Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:433 
 
Datum uitspraak:03-03-2026
Datum gepubliceerd:20-04-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/474
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Artikel 6.1, lid 1, aanhef en letter a, lid 2, aanhef en letter d, en artikel 6.17 Wet IB 2001; aftrek specifieke zorgkosten en restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De stelling van belanghebbende dat hij de brieven van de inspecteur waarin is verzocht om nadere informatie en het voornemen om af te wijken van de aangifte niet heeft ontvangen, ontslaat hem niet van zijn verplichting om de vereiste onderbouwing aan te leveren. Belanghebbende heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor de kosten en heeft daarmee niet aan zijn bewijslast voldaan.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
persoonsgebonden aftrek
verzamelinkomen
zorgkosten
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/474


Uitspraak van 3 maart 2026

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 mei 2025, nummer SGR 24/9679.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.093 (de aanslag IB/PVV 2022). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 7 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2024 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 december 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft op de zitting een verzoek tot wraking gedaan, waarop het onderzoek ter zitting is geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 12 december 2025 naar partijen is verzonden.



1.6.
Bij beslissing van 5 januari 2026 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen.



1.7.
De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 3 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 (de aangifte) inkomen uit vroegere dienstbetrekking aangegeven van € 33.093 en heeft daarop € 4.119 aan specifieke zorgkosten en € 5.074 aan restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren in aftrek gebracht. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 23.900.



2.2.
De Inspecteur heeft met dagtekening 23 juni 2023 een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar het aangegeven verzamelinkomen.



2.3.
Bij brief van 23 april 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie over de specifieke zorgkosten. Bij brief van 28 mei 2024 heeft de Inspecteur zijn verzoek om nadere informatie herhaald.



2.4.
Belanghebbende heeft op 18 juni 2024 een herziene aangifte IB/PVV 2022 ingediend (de herziene aangifte) naar een verzamelinkomen van € 20.095. Bij het indienen van de herziene aangifte heeft belanghebbende het opgegeven bedrag aan specifieke zorgkosten verhoogd naar € 7.924. Het in aftrek gebrachte bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren van € 5.074 is gelijk gebleven. De aftrek specifieke zorgkosten bestaat uit de volgende uitgaven:








Kosten medicijnen


€ 1.332




Uitgaven voor hulpmiddelen


€ 639




Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit


€ 2.976




Dieetkosten


€ 500




Extra uitgaven voor kleding en beddengoed


€ 310




Genees- en heelkundige hulp


€ 410





Subtotaal




€ 6.167





Verhoging specifieke zorgkosten


€ 2.303




Vermindering drempel


-/- € 546





Totaal




€ 7.924









2.5.
Bij brief van 25 juni 2024 heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is af te wijken van de aangifte, omdat hij geen bewijsstukken heeft ontvangen ter onderbouwing van de in 2.4 genoemde aftrekposten en niet is gebleken dat aan belanghebbende een beschikking restant persoonsgebonden aftrek over voorgaande jaren is gegeven. De Inspecteur heeft belanghebbende bericht dat hij nog tot 10 juli 2024 bewijsstukken kon inzenden ter onderbouwing van de aftrekposten.



2.6.
De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de (definitieve) aanslag IB/PVV 2022 op 13 september 2024 de door belanghebbende in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten en het restant persoonsgeboden aftrek van voorgaande jaren niet geaccepteerd en de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.093.



2.7.
Belanghebbende heeft op 25 september 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022.



2.8.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij e-mailbericht van 9 oktober 2024 verzocht zijn telefoonnummer door te geven en te laten weten op welk moment hij beschikbaar is voor telefonisch overleg. In zijn brieven van 9 oktober 2024 en 1 november 2024 heeft de Inspecteur zijn verzoek om contact en zijn verzoek om informatie ter onderbouwing van de uitgaven voor specifieke zorgkosten herhaald.



2.8.
Belanghebbende heeft op 14 november 2024 een brief naar de Inspecteur gezonden, waarin hij aangeeft niet inhoudelijk te kunnen reageren op het voornemen van de Inspecteur tot afwijking van de aangifte IB/PV 2022 (zie 2.5), omdat die brief betrekking heeft op de oorspronkelijk ingediende aangifte en niet op de herziene aangifte.



2.9.
Vanwege het ontbreken van een onderbouwing van de in aftrek gebrachte posten, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2024 de aanslag IB/PVV 2022 gehandhaafd.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“8. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 naar een juist bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aangegeven aftrekposten terecht niet in aanmerking zijn genomen.

9. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 komen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking als zij op de belastingplichtige drukken, dat wil zeggen: daadwerkelijk zijn gemaakt en niet in aanmerking zijn gekomen voor vergoeding. In artikel 6.17 van de Wet IB 2001 is limitatief opgenomen welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. De bewijslast voor aftrek van specifieke zorgkosten rust op eiser.

10. Nu eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde kosten naar hun aard zijn aan te merken als specifieke zorgkosten en niet heeft onderbouwd die kosten daadwerkelijk te hebben gemaakt, is hij niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd.

11. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij met het vermelden van het restant PGA in de aangifte IB/PW eigenlijk een - zo door hem genoemde - onverplichte eigen bijdrage in de thuiszorgkosten in aftrek heeft willen brengen. Eiser heeft geen specificatie van deze door hem gestelde bijdrage gegeven, hij heeft niet onderbouwd dat zij onder artikel 6.17 van de Wet IB 2001 zou vallen en heeft evenmin aannemelijk gemaakt de desbetreffende uitgaven daadwerkelijk te hebben gedaan. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat het door eiser opgevoerde bedrag van € 5.074 als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking komt.

12. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij de brieven van 23 april en 28 mei 2024 met het verzoek om onderbouwing niet heeft ontvangen. Daaraan verbindt hij dat niet van hem mocht worden verwacht het bewijs te leveren van de door hem gestelde zorgkosten. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De bewijslastverdeling ter zake van de gestelde aftrekposten ontstaat niet pas als de inspecteur verzoekt om een onderbouwing, maar vloeit voort uit het systeem van de wet. Verweerder heeft zijn verzoek om onderbouwing herhaald in zijn brieven van 25 juni, 9 oktober en 1 november 2024, terwijl uit de uitspraak op bezwaar eenduidig naar voren komt dat de aftrek is geweigerd vanwege het achterwege blijven van een onderbouwing. Dat eiser de gestelde aftrekposten niet heeft onderbouwd, is daarmee voor zijn risico.

13. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde aftrekposten terecht niet heeft geaccepteerd, zodat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2022 naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur de specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren terecht in aftrek heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beschikking belastingrente en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2022 naar een verzamelinkomen van € 20.095 conform de herziene aangifte en tot vaststelling van het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren op € 5.074. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding en een vergoeding van de betaalde griffierechten.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt hij niet aan zijn bewijslast voor de onderbouwing van de specifieke uitgaven kan voldoen, omdat hij de brieven van 23 april 2024 en 28 mei 2024, waarin de Inspecteur verzoekt om nadere informatie (zie 2.3), alsmede de brief van 25 juni 2024 waarin de Inspecteur aankondigt voornemens te zijn om af te wijken van de ingediende aangifte (zie 2.5), niet heeft ontvangen. Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur bewijsmateriaal moet aanleveren waaruit blijkt dat de Inspecteur voornoemde brieven heeft verzonden en waaruit blijkt dat de brieven door belanghebbende zijn ontvangen.



5.2.
De Inspecteur betwist dat hij moet bewijzen dat de desbetreffende brieven aan belanghebbende zijn verzonden en door belanghebbende zijn ontvangen, omdat belanghebbende de bewijslast draagt voor de onderbouwing van de door hem in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren.



5.3.
Op grond van artikel 6.1, lid 1, aanhef en letter a, in verbinding met lid 2, aanhef en letter d, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen indien deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. Alleen de uitgaven die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 Wet IB 2001 kunnen in aanmerking worden genomen, voor zover zij niet op grond van artikel 6.18 Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde bepalingen van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn uitgesloten, en ook verder aan alle daarin gestelde wettelijke voorwaarden is voldaan. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Dit betekent dat het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op aftrek van de geclaimde specifieke zorgkosten en het bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren. Ook als komt vast te staan dat belanghebbende de in 2.3 genoemde informatiebrieven en het in 2.5 genoemde voornemen van de Inspecteur om af te wijken van de aangifte niet heeft ontvangen, ontslaat dat hem niet van zijn verplichting de gestelde aftrek van de specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren te onderbouwen en daarvan bewijs te leveren. Anders dan belanghebbende betoogt, ontstaat die verplichting niet pas wanneer de Inspecteur hem een verzoek om informatie (een onderbouwing van de kosten en bewijs daarvan) stuurt, maar op het moment dat hij de aftrek claimt. Deze bewijslastverdeling vloeit voort uit het systeem van de wet en daarop gebaseerde jurisprudentie. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat voor aftrek van kosten bewijs moet worden geleverd. Het antwoord op de vraag of de in 2.3 en 2.5 genoemde brieven daadwerkelijk zijn verstuurd, heeft dus geen invloed op de bewijslastverdeling.



5.4.
Doordat belanghebbende ook in hoger beroep geen enkele onderbouwing heeft verstrekt van de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren, komt het Hof tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Inspecteur de geclaimde uitgaven voor specifieke zorgkosten en restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren terecht niet heeft geaccepteerd. De aanslag IB/PVV 2022 is derhalve naar het juiste bedrag opgelegd. In hoger beroep heeft belanghebbende geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die niet al in de bezwaarfase of in eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen verstrekt die het Hof tot een ander oordeel leiden.



5.5.
Het Hof merkt nog op dat uit onderzoek is gebleken dat de Rechtbank en het Hof alle door de Inspecteur ingediende stukken in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder de stukken die belanghebbende stelt niet te hebben ontvangen, met belanghebbende hebben gedeeld. Dit betekent dat belanghebbende zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kennis heeft kunnen nemen van deze stukken en tevens ruimschoots de tijd heeft gehad, ook in hoger beroep, om de vereiste onderbouwing van de in aftrek gebrachte posten te verstrekken.



5.6.
Voor zover belanghebbende stelt dat de aanslag IB/PVV 2022, alsmede de verzoeken om informatie ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte posten van de Inspecteur, ten onrechte zijn gebaseerd op de aangifte in plaats van op de herziene aangifte, kan deze stelling hem niet baten wegens gebrek aan belang. In zijn herziene aangifte heeft belanghebbende het opgegeven bedrag aan specifieke zorgkosten verhoogd van € 4.119 naar € 7.924 (zie 2.4), maar voor de daarin opgenomen posten evenmin een onderbouwing gegeven. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning op hetzelfde bedrag zou zijn vastgesteld, omdat een grotere correctie in aanmerking zou zijn genomen.


Belastingrente




5.7.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking belastingrente in hoger beroep geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze onjuist is berekend.


Slotsom




5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.


Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.


De griffier, de voorzitter,











X. Evers Chr.Th.P.M. Zandhuis


De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak