Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1526 
 
Datum uitspraak:10-06-2026
Datum gepubliceerd:15-07-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:23/870
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Het hof beoordeelt de door een vennootschap opgegeven buitengewone last in verband met de afkoop van twee zuivere en een gerichte lijfrenteovereenkomst, waarbij de verzekeringnemer alle aandelen houdt in de vennootschap/verzekeraar en waarbij het initiatief van de afkoop voornamelijk bij de verzekeringnemer ligt. Het hof stelt deze buitengewone last in goede justitie vast op een lager bedrag.
Trefwoorden:agrarisch
belastingrecht
herstructurering
kapitaalverzekering
lijfrente
melkvee
nabestaandenlijfrente
oudedagsreserve
tarieven
uitkering
vennootschapsbelasting
wet op de vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/870


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 april 2023, nummer BRE 21/1978, in het geding tussen belanghebbende,


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur, en


de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met het nummer 23/837.



1.7.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.



1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert is een afschrift gelijktijdig met de uitspraak per aangetekende post verzonden.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is opgericht op 6 maart 2002. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het houden van melkvee en de exploitatie van een agrarisch bedrijf. De heer [belanghebbende inzake 23/837] (hierna: [directeur] ) is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende.



2.2.
Op 27 september 2002 heeft [directeur] zijn eenmanszaak deels ingebracht in belanghebbende. Hierbij zijn twee lijfrenteovereenkomsten overeengekomen tussen [directeur] en belanghebbende. De eerste lijfrente is een zuivere levenslange lijfrente ingaande op de 65-jarige leeftijd van [directeur] . De tweede lijfrente betreft een zuivere direct ingaande lijfrente.



2.3.
Op 20 mei 2007 heeft [directeur] het restant van zijn eenmanszaak ingebracht in belanghebbende, waarbij de fiscale oudedagsreserve is ingebracht. Hiervoor is een derde lijfrente bedongen. Het betreft een gerichte lijfrente.



2.4.
Op 28 december 2016 komen [directeur] en belanghebbende overeen om de drie lijfrenteovereenkomsten (hierna gezamenlijk: de lijfrenteovereenkomsten) af te kopen. In de afkoopovereenkomst is (voor zover relevant) het volgende opgenomen:



Artikel 1 Lijfrenten


Partijen hebben de volgende lijfrenteovereenkomsten gesloten als tegenprestatie voor de gefaseerde overdracht van het toenmalige voor rekening en risico van Verzekerde gedreven agrarische bedrijf;


Overeenkomst I


Overeenkomst d.d. 27 september 2002 inhoudende een jaarlijkse uitkering van € 12.013 per jaar ingaande op 65- jarige leeftijd van Verzekerde en eindigend bij zijn overlijden. Verzekerd is tevens een nabestaandenlijfrente welke bij vooroverlijden van Verzekerde jaarlijkse uitkeringen van gelijke hoogte aan de nabestaande uitkeert welke eveneens eindigen bij haar overlijden.


Overeenkomst II


Overeenkomst d.d. 27 september 2002 inhoudende een jaarlijkse uitkering van € 7.329 per jaar welke reeds is ingegaan en eindigend bij het overlijden van Verzekerde. Verzekerd is tevens een nabestaandenlijfrente welke bij vooroverlijden van Verzekerde jaarlijkse uitkeringen van gelijke hoogte aan de nabestaande uitkeert welke eveneens eindigen bij haar overlijden.


Overeenkomst III


Overeenkomst d.d. 20 mei 2007 inhoudende een jaarlijkse uitkering met ingang van 1 juli 2026 en eindigend bij zijn overlijden. De jaarlijkse uitkering wordt op 1 juli 2026 vastgesteld aan de hand van de dan geldende tarieven van in Nederland gevestigde levensverzekeringsmaatschappijen. Verzekerd is tevens een nabestaandenlijfrente welke bij vooroverlijden van Verzekerde jaarlijkse uitkeringen van gelijke hoogte aan de nabestaande uitkeert welke eveneens eindigen bij haar overlijden.



Artikel 2 Afkoopwaarde


In opdracht van Verzekeraar zijn op grond van actuariële grondslagen alsmede de actuele tariefstelling bij solide Nederlandse verzekeringsmaatschappijen de commerciële afkoopwaarden voor de onder 1 genoemde lijfrenteovereenkomsten als volgt berekend;


o -Overeenkomst I: € 353.461;
o -Overeenkomst II: € 318.446;
o -Overeenkomst III: € 61.107.

Partijen komen afkoop van voornoemde lijfrenteovereenkomsten overeen voor een bedrag van € 733.000, zegge zevenhonderd drieëndertigduizend euro. Ingeval fiscale autoriteiten onherroepelijk van mening zijn dat de waardering niet voldoet aan de grondslagen die daarvoor fiscaal in acht genomen moeten worden, dan wordt de afkoopsom direct en met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van ingang van deze overeenkomst zodanig aangepast dat de afkoopsom wel voldoet aan de voorwaarden.”




2.5.
De afkoopsom van € 733.000 is in de rekening-courantverhouding tussen [directeur] en belanghebbende verwerkt. Belanghebbende heeft het verschil tussen de fiscale boekwaarde van de lijfrenteverplichtingen en de overeengekomen afkoopsom in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 (hierna: de aangifte) verantwoord als buitengewone last.



2.6.
Op 13 juni 2020 is de aanslag vennootschapsbelasting 2016 (hierna: de aanslag) opgelegd waarbij is afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en is de buitengewone last in verband met de afkoop van de lijfrenten tot een bedrag van € 426.885 gecorrigeerd. Voor wat betreft de fiscale winstbepaling is de inspecteur uitgegaan van een bedrag van de afkoopsom van € 306.115. Dit bedrag is als volgt te specificeren:



Uitgestelde zuivere lijfrente € 116.942


Zuivere ingegane lijfrente € 148.264


Uitgestelde gerichte lijfrente (balanswaarde) € 40.909





2.7.
Het tegen de aanslag ingediende bezwaarschrift is door de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken wat op het moment van afkoop de zakelijke afkoopwaarde van de lijfrenteverplichtingen was.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag wat de zakelijke afkoopwaarde is van de lijfrenteverplichtingen op 28 december 2016 en wat dientengevolge het fiscale resultaat is op de afkoop van de lijfrenteverplichtingen.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, alsmede tot vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € - 204.571 en, naar het hof begrijpt, tot vaststelling van een verlies voor datzelfde bedrag op grond van het bepaalde in artikel 20b, lid 1, Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij afkoop van de lijfrenteverplichtingen de zakelijke afkoopsom dient te worden bepaald aan de hand van het bedrag waarvoor belanghebbende deze verplichtingen bij een verzekeringsmaatschappij had kunnen onderbrengen. Zij beroept zich daarbij op het Vraag- en Antwoordbesluit (hierna: V&A) 13-006, waarin de overdrachtswaarde van pensioen- en lijfrenteverplichtingen wordt berekend volgens het door de Belastingdienst ontwikkelde rekenmodel van de “Benaderde Marktwaarde” (hierna: BMW). In het hiervoor genoemde V&A is vermeld dat de Belastingdienst in het verleden op basis van een analyse van een aantal verzekeringspolissen het rekenmodel van de BMW heeft ontwikkeld en dat de einduitkomst van het rekenmodel een benadering is van de koopsom die bij een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij gestort zou moeten worden om de lijfrenteverplichtingen onder te brengen. Dit model gaat uit van verschillende rekengrondslagen, waaronder een rekenrente die gelijk is aan het op berekeningsdatum geldende U-rendement verhoogd met 0,5%-punt. Belanghebbende heeft bij de berekening van de gezochte afkoopwaarde voor de zuivere lijfrenten de uitganspunten van de BMW in acht genomen en daarbij de rekenrente bepaald op 0,34%, en voor de berekening van de afkoopwaarde van de gerichte lijfrente is ook met 0,34% gerekend, waardoor de door haar berekende totale afkoopwaarde (afgerond) € 733.000 bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende gehanteerde rekenrente van 0,34% de marktrente representeert.



4.2.
De inspecteur is van mening dat bij de bepaling van de afkoopwaarde van de lijfrenteverplichtingen weliswaar uitgegaan dient te worden van de waarde in het economische verkeer maar dat de hoogte ervan afhangt van de positie van waaruit de afkoop wordt bewerkstelligd. In het geval dat, zoals het onderhavige, niet de verzekeraar maar de verzekeringnemer het initiatief tot afkoop neemt, stelt de inspecteur - onder verwijzing naar het vervallen V&A 14-001- dat in zakelijke verhoudingen de verzekeraar niet méér zou willen betalen dan de interne boekwaarde (de reservewaarde) van de lijfrenteverplichtingen. Zij zal niet wensen mee te werken aan afkoop indien dit bij haar zou leiden tot een verliespost, aldus de inspecteur. De reservewaarde van € 306.115 is volgens de inspecteur de waarde berekend met in achtneming van een rekenrente die gelijk is aan de in de lijfrenteovereenkomsten neergelegde rente, de zogenaamde contractrente. De inspecteur verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2012 (hierna: het arrest van 21 december 2012). Niet in geschil is dat de contractrente van lijfrenteovereenkomst I, de uitgestelde levenslange lijfrente ingaande op 65 jarige leeftijd, en die van lijfrenteovereenkomst II, de direct ingaande levenslange lijfrente, 4,62% (na 20 jaar: 4%) en die van lijfrenteovereenkomst III, de gerichte lijfrente, 5% bedraagt.



4.3.
Hetgeen partijen in wezen verdeeld houdt is of bij de berekening van de afkoopwaarde de marktrente (het U-rendement verhoogd met 0,5%-punt, zijnde 0,34%) dan wel de contractrente gehanteerd dient te worden. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.



4.4.
Uitgangspunt is dat op belanghebbende, die terzake van de afkoop van de lijfrenteverplichtingen een buitengewone last heeft verantwoord, de bewijslast rust om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit de zakelijkheid daarvan blijkt, nu de inspecteur de door haar berekende afkoopwaarde ter discussie stelt.



4.5.
Belanghebbende stelt in wezen dat voor de afkoop van vergelijkbare lijfrenteovereenkomsten een markt bestaat en verwijst hiervoor naar de uitkomsten van een lijfrenteonderzoek van MoneyWise. Het MoneyWise marktonderzoek (gebaseerd op offertes van onafhankelijke verzekeraars) van november 2016 onderbouwt volgens belanghebbende de door haar gemaakte BMW-berekening. De inspecteur stelt hier tegenover dat er feitelijk geen markt is voor afkoop van lijfrentecontracten in het geval het initiatief daartoe bij de verzekeringnemer ligt, maar heeft ter zitting van het hof ook verklaard dat dit niet wil zeggen dat het niet voorkomt.



4.6.
Het hof constateert dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 december 2012 de Hoge Raad heeft overwogen dat niet in geschil is dat voor rechten uit een overeenkomst van kapitaalverzekering, gesloten met een vennootschap waarvan de verzekeringnemer alle aandelen houdt, geen markt bestaat waardoor de waarde in het economische verkeer op de reservewaarde wordt gesteld. In de onderhavige procedure is dit echter wel in geschil en staat dit derhalve niet vast. Belanghebbende heeft namelijk gesteld dat er wel een markt is en de inspecteur heeft ter zitting erkend dat het mogelijk is dat in derdenverhoudingen dergelijke lijfrentecontracten worden afgekocht. Dat dergelijke afkopen in de praktijk niet vaak voorkomen, hetgeen te maken zou kunnen hebben met de fiscale gevolgen ervan (o.a. het betalen van revisierente over de afkoopsom), betekent niet dat er geen markt bestaat voor het afkopen van lijfrenteverplichtingen. De zakelijke hoogte van de afkoopsom wordt in het algemeen bepaald aan de hand van het bedrag waarvoor de vennootschap, die de lijfrenterechten toekent, de verplichtingen bij een verzekeringsmaatschappij had kunnen onderbrengen (de overdrachtswaarde). Bij de berekening van de door de vennootschap te betalen koopsom dient rekening te worden gehouden met een kosten- en winstopslag die vergelijkbaar is met die door verzekeringsmaatschappijen bij de berekening van hun tarieven in aanmerking wordt genomen. Gelet op de in 4.1 vermelde achtergrond van de BMW, alsmede de uitkomsten van het MoneyWise onderzoek, dient de uitkomst van de BMW-berekening met betrekking tot de zuivere lijfrenten in beginsel als een koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen te worden beschouwd.


Zuivere lijfrenten



4.7.
In dit geval is het hof van oordeel dat de afkoopwaarde van de zuivere lijfrenten niet gelijk is aan de overdrachtswaarde, maar daar wel van kan worden afgeleid. De navolgende omstandigheden zijn namelijk bij de berekening van de afkoopwaarde ten onrechte niet meegewogen. Niet in geschil is dat een onafhankelijke derde verzekeraar een medische verklaring dan wel een medische keuring van [directeur] zou eisen alvorens tot afkoop over te gaan. Een derde verzekeraar zou zich namelijk niet een mogelijke vooroverlijdenswinst willen laten ontgaan. Vast staat dat in dit geval een dergelijke verklaring niet is gevraagd en dat een dergelijke keuring niet heeft plaatsgevonden waardoor het niet benutten van de kans om voortijdig bevrijd te worden van de lijfrenteverplichtingen ten onrechte niet van waardeverminderende invloed is geweest bij de bepaling van de zakelijke afkoopsom. Evenmin is daarbij - ten onrechte - rekening gehouden met een in derdenverhoudingen gebruikelijke vergoeding voor de royementskosten. Ook met de omstandigheid dat het het initiatief van [directeur] was om tot afkoop over te gaan is op geen enkele wijze rekening gehouden. [directeur] had immers een zwaarwegend belang bij de afkoop vanwege de omstandigheid dat door de toepassing van het oude belastingverdrag met Duitsland de lijfrente-uitkeringen nog onbelast zouden zijn. Dat belanghebbende er zelf ook belang bij had om van haar lijfrenteverplichtingen te worden bevrijd, volgens [directeur] omdat ze vanwege een herstructurering een louter Duitse juridische structuur wenste zonder Nederlandse verplichtingen, acht het hof, ook al ontbreekt een nadere onderbouwing, in beginsel ook een belang dat bij de bepaling van de afkoopwaarde meegewogen dient te worden.



4.8.
De door belanghebbende gehanteerde berekening tegen marktrente representeert dan ook niet de waarde in het economische verkeer omdat met voormelde omstandigheden ten onrechte geen rekening is gehouden. De conclusie is dan ook dat belanghebbende in zoverre niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan en dat de inspecteur door uit te gaan van de reservewaarde de aanslag tot een onjuist bedrag heeft vastgesteld.



4.9.
Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt om de afkoopwaarde van de zuivere lijfrenten met behulp van de marktrente op moment van afkoop te berekenen juist, echter had er bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer nog rekening gehouden moeten worden met de in 4.7 vermelde omstandigheden. Het hof zal, hiermee rekening houdend, daarom de gezochte waarde in goede justitie vaststellen en wel op 80% van € 671.907 (€ 318.446 + € 353.461) = € 537.525.


Gerichte lijfrente



4.10.
Met betrekking tot de gerichte lijfrente is het hof met de inspecteur van oordeel dat, gelet op het feit dat de jaarlijkse uitkering op 1 juli 2026 vastgesteld wordt aan de hand van hetgeen kan worden verkregen met het op dat moment beschikbare kapitaal (inbrengwaarde vermeerderd met de overeengekomen contractrente) en de dan geldende tarieven van in Nederland gevestigde levensverzekeringsmaatschappijen, de afkoopwaarde niet hoger kan zijn dan het bedrag waarop deze lijfrenteverplichting per ultimo 2016 is gepassiveerd, namelijk € 40.909. Aangezien de inspecteur geen lager afkoopbedrag dan de balanswaarde in aanmerking heeft genomen gaat het hof ook van dit bedrag uit.



4.11.
De conclusie is dat het hoger beroep gegrond is en dat de buitengewone last in verband met de in geschil zijnde afkoop vastgesteld dient te worden op € 261.505 in plaats van € 416.071. Het belastbaar bedrag dient daarom te worden vastgesteld op € - 50.005. Het beroep op de glijclausule in de afkoopovereenkomst verwerpt het hof omdat deze clausule niet heeft voorkomen dat aan belanghebbende het volle bedrag van de overeengekomen afkoopsom in 2016 ter beschikking is gesteld.


Tussenconclusie




4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.


Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding




4.13.
Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak.



4.14.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met ruim 12 maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.



4.15.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van meer dan 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende. Daarbij wordt uitgegaan van samenhang met de zaak met nummer 23/837, zodat de minister wordt veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500 : 2 = € 750.


Ten aanzien van het griffierecht




4.16.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.


Ten aanzien van de kosten van het bezwaar




4.17.
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat er in dit geval uit dat de inspecteur de afkoopwaarde op een te laag bedrag en daarmee de aanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.



4.18.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.442.


Ten aanzien van de proceskosten




4.19.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.



4.20.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de rechtbankfase op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.868.



4.21.
Voor de hoger beroep fase stelt het hof deze tegemoetkoming vast op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.868.



4.22.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.



4.23.
Gelet op het feit dat er samenhang bestaat met de IB-zaak en de veroordeling in de proceskosten in die rechtbankfase in stand blijft ziet het hof aanleiding de totale proceskosten met de helft te verminderen.



4.24.
Het hof zal in deze zaak een proceskostenvergoeding toekennen van € 3.736 : 2 = € 1.868.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank;


verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de aanslag naar een belastbaar bedrag van € - 50.005;


stelt het verlies voor het jaar 2016 vast op € 50.005;


vernietigt de beschikking belastingrente;


bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 908 vergoedt;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.442;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 1.868;


veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 750.



De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn, en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en afschriften van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina A.J. Kromhout


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Belanghebbende neemt de theoretische eindwaarde van het contract op de oorspronkelijke expiratiedatum als uitgangspunt en berekent de contante waarde hiervan op afkoopdatum tegen de op dat moment geldende marktrente van 0,34%.


Hoge Raad 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4024.


Hoge Raad 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, r.o. 4.4.2. Zie ook onderdeel 7.1. van de aan dit arrest voorafgaande conclusie van A-G Groeneveld, ECLI:NL:PHR:2003:AI0411.


Hoge Raad 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2268.


Deze waarde is berekend aan de hand van de inbrengwaarde en de overeengekomen contractrente van 5%.


€ 578.434 (=€ 537.525 + € 40.909) - € 316.929 (boekwaarde van de lijfrenteverplichtingen) = € 261.505.


Hoge Raad 24 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3769.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2.


Het hoger beroepschrift is binnengekomen op 9 juni 2023. Ter zitting is aan partijen medegedeeld dat het hof op 7 mei 2025 uitspraak zou doen.


Artikel 7:15, lid 2, Awb.


1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.


1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.


1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak