Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:389 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:30-03-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/1012
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Art,. 8:24, lid 2, Awb. Ontvankelijkheid hoger beroep. Artikel 4:145, lid 2 BW, artikel 44 AWR en artikel 72 SW. De verklaring van executele is niet toereikend om te mogen procederen namens belanghebbende. Het Hof heeft, gelet op diverse omstandigheden van dit geval, gerede twijfel aan de bevoegdheid van de beweerdelijk gemachtigde om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het Hof verbindt aan het uitblijven van een recente machtiging de gevolgtrekking dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
erfgenamen
successierecht
successiewet
taxatie
testament
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1012


Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:


[Y] , beweerdelijk namens [X] te [Z] (belanghebbende),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het door [Y] ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummer SGR 24/2025.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is wegens een belaste verkrijging van € 20.962 een navorderingsaanslag in de erfbelasting opgelegd van € 8.384 (de navorderingsaanslag). Daarbij is bij beschikking € 1.199 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking).



1.2.

[Y] heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag en de beschikking.



1.3.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag en de beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en van gronden.



1.4.

[Y] heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.5.

[Y] heeft een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk.



1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025, gehouden te Den Haag. Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers BK-24/1001 ( [A] ), BK-24/1003 ( [B] ) en BK24/1010 en BK-24/1011 ( [C] ). Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.




Feiten


2.1.
Op [datum] 2014 is mevrouw [erflaatster] (erflaatster) overleden. Erflaatster heeft bij testament van 3 april 2014 [Y] aangewezen als executeur-testamentair, belanghebbende, [Y] , [D] en [E] benoemd tot haar erfgenamen en gelegateerd aan onder meer [A] en [B] .



2.2.
Het testament vermeldt onder meer:

“VI. EXECUTELE
1. Benoeming executeurs
Ik benoem tot executeurs over mijn nalatenschap, gedurende-de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist de heer [E] , voornoemd, en de heer [Y] , voornoemd. (…)
Zijn er twee of meer executeurs dan kan ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten.
(…)
3. Omvang executele
De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren..
(…)
5. Beheer
lk draag de executeurs op mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, waaronder de door mij gemaakte legaten, de ten laste van mijn erfgenamen en legatarissen komende successierechten, de kosten van lijkbezorging en de taxatie- en boedelkosten. De executeurs kunnen ook als wederpartij van zichzelf optreden.
6. Vertegenwoordiging
Gedurende zijn beheer vertegenwoordigen de executeurs bij de vervulling van hun taak de erfgenamen in en bulten rechte.
7. Beschikking
De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeurs (of machtiging van de kantonrechter) over de goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat de bevoegdheid tot beheer van de executeurs is geëindigd. De executeurs zijn slechts tezamen met de erfgenamen bevoegd tot andere handelingen dan beheershandelingen.
(…)
14. Einde executele

De taak van de executeurs eindigt:
a. wanneer zij hun werkzaamheden als zodanig hebben voltooid;
b. door hun dood, onder curatele stelling, onder bewindstelling van een of meer van hun goederen als bedoeld in titel 19 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
c. door ontslag door de kantonrechter,
d. door hun faillietverklaring, verlening van surseance van betaling of een schuldsanering;
e. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend.”



2.3.
In de namens belanghebbende ingediende aangifte erfbelasting is afgeweken van de testamentaire verdeling omdat in een civiele procedure over de verdeling van de boedel een nieuwe verdeling is overeengekomen (de nieuwe verdeling). Deze verdeling is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016, zaaknummer C10914894311 HA ZA 15- 638 (door partijen aangeduid als “vaststellingsovereenkomst”). Op basis van de nieuwe verdeling is namens [belanghebbende] aangifte gedaan naar een erfdeel van 27,5/100.



2.4.
Bij het vaststellen van de definitieve aanslag erfbelasting is afgeweken van de aangifte. Deze aanslag is vastgesteld overeenkomstig de testamentaire verkrijging.



2.5.
Bij uitspraak op het bezwaar is het bezwaar tegen de aanslag en de beschikking niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en van gronden. Tevens heeft de Inspecteur aangekondigd dat conform de nieuwe verdeling aan [belanghebbende] een navorderingsaanslag zal worden opgelegd voor de aanvullende verkrijging van 30/1000e in de nalatenschap.



2.6.
De navorderingaanslag is opgelegd naar een belaste verkrijging van € 20.962, resulterend in een belastingbedrag van € 8.384 (30/1000*698.761)*30%) en tevens is € 1.199 belastingrente in rekening gebracht.



2.7.

[Y] heeft op 27 september 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag.



2.8.
De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige volmacht en het niet motiveren van het bezwaarschrift.



2.9.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.



2.10.

[Y] heeft op 10 december 2024 een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Hij heeft daarbij een verklaring van executele gevoegd. Deze vermeldt voor zover van belang het volgende:

“3. Executele: de executeur

Bij gemelde uiterste wil heeft de overledene tot executeur benoemd (…) en de heer (…) [Y] (…) De heer (…) heeft de benoeming niet aanvaard. De heer (…) [Y] , voornoemd, heeft verklaard te benoeming te aanvaarden (…).

4. Bevoegdheden executeur

De executeur heeft ingevolge de wet en ingevolge de (…) uiterste wilsbeschikking de taak en de bevoegdheid de nalatenschap te beheren. Hij is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed geen toestemming van de erfgenamen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.


5. Beschikkingsbevoegdheid

Mitsdien is de heer [Y] , voornoemd, handelend in zijn hoedanigheid van executeur zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren overeenkomstig het vorenstaande.”



2.11.
Bij bericht van 13 december 2024 heeft het Hof [Y] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift.
Hierbij is vermeld: “Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”



2.12.

[Y] heeft op 24 januari 2025 een ongedateerde machtiging overgelegd.



2.13.
Bij bericht van 19 maart 2025 is [Y] verzocht alsnog een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Hierbij is vermeld: “Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”



2.14.

[Y] heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om verlenging van de gegeven termijn voor het indienen van de gevraagde machtiging.



2.15.
Bij per aangetekende post verzonden bericht van 17 april 2025, gericht aan het adres van [Y] , [adres] , heeft het Hof de termijn verlengd tot uiterlijk 8 mei 2025. Het bericht vermeldt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als van de mogelijkheid tot herstel van het verzuim geen gebruik wordt gemaakt. Het bericht is volgens informatie van PostNL op 18 april 2025 door [Y] ontvangen.



2.16.
Bij het Hof is geen recente gedagtekende machtiging ingekomen.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Beoordeling van het geschil

14. Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het – voor zover hier van belang – ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf bezwaar instelt of degene namens wie bezwaar wordt ingesteld.2 Ondertekening van het bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het bezwaarschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het bezwaarschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat bezwaarschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft aan het bezwaarschrift een gebrek.[3]

15. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel van de 6:5 Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het ontbreken van een schriftelijke volmacht is als een zodanig verzuim aan te merken.[4]

16. Artikel 72 van de Successiewet 1956 (SW) luidt als volgt:
“1. Executeurs van nalatenschappen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.
2. 2. Door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn gehouden tot al de bij deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen.”

17. De rechtbank overweegt als volgt. [Y] heeft in bezwaar geen schriftelijke machtiging overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij eiser vertegenwoordigt. [Y] is geen advocaat. Het betoog van [Y] dat hij niet gehouden was om in bezwaar een machtiging te overleggen omdat hij in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster bevoegd is om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen, treft geen doel. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur betreft enkel het beheer van de nalatenschap en het al dan niet procederen over een navorderingsaanslag erfbelasting behoort daar niet toe. Ook uit artikel 72 Sw volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. Op grond van die bepaling gelden voor executeurs dezelfde verplichtingen als voor erfgenamen. Het maken van bezwaar of instellen van beroep betreft niet een dergelijke verplichting.[5]Dat verweerder lopende het bezwaar tegen de aanslag geen machtiging van [Y] heeft verlangd, maakt dit niet anders.

18. Verweerder heeft de gemachtigde tevergeefs in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen (zie r.o. 9.). Het alsnog overleggen van de machtiging in de beroepsfase kan het gebrek in bezwaar niet herstellen.[6] Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

19. De overige beroepsgronden behoeven geen behandeling meer. Het beroep is ongegrond.

20. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

(…)

[2] HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505.
[3] vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
[4] vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
[5] In vergelijkbare zin met betrekking tot de bevoegdheden van de vereffenaar in een nalatenschap: HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:741.
[6] Vgl. Hoge Raad van 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde de vraag of [Y] bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen.



4.2.
Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is vervolgens in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of daarbij de hoorplicht is geschonden en de zaak in verband daarmee moet worden teruggewezen naar de Inspecteur.



4.3.

[Y] concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.



4.4.
De Inspecteur concludeert – naar het Hof begrijpt – tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Op grond van artikel 8:24, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.



5.2.
Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840).



5.3.
Het dossier bevat naast een in hoger beroep ingediende verklaring van executele, een bij de Rechtbank en bij het Hof ingediende ongedateerde machtiging.


5.4.1.

[Y] stelt zich op het standpunt dat de verklaring van executele toereikend is om te mogen procederen namens belanghebbende. Deze stelling treft geen doel. Op grond van artikel 4:145, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het testament was [Y] gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak bevoegd de erfgenamen, waaronder belanghebbende, in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:144, lid 1, BW). De onderhavige navorderingsaanslag betreft echter een persoonlijke belastingschuld van een erfgenaam (artikel 36 van de Successiewet 1956). Het voeren van een gerechtelijke procedure daarover kan niet worden geschaard onder de taakomschrijving van de executeur en behoort derhalve niet tot diens bevoegdheden. Een andersluidende opvatting zou ook leiden tot het ongerijmde gevolg dat erfgenamen – zolang het beheer van de executeur duurt – niet bevoegd zijn om in rechte op te komen tegen aan hen opgelegde belastingaanslagen in de erfbelasting, aangezien de vertegenwoordigingsbevoegdheid van artikel 4:145, lid 2, BW privatief is (zie HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:495, r.o. 3.3, en HR 30 juni 2023, ECLI:NL:2023:1007, r.o. 3.3).



5.4.2.
Ingevolge artikel 44, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geldt de bevoegdheid van de executeur om de rechtverkrijgenden onder algemene titel (de erfgenamen) te vertegenwoordigen voor wat betreft de belastingheffing, echter uitsluitend voor het uitoefenen van de bevoegdheden en voor het nakomen van de verplichtingen, die de overledene zou hebben gehad, ware zij in leven gebleven. De onderhavige procedure betreft de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag erfbelasting ter zake van zijn verkrijging uit de boedel van de overledene. Dit is een persoonlijke verplichting van belanghebbende die niet tot stand was gekomen als erflaatster in leven was gebleven. Artikel 44, lid 1, AWR is hierop dus niet van toepassing. De verklaring van executele is daarom geen toereikend bewijs dat [Y] bevoegd is om belanghebbende te vertegenwoordigen in deze procedure. Ook uit artikel 72 van de Successiewet 1956 volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de executeur.



5.5.1.
Het Hof heeft gelet op de hierna vermelde omstandigheden gerede twijfel aan de bevoegdheid van [Y] om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen en heeft [Y] om die reden een machtiging gevraagd, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift.



5.5.2.

[Y] heeft verklaard dat de procedure betreffende de navorderingsaanslag voortkomt uit een ruzie tussen de verkrijgers (en niet-verkrijgers) van de nalatenschap van erflaatster. Deze heeft geleid tot een herverdeling van de boedel, welke is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016 (zie 2.3).



5.5.3.
Uit dossieronderzoek van het Hof blijkt dat de bij de Rechtbank en het Hof ingediende (ongedateerde) machtiging ook reeds is ingediend in de procedures bij de Rechtbank (zaaknummer SGR 18/4621) en in hoger beroep bij het Hof (zaaknummer BK19/00119)betreffende de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de erfbelasting ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster. Ditzelfde heeft zich voorgedaan in de procedures van de verkrijgers [A] en [B] .



5.5.4.
In de zaken ten name van [C] (BK-24/1010 en BK-24/1011) is in de procedure tot en met het hoger beroep in het geheel geen machtiging ingediend. [Y] is desondanks verdergegaan met procederen namens [C] , die overigens ook niet als erfgenaam of legataris gerechtigd is tot de onderwerpelijke nalatenschap.



5.5.5.

[Y] heeft ook in de bezwaarfase in de zaken op naam van belanghebbende en [B] geen machtiging verstrekt, hoewel daarom was verzocht.

5.5.6.. In hoger beroep is in geen enkele van de zaken op naam van belanghebbende, [A] , [B] en [C] een recente gedagtekende machtiging overgelegd.




5.6.
Het Hof heeft [Y] in de onderhavige procedure driemaal verzocht een recente gedagtekende machtiging in te dienen en hem daarbij een termijn gegeven. Het heeft [Y] op zijn verzoek zelfs een extra termijn gegeven. Daarbij is hij steeds erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als aan het verzoek geen gevolg wordt gegeven. [Y] heeft geen nieuwe recente gedagtekende machtiging ingediend.



5.7.
Nu geen gevolg is gegeven aan het verzoek en [Y] is gewezen op het mogelijke gevolg van het niet verstrekken van een recente machtiging, namelijk niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, wordt aan het uitblijven van een recente machtiging de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is (zie HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558).



5.8.
Aangezien [Y] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep in deze procedure niet-ontvankelijk. Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat de aanslag en de beschikking niet aan hem zijn opgelegd respectievelijk gegeven (artikel 26a, lid 1, onderdelen a en c, AWR) en in het voorwerp van de belasting waarop de aanslag betrekking heeft geen inkomens- of vermogensbestanddelen van hem zijn begrepen (artikel 26a, lid 2, AWR).



5.9.
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.





Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.


De griffier, de voorzitter,






L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis

De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.



Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak