Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1361 
 
Datum uitspraak:27-05-2026
Datum gepubliceerd:23-06-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1615 en 24/1616
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende woont in Duitsland en was werkzaam als priester in Nederland. Hij ontvangt een arbeidsongeschiktheidspensioen en later een ouderdomspensioen. Beide pensioenen zijn belast in Nederland op grond van artikel 17 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Het feit dat Duitsland evenzeer deze inkomsten belast, betekent niet dat Nederland zijn heffingsrecht moet prijsgeven. Nederland hoeft ook geen verrekening van in Duitsland verschuldigde belasting te verlenen. Indien Duitsland een andere kwalificatie aan deze inkomsten geeft dan Nederland kan belanghebbende een verzoek doen om een onderlinge overlegprocedure te starten. Het hof oordeelt ook dat geen sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur.
Trefwoorden:aow
arbeidskorting
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
uitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1615 en 24/1616


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 september 2024, nummers BRE 23/9250 en 23/9251, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2020 en 2021 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 gegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ten aanzien van het jaar 2021 gegrond verklaard op het punt van de vergoeding van de kosten van bezwaar en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Beide partijen hebben een nader stuk ingediend dat is verzonden naar de andere partij.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .



1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.



1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is geboren op 4 november 1954 en woonde in 2020 en 2021 in Duitsland.



2.2.
Belanghebbende was werkzaam als priester en heeft in de onderhavige jaren inkomen uit Nederland ontvangen, bestaande uit inkomsten uit dienstbetrekking van Bisdom [plaats] , een arbeidsongeschiktheidspensioen van Instelling Pensioenfonds van de Nederlandse Bisdommen (PNB) en vanaf 2021 een ouderdomspensioen van het PNB en een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).



2.3.
Op 13 april 2021 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 (de aangifte 2020) gedaan. Hij was in 2020 het hele jaar premieplichtig in Nederland. De inspecteur heeft de primitieve aanslag IB/PVV 2020 op 25 juni 2021 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:








Bisdom [plaats]


€ 10.938




PNB (arbeidsongeschiktheidspensioen)


€ 28.347




Elders belast


€ 28.347 -/-




Belastbaar inkomen uit werk en woning


€ 10.938








2.4.
Op 19 juni 2022 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 (de aangifte 2021) gedaan. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en hij heeft vanaf dat moment recht op een AOW-uitkering van de SVB en een ouderdomspensioen van het PNB. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:








Bisdom [plaats]


€ 2.078




PNB (ouderdomspensioen)


€ 24.240




PNB (arbeidsongeschiktheidspensioen)


€ 4.727




SVB


€ 12.990




Elders belast


€ 41.958 -/-




Belastbaar inkomen uit werk en woning


€ 2.078








2.5.
De inspecteur heeft de primitieve aanslag IB/PVV 2021 op 16 augustus 2022 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. De aanslag vermeldt verder:

“Op 4 maart 2021 bereikt u de AOW-leeftijd. Vanaf de eerste van die maand bent u niet meer premieplichtig voor de AOW. Uw premie-inkomen bedraagt € 44.036. Het maximum premie-inkomen is € 35.129. Daarom geldt dit laatste bedrag. Het premiepercentage bedraagt daarom 12,730% in plaats van 27,650%.”



2.6.
Op 25 oktober 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Duitse Belastingdienst. Van dat gesprek heeft belanghebbende een verslag gemaakt. In dat verslag staat onder meer:

“Kern van het gesprek is de omschrijving van het begrip pensioen,
en de fiscale toepassing ervan.
Daarbij gaat het zowel om een arbeidsongeschiktheidspensioen
als om een ouderdomspensioen.

De vraag is, hoe het pensioen is opgebouwd.

Het Finanzamt onderscheidt daarbij enkele mogelijkheden:
(...)
c) De werkgever biedt een pensioenregeling aan, waarbij
de pensioengerechtigde werknemer geen pensioenpremie betaalt,
en de werkgever ook geen pensioenpremie op het salaris inhoudt.

Is mogelijkheid c) van toepassing, dan past het Finanzamt volgende regeling toe:
Het uitgekeerde pensioen (arbeidsongeschiktheidspensioen zowel als ouderdomspensioen) wordt beschouwd als was het een betaling door de werkgever, en stelt dat gelijk met een voortzetting van de betaling van salaris voor verrichte arbeid. Daarin onderscheidt zich de Duitse opvatting zich kennelijk van de Nederlandse.

In mijn situatie acht het Finanzamt mogelijkheid c) van toepassing.”



2.7.
Uit de Duitse belastingaanslagen voor de jaren 2020 en 2021 volgt dat de uitkeringen van het PNB zijn aangemerkt als ‘Einkünfte aus nichtselbständiger Arbeit’. Belanghebbende was in 2020 € 4.901,74 aan Duitse inkomstenbelasting verschuldigd, bestaande uit een ‘festzusetzende Einkommensteuer’ van € 4.281, een ‘römisch-katholische Kirchensteuer’ van € 385,29 en een ‘Solidaritätszsuschlag’ van € 235,45.
In 2021 bedroeg de te betalen Duitse inkomstenbelasting € 7.746,63, bestaande uit een ‘festzusetzende Einkommensteuer’ van € 7.107 en een ‘römisch-katholische Kirchensteuer’ van € 639,63.



2.8.
Met dagtekening 4 januari 2023 heeft de inspecteur belanghebbende twee kennisgevingen gestuurd waarin staat dat hij voornemens is navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 2020 en 2021. Nederland heeft volgens hem het heffingsrecht over de (privaatrechtelijke) pensioenen die belanghebbende ontvangt van het PNB en de SVB van respectievelijk in totaal € 28.347 en € 41.958.



2.9.
De inspecteur heeft vervolgens de navorderingsaanslagen en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen met dagtekening 11 februari 2023 vastgesteld.



2.10.
De inspecteur heeft het bezwaar dat ziet op de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 (deels) toegewezen. Hij heeft ambtshalve geconstateerd dat de navorderingsaanslag foutief is vastgesteld, omdat belanghebbende vanaf 4 maart 2021 niet meer premieplichtig is in Nederland.



2.11.
Op een verzoek van belanghebbende om herziening van de aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2019 in verband met dubbele heffing over aan hem gedane uitkeringen heeft de inspecteur bij brief van 21 september 2020, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“Heffingsrecht over inkomensbestanddelen
Volgens de mij bekende gegevens had u in het belastingjaar 2017 de volgende inkomensbestanddelen:











Naam inhoudingsplichtige




Loonheffing




Loon




Arbeidskorting





Bisdom [plaats]


€1.216


€12.165


€970




Instelling pensioenfonds v/d Nederlandse Bisdommen


€0


€25.713


€0






In het belastingjaar 2017 was u woonachtig in Duitsland volgens de mij bekende gegevens. Er geldt een belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Conform dit verdrag dient het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in Nederland belast te zijn (artikel 14 lid 1). Ook het privaatpensioen dient in Nederland belast te worden op grond van artikel 17 lid 1 jo. Protocol XIII. Uw privaatpensioen overstijgt namelijk de €15.000 grens, in dat geval is Nederland gerechtigde om inkomstenbelasting hierover te heffen.
Indien Duitsland ook hierover inkomstenbelasting heeft geheven dan dient u hier bij het Duitse Finanzamt bezwaar tegen te tekenen en te vermelden dat Duitsland de verdragsbepalingen onjuist toepast.”



2.12.
De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar over het jaar 2021 een vergoeding van kosten toegekend van € 265.



2.13.
De rechtbank heeft de kosten van bezwaar vastgesteld op € 1.248 en het beroep in zoverre gegrond verklaard en voorts bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in de kosten van het beroep van € 437,50. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Zijn de pensioenuitkeringen (arbeidsongeschiktheidspensioen respectievelijk ouderdomspensioen) terecht in Nederland belast?
2. Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
3. Heeft de rechtbank een te lage wegingsfactor toegepast bij het bepalen van de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase?



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de navorderingsaanslagen en een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



1. Belastingheffing over de pensioenuitkeringen



4.1.
Partijen zijn allebei van mening dat Nederland bevoegd is tot heffing over de pensioenuitkeringen op grond van artikel 17 van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland (hierna: het Verdrag). Het hof volgt dit standpunt, aangezien dit niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Belanghebbende is echter van mening dat Nederland deze heffing niet mag effectueren, omdat het bekend is met het feit dat Duitsland een andere kwalificatie aan deze inkomsten geeft, met als gevolg dat Duitsland evenzeer belasting heft over deze uitkeringen zonder een verrekening toe te passen van de Nederlandse heffing.



4.2.
Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Het Verdrag beoogt weliswaar dubbele belastingheffing te voorkomen, maar het verplicht de inspecteur niet – in het geval Nederland op grond van het Verdrag heffingsrecht heeft – van dat recht af te zien, omdat Duitsland een andere kwalificatie aan deze inkomsten geeft dan Nederland. In een dergelijk geval biedt artikel 25 van het Verdrag de mogelijkheid van een onderlinge overlegprocedure. Belanghebbende dient zich daarvoor te wenden tot de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat waar hij inwoner van is, in casu Duitsland. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende zich moet wenden tot het Ministerie van Financiën, heeft hij gelijk. Tot een andere uitkomst van het geschil leidt dit echter niet.



4.3.
Anders dan belanghebbende meent, verplicht het Verdrag de inspecteur ook niet om actief het Duitse Finanzambt te informeren over de belastingheffing in Nederland. Ook artikel 22 van het Verdrag verplicht daartoe niet. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om de heffing in Duitsland ter discussie te stellen – eventueel onder overlegging van de navorderingsaanslagen die de inspecteur heeft opgelegd – en zo nodig bij de Duitse autoriteiten te verzoeken een onderlinge overlegprocedure te starten.



4.4.
Voor zover belanghebbende – onder verwijzing naar het arrest Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:860 – beoogt te stellen dat de inspecteur rekening moet houden met de in Duitsland geheven belasting, door aftrek toe te staan op de in aanmerking genomen inkomsten, faalt deze stelling eveneens. Noch het verdrag, noch enige nationale regeling verplicht de inspecteur dit te doen. De verwijzing van belanghebbende naar artikel 22, lid 1, van het Verdrag miskent dat deze bepaling betrekking heeft op de voorkoming van dubbele belasting die Duitsland verleent.


2. Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur




4.5.
Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en verwijst daarvoor naar publicaties van de Rijksoverheid en van de Belastingdienst. Deze klacht faalt eveneens. In de publicatie van de Rijksoverheid wordt juist expliciet aangegeven dat er internationale belastingverdragen bestaan die bepalen in welk land belasting wordt geheven. Maar tevens wordt aangegeven dat er toch situaties kunnen zijn dat er dubbele belastingheffing plaatsvindt. Voor die situatie wordt gewezen op de onderlinge overlegprocedure.
De publicatie van de Belastingdienst gaat over het belastingverdrag met Duitsland. Daarin wordt gemeld dat er tussen Nederland en Duitsland regels en afspraken bestaan over waar belasting wordt betaald en dat de afspraken in het belastingverdrag bindend zijn en altijd vóór de nationale wetgeving van een land gaan. Er staat echter nergens dat in een geval waarin het heffingsrecht is toegewezen aan Nederland, dat Nederland daar eenzijdig van zou moeten afzien. Belanghebbende kan aan deze publicatie dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat Nederland in zijn geval af zou zien van belastingheffing.



4.6.
Belanghebbende bestrijdt eveneens het oordeel van de rechtbank over eventuele schending van het motiveringsbeginsel. Het hof acht het oordeel van de rechtbank juist. De klacht van belanghebbende faalt.



4.7.
De overige grieven van belanghebbende, zoals het beroep op hoofdstuk VI en VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn evenzeer ongegrond.



4.8.
Het hof wijst er ten slotte op dat de inspecteur op het hier in geschil zijnde punt geen beleidsvrijheid heeft. Hoewel een dubbele belastingheffing ongewenst is, staan belanghebbende andere middelen ten dienste, zoals de reeds eerder aangehaalde mogelijkheid om te verzoeken om een onderlinge overlegprocedure te starten.


3. Wegingsfactor bij de proceskostenvergoeding




4.9.
Belanghebbende is van mening dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Volgens belanghebbende had de rechtbank een wegingsfactor 1 moeten toepassen.



4.10.
De rechtbank heeft een wegingsfactor van 0,25 toegepast, omdat – naar het hof begrijpt – het hoger beroep van belanghebbende uitsluitend gegrond is vanwege de onjuiste kostenvergoeding in de bezwaarfase. Het hof is van oordeel dat belanghebbende slechts op een zeer gering punt in het gelijk is gesteld. In een dergelijk geval kan de rechter de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, Besluit proceskoten bestuursrecht matigen. Die matiging kan ook plaatsvinden door toepassing van een lagere wegingsfactor.


Tussenconclusie




4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Trb. 2012, 123.


Zie Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.
Link naar deze uitspraak