|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1348 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 23/1449 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ-waarde woning met een agrarisch grondgebonden bestemming. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond. De heffingsambtenaar heeft de waarde niet aannemelijk gemaakt, omdat de gebruikte vergelijkingsobjecten met een algemene woonbestemming onvoldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Het hof stelt de WOZ-waarde in goede justitie vast. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | belastingrecht | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | ozb | | | paarden | | | perceel | | | vrijstelling | | | woz waarde | | | woz-beschikking | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1449
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 12 september 2023, nummer ROE 22/2617, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar (hierna: de aanslag OZB) en de aanslag watersysteemheffing eigenaar (hierna: de aanslag watersysteemheffing) voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde laten weten dat zij niet zullen verschijnen. Namens de heffingsambtenaar is [heffingsambtenaar] verschenen.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een vrijstaande woonboerderij van het bouwjaar 1939. Tot de onroerende zaak behoren vier bergingen en een overkapping. Het perceel is 2.100 m2 groot. Daarnaast is er nog 22.806 m2 agrarische grond (hierna: de agrarische grond). De onroerende zaak heeft de bestemming “agrarisch – grondgebonden”.
2.2.
Het vigerende bestemmingsplan (hierna: het bestemmingsplan) bepaalt:
“artikel 5 Agrarisch - Grondgebonden
5.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a) agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit een niet-grondgebonden bedrijfstak;
b) caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling';
c) een cateringbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - cateringbedrijf';
d) een fouragehandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel';
e) metaalbewerking en opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalbewerking en opslag';
f) wonen in een bedrijfswoning;
met daaraan ondergeschikt:
g) mestverwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf;
h) uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.4.2;
i) paardrijbakken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden;
j) tuinen, erven en terreinen;
k) groenvoorzieningen;
l) paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
m) boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Op de voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd:
a) gebouwen;
b) een bedrijfswoning;
c) bijbehorende bouwwerken;
d) bouwwerken, geen gebouw zijnde.
(…)
5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
Strijdig gebruik
Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
a) detailhandel;
b) evenementen;
c) horeca;
d) geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
e) woningsplitsing;
f) verblijfsrecreatie;
g) huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
h) permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen, recreatiewoningen, bijbehorende bouwwerken en kampeermiddelen uitgezonderd de bedrijfswoning;
i) opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
j) buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
5.4.2
Beroep of bedrijf aan huis
Een beroep of bedrijf aan huis bij de bedrijfswoning, als opgenomen in het 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis' (bijlage 2 bij deze regels) of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de woonbestemming en is toegestaan, mits:
a) de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
b) degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent;
c) maximaal 50 m² van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep en bedrijf aan huis;
d) het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
e) het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
f) in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
g) internetverkoop slechts is toegestaan indien er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden. Opslag ten behoeve van internetverkoop is mogelijk binnen de bestaande bebouwing tot maximaal 50 m² waarbij ter plaatse opslag en verzending plaatsvindt. Internetverkoop waarbij ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en verzending plaatsvindt is zonder meer toegestaan;
h) er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep/bedrijf
i) er geen buitenopslag plaatsvindt;
reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.”
2.3.
De waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2021 is door de heffingsambtenaar vastgesteld op € 385.000 (hierna: de beschikte waarde). De aanslag OZB is vastgesteld op € 356,90 en de aanslag watersysteemheffing op € 98,56.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft de beschikte waarde onderbouwd met een taxatierapport van 27 maart 2023 dat is opgesteld door taxateur [taxateur] (hierna: het taxatierapport). Daarin is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met drie vergelijkingsobjecten die rondom de peildatum zijn verkocht. De vergelijkingsobjecten zijn vrijstaande woonboerderijen gelegen in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas met een woonoppervlakte van 189 m2 tot 216 m2. Het betreft de volgende vergelijkingsobjecten:
[adres 2] te [plaats 2]
[adres 3] te [plaats 3]
[adres 4] te [plaats 4]
Bestemming
Wonen
Wonen
Wonen
Transactiedatum
30/7/2021
01/09/2021
02/03/2020
Transactieprijs
€ 441.500
€ 550.000
€ 355.000
In het rapport zijn de voorzieningen van de onroerende zaak als ‘matig’ (factor 2) gekwalificeerd. Ook de ligging van de onroerende zaak is als ‘matig’ gekwalificeerd en daarvoor is een aftrek toegepast van € 127.967. De agrarische grond is gewaardeerd op € 136.836. Uit de matrix bij het taxatierapport (hierna: de matrix) volgt een waarde van de onroerende zaak van € 511.000.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de beschikte waarde te hoog is vastgesteld, belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade omdat de procedure in hoger beroep te lang heeft geduurd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, verlaging van de WOZ-waarde, vergoeding van zijn proceskosten en vergoeding van zijn immateriële schade tot een bedrag van € 500. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogstbiedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd. Indien belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt belanghebbende daarin dan dient de heffingsambtenaar aannemelijk te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden.
4.2.
Voor de onderbouwing van de beschikte waarde verwijst de heffingsambtenaar naar het taxatierapport en de matrix. Hij stelt dat de drie vergelijkingsobjecten, die alle een woonbestemming hebben, voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Daar staat volgens de heffingsambtenaar niet aan in de weg dat de onroerende zaak de bestemming ‘agrarisch - grondgebonden’ heeft, omdat de beperkingen die daaruit voortvloeien niet groot zijn. De bewoner dient weliswaar een beroep of bedrijf aan huis te hebben maar dat kan van alles zijn en het beroep of bedrijf hoeft niet agrarisch grondgebonden te zijn. Een nagelstudio is bijvoorbeeld al voldoende. De groep potentiële kopers is dan ook groot, aldus de heffingsambtenaar. Hij stelt dat met de correctie van de ligging naar matig en de daarbij behorende correctie naar beneden van € 127.967 voldoende rekening is gehouden met de agrarische grondgebonden bestemming van de onroerende zaak. Ook wijst hij op het feit dat de beschikte waarde nog eens € 126.000 lager is dan de getaxeerde waarde.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de vergelijkingsobjecten niet voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak vanwege de agrarische bestemming van de onroerende zaak. Hij stelt dat hij binnenkort de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken en dat hij dan vanwege de agrarische bestemming zal moeten verhuizen. Volgens belanghebbende had de heffingsambtenaar vergelijkingsobjecten moeten gebruiken met een agrarische grondgebonden bestemming. Verder stelt hij dat agrarische grond had moeten worden vrijgesteld onder de cultuurgrondvrijstelling, omdat het hier bedrijfsmatig geëxploiteerde weidegrond betreft. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende een factuur van 7 juni 2022 voor de verkoop van 135 balen hooi overgelegd. Ook stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de beperkte stahoogte op de bovenverdieping van de woonboerderij, het asbest in de daken van de bijgebouwen, de betere voorzieningen van vergelijkingsobject [adres 3] en ook niet met het feit dat de vergelijkingsobjecten veel beter liggen voor de openbare voorzieningen.
4.4.
De stellingen van belanghebbende met betrekking tot de beperkte stahoogte, het asbest in de daken van de bijgebouwen en de ligging ten opzichte van de openbare voorzieningen falen omdat deze niet onderbouwd zijn. Ook de stelling met betrekking tot de betere voorzieningen van het vergelijkingsobject [adres 3] treffen geen doel, omdat de heffingsambtenaar met de betere voorzieningen van [adres 3] rekening heeft gehouden door het onderhoud en de voorzieningen van [adres 3] op gemiddeld te waarderen en het onderhoud en de voorzieningen van de onroerende zaak op matig/slecht.
4.5.
Belanghebbende doet een beroep op de cultuurgrondvrijstelling en de heffingsambtenaar betwist dat deze van toepassing is. In dat geval is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden van deze vrijstelling, waaronder de bedrijfsmatige exploitatie van de weidegrond, is voldaan. Van bedrijfsmatige exploitatie is alleen sprake als een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk productieproces deelneemt met het oogmerk om daarmee winst te maken. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij beoogt om winst te maken. De overgelegde factuur op zich is daarvoor onvoldoende. De heffingsambtenaar heeft dan ook terecht de cultuurgrondvrijstelling niet toegepast.
4.6.
Naar het oordeel van het hof treft de stelling van belanghebbende dat de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn, wel doel. Het staat vast dat de onroerende zaak de bestemming agrarisch grondgebonden heeft en dat de drie vergelijkingsobjecten alle een woonbestemming hebben. Uit het bestemmingsplan volgt dat op een agrarische grondgebonden bestemming alleen gewoond mag worden in een bedrijfswoning ten behoeve van de onder artikel 5.1, letters a tot en met e, genoemde activiteiten. Voor de activiteiten genoemd in artikel 5.1, letters b tot en met e, is - zoals blijkt uit de tekst - een specifieke (bestemmings-)aanduiding nodig. Daarvan is bij de onroerende zaak geen sprake. Dit betekent dat in de onroerende zaak (meer specifiek de woonboerderij als bedrijfswoning) slechts gewoond mag worden ten behoeve van ‘agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit een niet-grondgebonden bedrijfstak’. Dat daarnaast ook een beroep of bedrijf aan huis mag worden uitgeoefend doet daar niet aan af. Gesteld noch gebleken is dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om de bestaande agrarische grondgebonden bestemming binnen overzienbare tijd betrekkelijk eenvoudig te wijzigen in een woonbestemming. Verder is niet gebleken dat gebruik van de onroerende zaak in strijd met het bestemmingsplan wordt gedoogd. De gebruiksbeperkingen als gevolg van de agrarische bestemming van de onroerende zaak beperkt de kring van potentiële kopers dan ook tot agrarische ondernemers. Daarom zijn vergelijkingsobjecten met een woonbestemming niet bruikbaar. Ook de substantiële correctie voor de ‘matige’ ligging van de onroerende zaak maakt de vergelijking met de objecten met een woonbestemming niet bruikbaar, omdat uit niets blijkt dat daarmee het verschil tussen de algemene kopersmarkt en de markt voor uitsluitend agrarische ondernemers wordt overbrugd. Datzelfde geldt voor het feit dat de heffingsambtenaar de waarde substantieel beneden de getaxeerde waarde heeft beschikt. De heffingsambtenaar heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de beschikte waarde niet te hoog is.
4.7.
Vervolgens dient het hof te beoordelen of belanghebbende de door hem verdedigde waarde van de onroerende zaak aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft echter geen waarde gesteld laat staan aannemelijk gemaakt.
4.8.
Nu geen van beide partijen de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt zal het hof, rekening houdende met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, de waarde in het economisch verkeer van de woning per 1 januari 2021 in goede justitie vaststellen op € 375.000.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding voor de hogerberoepsfase
4.10.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk (zie 1.6) verzocht om een vergoeding van immateriële schade voor de hogerberoepfase.
4.11.
De rechtbank heeft op 12 september 2023 uitspraak gedaan en het hof doet heden uitspraak. De redelijke termijn van twee jaar om uitspraak te doen in hoger beroep is daardoor met 9 maanden overschreden. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden.
4.12.
Van een bijzondere omstandigheid is sprake onder andere als het financiële belang bij de procedure zeer gering is. Dan hoeft geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Tot het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (hierna: het arrest van 14 juni 2024) gold een financieel belang van minder dan € 15 als zeer gering. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad bepaald dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan 12 maanden is overschreden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze wijziging niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest van 14 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van het arrest van 14 juni 2024 is overschreden (het overgangsrecht). Aan zowel de eerste als de tweede voorwaarde wordt in onderhavig geval niet voldaan. Het hof is daarom van oordeel dat de zaak van belanghebbende niet valt onder het overgangsrecht.
4.13.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 2024 ook overwogen:
“3.3.5 In de regel zal hetgeen de belanghebbende in de procedure ter zake van een of meer fiscale beschikkingen heeft gevorderd, voldoende duidelijk maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is. Er zijn echter ook gevallen waarin dit niet aanstonds duidelijk zal zijn op basis van het geschil met betrekking tot de fiscale beschikking(en). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan geschillen over een beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet waardering onroerende zaken, indien uit het geschil over de waardering niet tevens blijkt wat het financiële belang daarvan is met betrekking tot een of meer aan de belanghebbende op te leggen belastingaanslagen. In zulke gevallen ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting.”
4.14.
Belanghebbende heeft niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt dat in casu het geschil een belang vertegenwoordigt dat groter is dan € 1.000. Het hof volstaat daarom met een constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van bezwaar
4.16.
De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het te hoog vaststellen van de beschikte waarde. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.17.
Het hof stelt de kosten van het bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.19.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 2.802.
4.20.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van de onroerende zaak op € 375.000;
vermindert de aanslag OZB en de aanslag watersysteemheffing evenredig;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 186 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 2.802.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
B.B. Gedik B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Beheersverordening Klavertje Vier, Staatscourant 2013, 18296. Het bestemmingsplan is digitaal raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het IDN-nummer van het bestemmingsplan is: NL.IMRO.1894.BHV0001-VG01.
Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3.
Artikel 5.1 in verbinding met artikel 5.2.1 van het bestemmingsplan.
Zoals blijkt uit de ‘bestemmingsplankaart’ die door de heffingsambtenaar als bijlage 3 bij het taxatierapport is gevoegd.
ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o 3.5.
Artikel 7:15, lid 2, Awb.
1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het hogerberoepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|