. klaagt, meteen kenbaar waren. Mak c.s. was op dat moment ook bekend met het (gestelde) tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank. Mak c.s. heeft echter pas in haar dagvaarding (betekend aan Deutsche Bank op 25 juli 2018) voor het eerst over de schending van de zorgplicht geklaagd. Dit is ruim 8,5 jaar na bekendheid met de vermeende schade, aldus Deutsche Bank.


6.9
Mak c.s. betwist dat de vorderingen verjaard zijn. Zij voert hiertoe aan dat bekendheid met de aanvullende eisen die werden gesteld met betrekking tot het krediet (eerder aflossen, hogere provisies, hogere opslagen, meer zekerheden), niet voldoende voor haar was om de deugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank te kunnen beoordelen. Dat inzicht kreeg zij pas nadat zij een advocaat had benaderd in 2016.


6.10
Het hof overweegt dat zoals hiervoor (zie 6.4 en 6.5) uiteengezet, bij de beantwoording van de vraag of Deutsche Bank aannemelijk heeft gemaakt dat Mak c.s. bij het tekenen van de 2009 overeenkomst (of kort daarna) bekend was met het (gestelde) tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank, van belang is of Mak c.s. over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen.


6.11
Naar het oordeel van het hof is dat zo. Mak c.s. mocht bekend worden geacht met de kenmerken en risico’s van kredietovereenkomsten en de voorwaarden daarvan, zoals de verplichting af te lossen en zekerheid te verschaffen, en het verschuldigd zijn van provisies en opslagen. Daarbij is van belang dat een leningsovereenkomst een relatief makkelijk te doorgronden product is. Voor zover zij het effect van de voor haar nadelige voorwaarden niet reeds bij het aangaan van de kredietovereenkomst kon inschatten, had Mak c.s. voldoende kennis en inzicht om dat enige tijd daarna en in elk geval voor 25 juli 2013 (zijnde vijf jaar voor de dagvaarding) te doen. Dit geldt niet alleen voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van die voorwaarden; ook moet zij - gezien haar ruime ervaring met het aangaan van financieringen voor haar onderneming - geacht worden in staat te zijn geweest te beoordelen of het handelen van Deutsche Bank deugdelijk was.


6.12
Mak c.s. heeft ook niet toegelicht welke extra informatie zij kreeg na het inschakelen van een advocaat en waarom zij toen pas bekend werd met de gestelde ondeugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank ter zake van de 2009 overeenkomst.


6.13
Het bovenstaande leidt ertoe dat de grieven 4 en 5 niet slagen en de vordering tot de verklaring voor recht genoemd onder II, onder b. (zie 4.3 hierboven) moet worden afgewezen.


Verjaring van de vordering ter zake renteswap I en II



6.14
De verjaringstermijnen van de vorderingen uit hoofde van de renteswaps zijn volgens Deutsche Bank gaan lopen bij het afsluiten daarvan op 27 juli 2006 en 7 november 2007. Op die momenten raakte Mak c.s. bekend met de door haar gestelde schade, namelijk de (volgens Mak c.s.) te veel betaalde rente en het moeten betalen van de negatieve marktwaarde bij vervroegde aflossing. Mak c.s. wist ook wie de daarvoor volgens haar aansprakelijke partij was, namelijk Deutsche Bank.


6.15
Deutsche Bank voert daarbij aan dat Mak c.s., voorafgaand aan het afsluiten van renteswap I, door Deutsche Bank is geïnformeerd dat zij onder een renteswap een vaste swaprente zou betalen ongeacht de ontwikkeling van het Euribor-tarief. Ook wist zij toen dat zij een eventuele negatieve marktwaarde van renteswap I zou moeten vergoeden bij tussentijdse beëindiging van de renteswap. Deutsche Bank wijst op de presentatie die zij op 21 juli 2006 aan Mak c.s. gaf en op twee documenten (‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de ‘Brochure Derivatentransacties met de Bank’) waarin de werking en risico’s van renteswaps volgens haar worden uitgelegd, en die als bijlagen waren gevoegd bij de kredietovereenkomst van 27 juli 2006. Omdat zij al eerder renteswap I was aangegaan, was Mak c.s. bij aanvang van renteswap II op 7 november 2007 al bekend met de kenmerken en risico’s van een renteswap.


6.16
Mak betwist dat zij uit de door Deutsche Bank verschafte informatie ten aanzien van renteswap I en II de benodigde kennis en inzicht om de deugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank te kunnen beoordelen heeft kunnen afleiden. Zij ontkent ook de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Derivatentransacties met de Bank’ daadwerkelijk ontvangen te hebben, maar het hof zal daar hierna, veronderstellenderwijs, wel van uitgaan.


6.17
Het hof oordeelt dat de vorderingen gebaseerd op schending van de zorgplicht door Deutsche Bank bij het aangaan van de renteswaps niet zijn verjaard. Niet is komen vast te staan dat Mak c.s. ten tijde van het aangaan van de renteswaps, of in elk geval meer dan vijf jaar voordat zij haar vordering aan Deutsche Bank kenbaar maakte, daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen. In het bijzonder is niet gebleken dat Mak c.s. op dat moment over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank te kunnen beoordelen. Daarbij is het volgende overwogen.


6.18
Dat Mak c.s. zich bij het aangaan van de renteswaps realiseerde dat zij een hogere rente betaalde dan het op dat moment geldende Euribor-tarief, brengt niet noodzakelijkerwijs met zich dat zij ermee bekend was dat Deutsche Bank ter zake van de renteswaps (mogelijk) tekortschietend of foutief had gehandeld. Hetzelfde geldt voor de overige door Mak c.s. (gestelde) nadelige voorwaarden en effecten van de renteswaps, waaronder de constatering door Mak c.s. dat zij als gevolg van de lopende renteswaps niet, of slechts tegen betaling van een fors bedrag, kon overstappen naar een andere bank. Het hof betrekt daarbij dat de renteswap een moeilijk te doorgronden product is, met name waar het gaat om de mogelijke risico’s die een afnemer loopt.


6.19
Daarbij is van belang, en tussen partijen ook niet in geschil, dat Mak c.s. niet eerder een renteswap was aangegaan. Evenmin is gesteld of gebleken dat Mak c.s. bekend was met een ander soort derivatentransactie. Kennis en inzicht om te kunnen beoordelen of Deutsche Bank bij het aangaan van de renteswaps deugdelijk handelde, kan dus niet uit eerdere ervaringen van Mak c.s. worden afgeleid. Van (andere) feiten en omstandigheden die erop kunnen wijzen dat Mak c.s. die kennis en dat inzicht meer dan vijf jaar voor het kenbaar maken van haar vordering in november 2016, heeft verkregen, is niet gebleken. Het is bovendien aannemelijk dat, zoals Mak c.s. stelt, zij door het inschakelen van een advocaat in november 2016 juridisch advies heeft ontvangen dat haar in staat heeft gesteld de deugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank bij het aangaan van de renteswaps te beoordelen.


6.20
Het bovenstaande leidt ertoe dat grief 2 en grief 3, voor zover deze grief ziet op de verjaring ten aanzien van renteswap II, slagen.

Zorgplicht renteswap I en II



6.21
Omdat de grieven over de verjaring ten aanzien van de vorderingen ter zake van de renteswaps slagen, moet het hof de vorderingen van Mak c.s. die zien op de schending van de zorgplicht bij het aangaan van de renteswaps inhoudelijk beoordelen.


6.22
Mak c.s. stelt dat Deutsche Bank heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht, door de renteswaps aan Mak c.s. te adviseren en deze met haar aan te gaan. Deutsche Bank heeft noch bij renteswap I, noch bij renteswap II een inventarisatie gemaakt van de financiële mogelijkheden, de deskundigheid en de doelstellingen van Mak c.s. Mak c.s. had (buiten Deutsche Bank) geen (deskundig) adviseur en ook geen ervaring met renteswaps. Deutsche Bank heeft volgens Mak c.s. renteswap I geadviseerd, als onderdeel van de nieuwe kredietovereenkomst(en) met als argument dat de rente historisch laag was en dat het toen van belang was om die lang te fixeren.


6.23
Volgens Mak c.s. heeft Deutsche Bank bij het aangaan van de renteswaps niet gewezen op de risico’s van renteswaps, met name niet met betrekking tot de gevolgen van een sterke daling van de rente, waaronder de hoge rentelasten, het ontwikkelen van negatieve waarde en de invloed daarvan op de kredietwaardigheid van Mak c.s., en de risico’s bij vervroegde aflossing van de leningen. Als Deutsche Bank wel had gewaarschuwd voor de risico’s, zou Mak c.s. de renteswaps niet hebben afgesloten, en de lopende leningen tegen variabele rente door laten lopen. Deutsche Bank heeft ook geen alternatief geboden, zoals een rentecap.


6.24
De door Deutsche Bank genoemde bijlagen bij de kredietovereenkomsten over derivatentransacties, waarvan Mak c.s. betwist die te hebben ontvangen, zijn bij de presentatie van renteswap I niet besproken. Met betrekking tot renteswap II heeft Deutsche Bank louter het kredietvoorstel toegezonden (volgens Mak zonder bijlagen) en daarbij noch de bijlagen, noch de renteswap zelf toegelicht, aldus Mak c.s..


6.25
Het hof overweegt dat renteswaps een risicovol financieel product zijn. De professionele aanbieder van dergelijke producten kan een waarschuwingsplicht hebben tegenover een wederpartij die over deze producten geen specifieke deskundigheid heeft of mag worden verondersteld te hebben. De waarschuwingsplicht strekt ertoe deze wederpartij te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht en volgt uit de zorgplicht die op een dergelijke professionele aanbieder rust in verband met zijn maatschappelijke functie en deskundigheid. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaring van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s.


6.26
In het onderhavige geval is sprake van een wederpartij, waarvan Deutsche Bank wist of had moeten weten dat zij geen enkele ervaring had met renteswaps of andere derivaten en bij wie ook geen deskundigheid kon worden verondersteld. Op Deutsche Bank rustte dan ook de hiervoor bedoelde waarschuwingsplicht.


6.27
Mak c.s. heeft aangevoerd dat zij de renteswaps alleen is aangegaan omdat Deutsche Bank dat nadrukkelijk adviseerde (of zelfs verplicht stelde voor verdere financiering). Als Deutsche Bank dat niet had gedaan, was Mak c.s. gewoon de variabele rente blijven betalen, waartoe zij ook in staat was.


6.28
Deutsche Bank betwist haar zorgplicht te hebben geschonden. Zij voert in dat verband het volgende aan. Zij had een goed beeld van de financiële positie van Mak c.s., haar bedrijfsvoering en haar doelstellingen. Op basis van die informatie heeft zij aan Mak c.s. de presentatie van 21 juli 2006 gegeven. Daarnaast heeft Mak c.s. voorafgaand aan het aangaan van de renteswaps informatiemateriaal ontvangen, waarmee Mak c.s. in staat is gesteld een geïnformeerde en weloverwogen beslissing te nemen. Belangrijk is volgens Deutsche Bank verder dat de renteswaps passend en geschikt waren voor Mak c.s. De renteswaps hebben voorzien in de wens van Mak c.s. om haar renterisico op haar langlopende financieringen af te dekken. De hoofdsom en looptijd sloten aan bij de onderliggende leningen en boden bescherming tegen rentestijgingen, aldus Deutsche Bank.


6.29
Het hof deelt het standpunt van Deutsche Bank (en Mak c.s.) dat om te voldoen aan haar zorgplicht, het van belang was dat Deutsche Bank een goed beeld had van de (financiële) situatie van Mak c.s., Mak c.s. voldoende informatie moest hebben om in staat te worden gesteld een geïnformeerde en weloverwogen beslissing te nemen, en de aangeboden renteswaps passend en geschikt moesten zijn voor Mak c.s. Dat aan die eisen is voldaan is door Deutsche Bank echter niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Het hof licht dit toe.


6.30
Uit de (elf sheets van de) presentatie op 21 juli 2006 blijkt niet dat gesproken is over de risico’s van renteswaps zoals een mismatch met de onderliggende lening en het ontstaan van een negatieve waarde. De presentatie eindigt met een pagina met het kopje “advies”. Op die pagina staat (alleen):

“ ■ Uitsluiten renterisico door kredietportefeuille te hedgen


■ Rente tarieven zijn historisch laag => nu rente lang fixeren



Let op: alle tarieven zijn exclusief kredietopslag, afhankelijk van de


leningstructuur, en aan marktschommelingen onderhevig”


De presentatie geeft daarmee steun aan de stelling van Mak c.s. dat renteswap I haar nadrukkelijk is geadviseerd, met als argument dat de rente historisch laag was en dat het toen van belang was om die lang te fixeren.


6.31
In de presentatie is ook opgenomen

“ ■ […]


■ Middels Rentederivaten kan het rente-risico afgedekt worden, afgestemd op de behoefte, bijvoorbeeld:


- Rente fixeren middels renteswap


- Ander maatwerk


■ […]´


Dat is besproken wat dat ‘ander maatwerk’ zou kunnen zijn, is door Deutsche Bank niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Deutsche Bank heeft de stelling van Mak c.s. dat een rentecap niet met haar is besproken, niet betwist.


6.32
De door Deutsche Bank genoemde bijlagen over derivatentransacties bij de kredietovereenkomsten, waarmee zij volgens haar Mak c.s. voldoende heeft geïnformeerd, betreffen de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ (ook wel aangeduid als: Algemene Bepalingen Derivatentransacties ABN AMRO Bank N.V. (ABD 2000)) en de ‘Brochure Derivatentransacties met de Bank’ (voluit: OTC-Derivatentransacties met de Bank, versie maart 2001). Verder heeft Deutsche Bank aangevoerd dat in de transactiebevestiging ten aanzien van renteswap II is vermeld dat Mak c.s. ook de brochure ‘Informatie Treasury Dienstverlening ABN AMRO’ heeft ontvangen.


6.33
De ‘Brochure Derivatentransacties’ betreft een brochure die zeer uiteenlopende derivatentransacties omvat, en waarin een aantal begrippen en kenmerken van brede categorieën derivaten tezamen in algemene termen worden uiteengezet. Renteswaps worden, anders dan Deutsche Bank doet voorkomen, daarin niet apart besproken.


6.34
Ook uit de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Informatie Treasury Dienstverlening’, komen de hiervoor aangehaalde risico’s van renteswaps niet of onvoldoende naar voren. In de door Deutsche Bank aangehaalde bepalingen wordt vermeld dat termijncontracten of variaties daarop “onder andere valutatermijnaffaires, forward rate agreements en swaps zijn” en termijncontracten een hoog risico met zich mee kunnen brengen. Ook wijst Deutsche Bank erop dat er onder het kopje “Kosten van voortijdige beëindiging” ten aanzien van derivatentransacties is opgenomen “Bij beëindiging van een transactie met een negatieve waarde dient u een bedrag aan [Deutsche Bank] te betalen”. Die voor een breed scala aan, dan wel alle, derivatentransacties geldende, waarschuwingen, die zijn opgenomen in een niet met Mak c.s. besproken brochure die vele, zo niet alle, soorten OTC derivaten omvat, zijn onvoldoende om te kunnen zeggen dat Deutsche Bank aan haar waarschuwingsplicht jegens Mak c.s. heeft voldaan.


6.35
De – in de bevestigingen van de renteswap I en II – opgenomen verklaring van Mak c.s. dat zij daarover naar tevredenheid is ingelicht is van weinig gewicht, omdat van Mak c.s. niet kon worden gevergd dat zij zou vragen naar risico’s waarvan zij geen kennis had en zij erop mocht vertrouwen dat Deutsche Bank haar op die risico’s zou wijzen. Dat Mak c.s. ten tijde van het afsluiten van de renteswaps “tevreden” dacht te zijn over de verstrekte inlichtingen, betekent immers niet dat Deutsche Bank daadwerkelijk voldoende inlichtingen had verstrekt.


6.36
De slotsom ten aanzien van de verschafte inlichtingen is dat, het gebrek aan ervaring met derivatentransacties in aanmerking nemend, Mak c.s., met de presentatie en het verschafte materiaal onvoldoende in staat is gesteld een geïnformeerde en weloverwogen beslissing te nemen ten aanzien van de renteswaps. Daarmee heeft Deutsche Bank haar zorgplicht geschonden.


6.37
Het hof kan Deutsche Bank ook niet volgen in haar stelling dat de renteswaps geschikt waren voor Mak c.s. omdat de hoofdsom en looptijd aansloten bij de onderliggende leningen en bescherming boden tegen rentestijgingen. Uit de stukken blijkt dat de looptijden van de renteswaps juist niet aansloten bij die van de betreffende leningen; renteswap I had een looptijd van zeven jaar en elf maanden terwijl de onderliggende lening voor dertien jaar werd afgesloten; de looptijd van renteswap II was tien jaar en een maand, terwijl de onderliggende lening voor vijftien jaar werd aangegaan. Deutsche Bank heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat Mak c.s. destijds, kennelijk op advies van Deutsche Bank, de renteswaps slechts voor een deel van de looptijd van de leningen is aangegaan, waardoor er voor de resterende tijd geen bescherming tegen rentestijgingen bestond. Deutsche Bank heeft de verschillen in looptijd van de renteswaps ten opzichte van de bijbehorende leningen overigens ter zitting, na vragen van het hof, erkend.


6.38
De conclusie is dat de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de renteswaps (II onder a. in 4.3) zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum opgenomen.

Klachtplicht



6.39
Deutsche Bank heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht. Volgens Deutsche Bank heeft Mak c.s. niet binnen bekwame tijd nadat zij het (vermeende) gebrek in de advisering over de renteswaps had ontdekt, geklaagd (zie art. 6:89 BW). Zij voert aan dat Mak c.s. pas voor het eerst bij e-mail van 12 augustus 2014 een klacht heeft geuit, namelijk over het moeten betalen van de negatieve marktwaarde van renteswap II.


6.40
Het hof overweegt dat uit de door Deutsche Bank aangehaalde omstandigheden niet blijkt dat Mak c.s. voorafgaand aan haar klacht over het moeten betalen van de negatieve marktwaarde in augustus 2014, op de hoogte was of op de hoogte had behoren te zijn van het door haar gestelde gebrek in de advisering door Deutsche Bank. Ook is niet gebleken dat Mak c.s. de overige door haar aan Deutsche Bank verweten gedragingen, zoals hierboven besproken, al geruime tijd voordat zij een advocaat raadpleegde in november 2016, had ontdekt of had moeten ontdekken. Voor de motivering daarvan verwijst het hof naar de bespreking van de gestelde verjaring van de vorderingen ter zake de renteswaps hierboven. In de kern komt het erop neer dat Mak c.s. niet verweten kan worden niet te hebben geklaagd over tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank omdat niet is komen vast te staan dat zij er al veel eerder weet van had dat dit handelen tekortschoot of foutief was. Deutsche Bank heeft ook niet toegelicht waarom Mak c.s. had behoren te weten dat sprake was van gebrekkige advisering.

Vordering tot schadevergoeding



6.41
Mak c.s. vordert schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het hof overweegt dat het voor verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Dat heeft Mak c.s. gedaan doordat zij heeft aangevoerd dat zij, als zij voldoende was voorgelicht, de renteswaps niet was aangegaan en daarmee minder rente had betaald, zodat vordering III (zie 4.3) zal worden toegewezen op de wijze opgenomen in het dictum van deze uitspraak.

Settlement clausule



6.42
Deutsche Bank heeft zich ten aanzien van enige schadevergoeding uit hoofde van renteswap II voorts beroepen op de settlement clausule (zie 3.11). De rechtbank heeft dat beroep gehonoreerd. Grief 3 richt zich tegen dat oordeel.


6.43
In de eerste plaats vordert Mak c.s. vernietiging van de settlement clausule op grond van misbruik van omstandigheden. Het hof Amsterdam heeft onder meer geoordeeld dat die vernietigingsvordering is verjaard. Anders dan Mak c.s. aanvoert, kan dat oordeel de afwijzing van de vordering zelfstandig dragen. Omdat er geen slagende cassatieklacht tegen is gericht, blijft het oordeel in stand, en moet de vordering tot vernietiging (zie 4.3 onder I hierboven) worden afgewezen. Bespreking van het gedeelte van grief 3 dat ziet op de vernietiging van de settlement clausule kan daarmee achterwege blijven.


6.44
Mak c.s. heeft eveneens aangevoerd dat de settlement clausule alleen ziet op de negatieve waarde van renteswap II en niet op vorderingen uit hoofde van een schending van de zorgplicht en voorts dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Deutsche Bank zich op deze clausule beroept.


6.45
In het verwijzingsarrest onder 3.9 is opgenomen:
“Bij het beoordelen van de vragen welke betekenis de settlement clause heeft en of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Deutsche Bank zich op deze clausule beroept, kan mede van belang zijn welk inzicht Mak c.s. ten tijde van het tekenen van de overeenkomst met deze bepaling hadden over vorderingen die zij in verband met het in de clausule bedoelde rentederivaatcontract op Deutsche Bank zouden kunnen hebben, en wat Deutsche Bank in dat opzicht aan kennis bij Mak c.s. mocht verwachten.”


6.46
Mak c.s. heeft aangevoerd dat zij niet wist welke vorderingen uit hoofde van renteswap II zij had of kon hebben op Deutsche Bank. Mak c.s. wist niet dat de clausule in het voordeel was van Deutsche Bank en verstrekkende nadelige gevolgen had voor Mak c.s. die zij niet kon overzien zonder (nadere) informatie van Deutsche Bank, die zij niet had verkregen.


6.47
Volgens Deutsche Bank was de tekst van de settlement clausule duidelijk en was het doel daarvan dat er ten aanzien van alle vorderingen uit hoofde van renteswap II finaliteit werd bereikt tussen haar en Mak c.s. Zij voert aan dat Mak c.s. bekend was met de financiële nadelen van renteswap II en wist dat Deutsche Bank de aan te spreken partij was, inclusief aanspraken op grond van een zorgplichtschending door Deutsche Bank.


6.48
Het hof overweegt dat de tekst van de settlement clausule en de daaraan voorafgaande zin erop duiden dat deze alleen de vorderingen omvat die partijen over en weer aan elkaar verschuldigd waren op basis van de bepalingen van renteswap II en de (nadere) afspraken over de betalingen bij settlement daarvan. Wanneer Deutsche Bank ook, op voorhand, kwijting had verlangd van andere vorderingen die samenhingen met renteswap II, zoals eventuele vorderingen uit onrechtmatige daad, mocht van haar worden verwacht dat zij dat expliciet had gemaakt. Dit geldt temeer nu Deutsche Bank wel, en Mak c.s. niet, geacht mag worden deskundig te zijn op het gebied van het opstellen van overeenkomsten als neergelegd in de brief van 12 november 2014.


6.49
Voor zover al moet worden aangenomen dat Mak c.s. bij het aanvaarden van de settlement clausule wist dat Deutsche Bank onrechtmatig had gehandeld bij het aangaan van renteswap II, en dat zij uit hoofde daarvan mogelijk een vordering op haar had, is dat onvoldoende om te concluderen dat zij die vorderingen onder de kwijting heeft willen brengen.


6.50
Andere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de door Deutsche Bank voorgestane uitleg, zijn niet gesteld, zodat de conclusie is dat partijen elkaar met de settlement clausule alleen kwijting hebben verleend ten aanzien van de op grond van de bepalingen van renteswap II verschuldigde betalingen bij beëindiging daarvan.


6.51
Het hof acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Deutsche Bank zich op deze (aldus uitgelegde) clausule beroept. Het overweegt daarbij het volgende.


6.52
Van Deutsche Bank hoefde niet verwacht te worden dat zij Mak c.s., bij het versturen van de brief van 12 november 2014 specifiek wees op de settlement clausule, of daar nadere informatie over gaf. De brief is niet van zodanige lengte dat Mak c.s. deze clausule niet op had hoeven merken. Op basis van de tekst van de settlement clausule moet het voor Mak c.s. ook duidelijk zijn geweest dat zij met het ondertekenen van genoemde brief instemde met de hoogte, en de wijze van afrekening, van de negatieve waarde. Uit de correspondentie voorafgaande aan de brief van 12 november 2014 blijkt dat Mak c.s. zich er op dat moment van bewust was dat Deutsche Bank aanspraak maakte op de negatieve waarde en dat die voortvloeide uit de bepalingen van renteswap II en het beëindigen van de onderliggende lening. Dat de negatieve waarde door Mak c.s. destijds werd aangeduid als ‘boetesom van de renteswap’, maakt dit niet anders.


6.53
De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht weergegeven onder II f. (in 4.3) moet worden afgewezen en grief 3 ook in zoverre faalt.


6.54
Ter voorkoming van misverstanden merkt het hof daarbij op dat het bovenstaande onverlet laat dat bij een berekening van door Mak c.s. geleden schade als gevolg van de schending door Deutsche Bank van haar zorgplicht, de door Mak c.s. betaalde bedragen onder de renteswap II, waaronder die als gevolg van de negatieve waarde bij beëindiging, van belang kunnen zijn. De hoogte van de negatieve waarde, en dat partijen op basis van de (beëindigings)bepalingen van renteswap II niets meer van elkaar te vorderen hadden, liggen met de settlement clausule echter vast. In zoverre kan Deutsche Bank daar een beroep op doen.

Proceskosten eerste aanleg



6.55
Met grief 10 maakt Mak c.s. in de eerste plaats bezwaar tegen de afwijzing van de vorderingen van Mak c.s. door de rechtbank. In zoverre is de grief een veeggrief, waar het hof niet op in hoeft en zal gaan. Voor wat betreft het bezwaar tegen de veroordeling van Mak c.s. in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg overweegt het hof dat er – nu Deutsche Bank gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld – aanleiding is die proceskosten te compenseren. In zoverre slaagt de grief.

Overige vorderingen en grieven



6.56
De overige vorderingen en grieven van Mak c.s. behoeven geen bespreking meer omdat Mak c.s. tegen de desbetreffende oordelen van het hof Amsterdam geen slagende cassatieklachten heeft gericht.

Conclusie en proceskosten in hoger beroep



6.57
De conclusie is dat het hoger beroep van Mak c.s. gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het vonnis gedeeltelijk vernietigen en beslissen zoals hierna vermeld. Omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld zal het hof ook de proceskosten in hoger beroep compenseren.




7Beslissing
Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2019 voor zover het de vorderingen van Mak c.s. en de veroordeling van Mak c.s. in de proceskosten in conventie betreft;

en in zoverre opnieuw recht doende:

- verklaart voor recht dat Deutsche Bank onrechtmatig, want in strijd met haar zorgplicht, heeft gehandeld jegens Mak c.s. bij de advisering en de verkoop van de renteswaps;

- veroordeelt Deutsche Bank tot vergoeding van de door Mak c.s. als gevolg van die onrechtmatige daad geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- compenseert de proceskosten in eerste aanleg in conventie;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis voor het overige;

- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep bij het hof Amsterdam en bij dit hof;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. C.A. Joustra en mr. C.W.M. Lieverse en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.



Zie Hoge Raad 22 mei 2026; ECLI:NL:2026:793
Link naar deze uitspraak