|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1643 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 24/994 en 24/995 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Aanslagen toeristenbelasting. Beroep op het gelijkheidsbeginsel: begunstigend beleid en de meerderheidsregel. Het beroep op begunstigend beleid slaagt ten aanzien van een van beide aanslagen. Belanghebbende heeft voldoende feiten aangevoerd die het vermoeden van begunstigend beleid rechtvaardigen. De heffingsambtenaar heeft tegenover de overtuigende kracht daarvan geen feiten en omstandigheden aangevoerd ter ontzenuwing daarvan. Het beroep op de meerderheidsregel is onvoldoende onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar bekend is met vergelijkbare gevallen waarin geen of minder belasting is geheven en naheffing achterwege is gebleven. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | ingezetene | | | ozb | | | paarden | | | uitzendbureau | | | vaststellingsovereenkomst | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/994 en 24/995
Uitspraak op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummers SHE 23/470 en 23/471 in het geding tussen de heffingsambtenaar, en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft een aanslag toeristenbelasting 2021 en een voorlopige aanslag toeristenbelasting 2022 opgelegd (hierna samen: de aanslagen).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [gemachtigde] , haar zoon als gemachtigde, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
1.7.
De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan belanghebbende.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende biedt vanaf 2021, als verhuurder van woonruimte, gelegenheid tot het houden van verblijf in vier recreatiewoningen in de gemeente Bladel (hierna: de gemeente).
2.2.
In de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting Bladel 2021 (hierna: Verordening 2021) is bepaald:
“Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
(…)
Artikel 6 Belastingtarief
1. Het tarief bedraagt per persoon per overnachting € 1,61.”.
2.3.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente hebben op 25 mei 2021 aan de gemeenteraad geschreven dat geen toeristenbelasting werd geheven van verblijfgevers van arbeidsmigranten en dat een uitbreiding van de heffing in die zin aandachtpunten kent, omdat het niet heffen als normaal en juist werd gezien door de verblijfgevers:
“Aandachtspunten
(…) De verblijfgevers zullen als tussenpersoon worden aangeslagen voor de heffing van de toeristenbelasting. Omdat op dit moment geen toeristenbelasting wordt geheven, wordt het niet heffen als normaal en juist gezien door de verblijfgevers. Vroegtijdige communicatie met de verblijfgevers is nodig om ze te laten wennen aan de nieuwe situatie en om ze de tijd te geven hun administratie zodanig aan te passen dat de afdracht juist en efficiënt kan geschieden.”.
2.4.
De gemeenteraad heeft in een raadsvergadering op 4 november 2021 besproken dat de Verordening 2021 niet juist werd uitgevoerd. Van een bepaalde onderneming was bekend dat deze aan arbeidsmigranten verblijf heeft aangeboden, maar dat deze onderneming niet werd aangeslagen voor de toeristenbelasting. Tijdens de raadsvergadering is gezegd dat het niet terecht zou zijn alleen die onderneming aan te slaan, dat zou rechtsongelijkheid scheppen. Vervolgens is de stemming over de verordening voor het jaar 2022 uitgesteld tot de volgende vergadering. Dan zou er een advies zijn waarin zou worden vermeld in hoeverre de verordening moest worden aangepast om niet te heffen in situaties met arbeidsmigranten, dan wel dat dergelijke situaties dienden te worden opgespoord en aangeslagen op een wijze die recht doet aan de verordening.
2.5.
De gemeenteraad heeft in een raadsvergadering op 16 december 2021 opnieuw gesproken over het heffen van toeristenbelasting voor verblijfgevers van arbeidsmigranten. Tijdens die vergadering is ingestemd met een amendement, op grond waarvan vanaf belastingjaar 2022 aan verblijfgevers van arbeidsmigranten een toeristenbelasting werd geheven naar een onderscheidend tarief van 50% van het tarief per persoon per overnachting:
“Amendement (…)
- Eenieder die verblijft in de gemeente Bladel en geen ingezetene is met een adres in de gemeente, met dit voorstel €1,66 per nacht belasting dient te betalen;
- Tot op heden arbeidsmigranten deze belasting niet betaalden, maar indien dit voorstel wordt aangenomen zij deze belasting wel dienen af te dragen; - Deze groep mensen dan op jaarbasis tussen de €500-€600 aan toeristenbelasting betaalt;
- Dit bedrag op jaarbasis niet in verhouding staat tot de OZB die ingezetenen van de gemeente Bladel betalen;- Het derhalve beter is om een onderscheidend tarief te hanteren voor deze groep mensen;
- Dit alleen op een objectieve grond mogelijk is;
- Daarbij het onderscheid kan worden gemaakt op basis van het hebben van een certificaat door de huisvester, namelijk het certificaat van de stichting normering Flexwonen (SNF);
- Een onderscheid in tarief voor huisvesters met een certificaat en zonder certificaat vormt immers een objectieve grond om op te onderscheiden; (…) - Met het differentiëren van het tarief niet alleen een rechtvaardige regeling wordt getroffen waarmee arbeidsmigranten bijdragen aan toeristenbelasting, bovendien wordt gestimuleerd dat meer huisvesters aan de normen van het certificaat van SNF gaan voldoen, en daarmee wordt een stimulans gegeven om betere huisvesting in de gemeente Bladel aan arbeidsmigranten te realiseren; (…) - Een tarief van 50% (in 2022 zijnde €0,83) enerzijds een substantiële bijdrage oplevert door een arbeidsmigrant voor het gebruik van gemeentelijke voorzieningen, en anderzijds ook een stimulans is voor een arbeidsmigrant om zijn huisvester ervan te overtuigen dat hij liever in een SNF gecertificeerde woning/verblijf zit”.
2.6.
In de vervolgens tot stand gekomen Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting Bladel 2022 (hierna: Verordening 2022) is overeenkomstig het amendement bepaald:
“Artikel 1 Definities
(…) m. huisvester: het bedrijf, de werkgever of uitzendbureau die huisvesting verzorgt voor arbeidsmigranten;
n. huisvesting: de woonruimte die door een huisvester specifiek voor arbeidsmigranten wordt ingezet of anderszins ter beschikking wordt gesteld.
Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam verblijfsbelasting wordt een directe belasting geheven voor:
a. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de Basisregistratie Personen zijn ingeschreven;
b. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de Basisregistratie Personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.
(…)
Artikel 6 Belastingtarief
1. Het tarief bedraagt per persoon per overnachting € 1,66. (…)
3. In afwijking van hetgeen is bepaald in het eerste lid, bedraagt het tarief voor het verblijf in huisvesting waarvan de huisvester gecertificeerd is door en ingeschreven is in het register van de Stichting Normering Flexwonen per persoon, per overnachting 50% van het in lid 1 vermelde tarief.”.
2.7.
De heffingsambtenaar heeft in een brief van 24 januari 2022 aan belanghebbende verzocht om aangifte toeristenbelasting voor het jaar 2021 te doen. Belanghebbende heeft hierop in een brief van 3 februari 2022 aan de heffingsambtenaar geantwoord dat in totaal 2.908 overnachtingen hebben plaatsgevonden en daarbij geschreven:
“De vraag om deze gegevens aan u aan te leveren bevreemd me zeer gezien de discussie ten aanzien van de vaststelling van de verordening toeristenbelasting 2022 voor de gemeente Bladel die in het najaar heeft plaatsgevonden. Tijdens de commissie-, gemeenteraadsvergaderingen en via de pers heb ik vernomen dat voor 2021 niet aan alle aanbieders van verblijf tegen vergoeding in de gemeente Bladel een aanslag toeristenbelasting wordt opgelegd. Hiermee handelt u dus op dit moment in strijd met de verordening. (…)
Ik verzoek u dan ook (…) mij gelijk te behandelen als eerder genoemde ondernemers die verblijf aanbieden tegen een vergoeding en hiermee geen aanslag toeristenbelasting over het jaar 2021 op te leggen.”.
2.8.
De heffingsambtenaar heeft vervolgens de aanslagen aan belanghebbende opgelegd.
2.9.
De aanslag toeristenbelasting 2021 (hierna: de aanslag 2021) berust op de Verordening 2021 en is opgelegd naar een tarief van € 1,61 per persoon per overnachting (x 2.908 overnachtingen = € 4.681,88).
2.10.
De voorlopige aanslag toeristenbelasting 2022 (hierna: de voorlopige aanslag 2022) berust op de Verordening 2022 en is opgelegd naar een tarief van 1,66 per persoon per overnachting (x 1.454 geschatte overnachtingen = € 2.413,64).
2.11.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft op respectievelijk 28 en 29 december 2022 de bezwaren tegen de aanslag toeristenbelasting 2021 en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2022 ongegrond verklaard.
2.12.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de korting op het tarief voor het verblijf in huisvesting voor arbeidsmigranten van 50% bij gebreke van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond tot ongelijke behandeling van rechtens gelijke gevallen leidt en daarom onverbindend is (artikel 6, lid 3, Verordening 2022). Deze korting van 50% is echter niet op belanghebbende toegepast. Daarom is de rechtbank ingegaan op de vraag of de heffingsambtenaar belanghebbende in vergelijking met andere ondernemingen ongelijk heeft behandeld. De rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan voor de jaren 2021 en 2022 sprake is geweest. De rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar en de aanslagen om die reden vernietigd. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met één maand is de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 500 (zaaknummer SHE 23/470) en het griffierecht van € 100 aan belanghebbende (SHE 23/470 en 23/471).
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en op goede gronden zijn opgelegd.
3.2.
De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot het alsnog ongegrond verklaren van de beroepen van belanghebbende. Belanghebbende concludeert tot bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank.
4
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Het hof ziet in hetgeen partijen naar voren hebben gebracht aanleiding om eerst de stellingen van belanghebbende (strijd met het gelijkheidsbeginsel) en vervolgens de stellingen van de heffingsambtenaar (geen strijd met het gelijkheidsbeginsel) te bespreken.
4.2.
Belanghebbende heeft met betrekking tot beide aanslagen een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder op het bestaan van begunstigend beleid en een beroep op de meerderheidsregel. Zij voert hiertoe het volgende aan.
4.3.
Belanghebbende stelt dat in de gemeente sprake is van begunstigend beleid. Volgens haar is zij ongelijk behandeld ten opzichte van andere aanbieders van betaald verblijf, zoals bijvoorbeeld [Accommodatie 1] [woonplaats] . Op deze locatie is een arbeidsmigrantenhotel gevestigd. Aan het einde van 2021, bij de vaststelling van de Verordening 2022, zijn in de raadsvergaderingen vragen gesteld over de toeristenbelasting op deze locatie. In de raadsvergaderingen is geconcludeerd dat deze locatie op basis van de Verordening 2021 in de heffing betrokken had moeten worden, maar de heffingsambtenaar heeft besloten om dat niet te doen. De locatie is pas met de invoering van de Verordening 2022 in de toeristenbelasting betrokken en kreeg toen een korting van 50% op het tarief. Er had echter ook al in 2021 belasting geheven moeten worden, of er had een vrijstelling voor huisvesting van arbeidsmigranten moeten gelden, aldus belanghebbende.
4.4.
Belanghebbende stelt ook dat sprake van schending van de meerderheidsregel. Volgens haar is in de gemeente, in een meerderheid van met haar geval vergelijkbare gevallen, geen of minder toeristenbelasting geheven. Het college van burgemeester en wethouders heeft, naar aanleiding van haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid, overzichten verstrekt van accommodaties die in 2020 een aanslag en in 2021 een voorlopige aanslag toeristenbelasting hebben ontvangen. Deze overzichten zijn niet compleet en er ontbreken accommodaties, bijvoorbeeld [Accommodatie 2] [woonplaats] (een vrachtwagenparkeerplaats), [Accommodatie 3] (een camping tijdens evenementen), [Accommodatie 4] (een trainingscentrum voor IJslandse paarden), voornoemde [Accommodatie 1] [woonplaats] (huisvesting voor arbeidsmigranten), Vakantiehuis [naam] en diverse B&B-locaties (Airbnb), aldus belanghebbende.
4.5.
De heffingsambtenaar heeft betwist dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens de heffingsambtenaar kan hiervan alleen sprake zijn indien de meerderheidsregel wordt geschonden en daarvan is geen sprake, aldus de heffingsambtenaar.
Begunstigend beleid (aanslag 2021 en 2022)
4.6.
Het hof stelt met betrekking tot het door belanghebbende gestelde begunstigend beleid het volgende voorop.
4.7.
Voor belastingen die bij wege van voldoening of afdracht op aangifte worden geheven (hierna tezamen ook aangeduid als: aangiftebelastingen) geldt dat niet het bestuursorgaan de belastingschuld vaststelt, maar de belastingplichtige of inhoudingsplichtige deze zelf berekent. Op het bestuursorgaan rust wel de taak om, indien het verschuldigde bedrag niet volledig op aangifte is betaald, over te gaan tot naheffing van de te weinig betaalde belasting. De belanghebbende die ter kennis komt dat in vergelijkbare gevallen geen belasting op aangifte wordt betaald en ook geen naheffing volgt, en die hieraan het vermoeden ontleent dat dit het gevolg is van een door het bestuursorgaan gevolgd begunstigend beleid, kan om een verklaring hierover vragen. Indien de aanspraak van de belanghebbende op gelijke behandeling niet wordt gehonoreerd ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aan de belanghebbende duidelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een gecoördineerd begunstigend beleid. Als dit de belanghebbende niet bevredigt en hij zijn aanspraak op gelijke behandeling in beroep voor de belastingrechter herhaalt, zal door deze rechter de overtuigende kracht van de feiten die belanghebbende heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vermoeden worden afgewogen tegen de feiten die ter ontzenuwing daarvan zijn aangevoerd. Het bewijsrisico blijft echter berusten bij de belanghebbende.
4.8.
Belanghebbende heeft in haar brief van 3 februari 2022 aan de heffingsambtenaar verzocht om gelijke behandeling. De heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd (zie 2.7). Belanghebbende heeft haar beroep op gelijke behandeling in deze procedure herhaald. Uit het voorgaande volgt dat hiervoor niet is vereist dat sprake is van schending van de meerderheidsregel, zoals de heffingsambtenaar stelt.
4.9.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot de aanslag 2021 voldoende feiten heeft aangevoerd die het vermoeden van begunstigend beleid rechtvaardigen. In de Verordening 2021 is bepaald dat toeristenbelasting werd geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook, door personen die niet als ingezetene met een aders in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven (zie 2.2). Er geldt geen uitzondering hierop voor arbeidsmigranten, zodat hun verblijfgevers ook in de heffing betrokken moeten worden. Dat is niet gebeurd. Dit blijkt onder meer uit de schriftelijke bevestiging van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2021 dat geen toeristenbelasting werd geheven van verblijfgevers van arbeidsmigranten (zie 2.3), de raadsvergadering van 4 november 2021 waarin is vastgesteld dat de Verordening 2021 niet correct werd uitgevoerd aangezien een onderneming die aan arbeidsmigranten verblijf aanbood niet werd aangeslagen voor de toeristenbelasting (zie 2.4) en de raadsvergadering van 16 december 2021 waarin wederom is bevestigd dat arbeidsmigranten tot dat moment geen toeristenbelasting betaalden (zie 2.5).
4.10.
De heffingsambtenaar heeft tegenover de overtuigende kracht hiervan geen feiten en omstandigheden aangevoerd ter ontzenuwing van het vermoeden van begunstigend beleid. Volgens de heffingsambtenaar was [Accommodatie 1] [woonplaats] in 2021 niet belastingplichtig, omdat in 2021 de voorwaarde gold dat sprake moest zijn van verblijf tegen vergoeding en dit volgens hem niet kon worden vastgesteld. Omdat arbeidsmigranten daar verbleven op basis van arbeidsovereenkomsten waarin stond dat verblijf mogelijk was, werd niet duidelijk of en welke vergoeding daarvoor werd betaald, aldus de heffingsambtenaar. Dit betoog baat de heffingsambtenaar niet. In de Verordening 2021 is bepaald dat het gaat om een vergoeding ‘in welke vorm dan ook’. De door de heffingsambtenaar bedoelde onduidelijkheid in de arbeidsovereenkomsten van arbeidsmigranten sluit niet uit dat er wel degelijk sprake was van verblijf tegen vergoeding, en het is bovendien niet aannemelijk dat [Accommodatie 1] [woonplaats] geen enkele vergoeding voor het verblijf van arbeidsmigranten ontving. Het ligt naar het oordeel van het hof voor de hand dat de vergoeding is begrepen in het arbeidscontract. Het feit dat deze onduidelijkheid in de Verordening 2022 is weggenomen omdat daarin is bepaald dat de voorwaarde van verblijf tegen vergoeding niet geldt als gedurende het verblijf arbeid wordt verricht, is van onvoldoende gewicht en leidt niet tot een ander oordeel (zie 2.6).
4.11.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van de voorlopige aanslag 2022 niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Sinds 2022 wordt expliciet toeristenbelasting geheven van verblijfgevers van arbeidsmigranten, zoals op 16 november 2021 is vastgesteld in het amendement en daarna in de Verordening 2022 is bepaald. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat ook voor dat jaar nog sprake is van begunstigend beleid. Dit betekent dat met betrekking tot de voorlopige aanslag 2022 het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel moet worden beoordeeld.
De meerderheidsregel (voorlopige aanslag 2022)
4.12.
Het hof overweegt met betrekking tot het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel als volgt.
4.13.
De belastingplichtige die een beroep doet op de meerderheidsregel dient in elk geval te stellen dat in een meerderheid van met zijn geval vergelijkbare gevallen geen of minder belasting is geheven. Aan die stelplicht voldoet hij niet door de enkele aanname, zonder feitelijke onderbouwing, dat in andere gevallen de verschuldigde belasting niet zal zijn geheven. Bij aangiftebelastingen komt daar nog bij dat de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat het bestuursorgaan bekend is met die gevallen en in die gevallen naheffing achterwege blijft ondanks dat de benodigde gegevens daarvoor beschikbaar zijn.
4.14.
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van het beroep op de meerderheidsregel verwezen naar door de gemeente verstrekte overzichten van accommodaties die een (voorlopige) aanslag toeristenbelasting hebben ontvangen voor de jaren 2020 en 2021 en een schema met voorbeelden van locaties waarvan toeristenbelasting werd geheven in 2023. Volgens belanghebbende zijn de door de gemeente verstrekte overzichten onvolledig en ontbreken diverse accommodaties (zie 4.4).
4.15.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende haar beroep op de meerderheidsregel, gelet op het gemotiveerde verweer van de heffingsambtenaar, niet voldoende (nader) heeft onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar bekend is met vergelijkbare gevallen waarin geen of minder belasting is geheven en naheffing achterwege is gebleven. Het hof licht dit toe als volgt.
4.16.
Allereerst zijn volgens de heffingsambtenaar aan verschillende locaties, waaronder [Accommodatie 1] [woonplaats] , Vakantiehuis [naam] en diverse Airbnb-locaties, aanslagen opgelegd. Ter onderbouwing hiervan heeft de heffingsambtenaar kopieën van de aanslagen toeristenbelasting van [Accommodatie 1] [woonplaats] en [Accommodatie 5] over 2022 overgelegd.
4.17.
Ten tweede is volgens de heffingsambtenaar niet in alle gevallen sprake van een met belanghebbende vergelijkbaar verblijf voor overnachtingen tegen vergoeding. Het betreft bijvoorbeeld de volgende drie door belanghebbende genoemde locaties. Die locaties zullen gelet op het standpunt van belanghebbende worden onderzocht en als blijkt dat de situatie anders is dan verondersteld, dan zal de locatie alsnog in de heffing worden betrokken.
a. [Accommodatie 2] [woonplaats] is een terrein van een logistiek dienstverlener met 43 bewaakte parkeerplaatsen en voorzieningen als wc’s, douches en wifi, maar zonder faciliteiten die gericht zijn op overnachtingen zoals slaap-, rust- of eetvoorzieningen. Het terrein is bestemd om te worden gebruikt als parkeerterrein. Vrachtwagenchauffeurs verblijven in hun voertuigen en vermoedelijk verblijft een vrachtwagenchauffeur wel eens in zijn eigen voertuig voor de nacht, maar hiervoor wordt geen aanvullende vergoeding gevraagd omdat er geen sprake is van een tariefstructuur per nacht. Dit betekent dat er geen belastingplicht is voor toeristenbelasting voor deze locatie, aldus de heffingsambtenaar.
b. [Accommodatie 3] is een motorcrossterrein zonder recreatieve bestemming en beschikt over een vergunning die een bepaald aantal bezoekers toelaat. Verblijf van enkele dagen valt onder de toeristenbelasting. [Accommodatie 3] is niet in staat om het exacte aantal aanwezige personen te registeren, daarom is bij de vergunningverlening uitgegaan van een vast aantal bezoekers. De daaruit voortvloeiende toeristenbelasting is gebaseerd op dit vaste aantal en om die reden is in dit geval geen aanslag opgelegd, maar gekozen voor een vaststellingsovereenkomst. c. [Accommodatie 4] is een paardrijschool. Het object heeft agrarische bestemming en er is alleen extensieve dagrecreatie toegestaan. Het is niet bekend dat hier recreatief wordt verbleven en er is geen aangifte voor toeristenbelasting gedaan. Er is weliswaar nachtelijk verblijf tegen vergoeding tijdens zomercursussen of ponykampen, maar dit valt onder de vrijstelling voor georganiseerde jeugdbewegingen. De overige door belanghebbende genoemde locaties zijn inmiddels al aangeslagen (zie 4.16), waren in 2022 niet belastingplichtig ( [Accommodatie 6] bijvoorbeeld is opgericht in 2023) of worden ook alsnog aangeslagen als uit onderzoek blijkt dat zij belastingplichtig zijn, aldus de heffingsambtenaar.
4.18.
Daarbij komt dat volgens de heffingsambtenaar niet wordt voldaan aan het vereiste dat, in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen, geen of minder belasting is geheven. De Airbnb-locaties zijn niet door belanghebbende met naam genoemd, zodat daartegen geen verweer kan worden gevoerd. Meer in zijn algemeenheid vertegenwoordigen zij, als deze zouden worden aangeslagen, circa 0,025 tot 0,036% van de totale opbrengst van de toeristenbelasting 2022 en dit is een te gering financieel belang om het beroep op de meerderheidsregel te onderbouwen. En indien een aanbieder alsnog in beeld komt, dan zal de onterecht niet of te weinig geheven toeristenbelasting alsnog worden geheven of nageheven, aldus de heffingsambtenaar.
4.19.
Belanghebbende heeft, gelet op dit gemotiveerde verweer van de heffingsambtenaar, het beroep op de meerderheidsregel niet voldoende (nader) onderbouwd. Zij heeft in hoger beroep weliswaar foto’s in het geding gebracht van een bord van [Accommodatie 2] [woonplaats] , maar op die foto’s is alleen een uurtarief vermeld (€ 1,20 per uur) en daaruit blijkt niet dat sprake is van een tarief voor een overnachting zoals bedoeld in de Verordening 2022. Ook de door belanghebbende genoemde inconsistentie in de toelichting van de heffingsambtenaar in zijn hogerberoepschrift baat haar niet. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat hij niet weet hoe dit is ontstaan en hij zich alsnog aansluit bij wat in het verweerschrift in beroep is opgenomen (zie 4.17). Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar naheffing achterwege heeft gelaten in gevallen waarin gegevens daarvoor aanwezig waren. Dit betekent dat niet kan komen vast te staan dat in 2022 in een meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen geen of minder toeristenbelasting is geheven. Het beroep op de meerderheidsregel slaagt daarom niet.
4.20.
De voorlopige aanslag 2022 is terecht en op goede gronden vastgesteld op basis van het tarief zoals vermeld in artikel 6, lid 1, Verordening 2022. Noch dit tarief, noch het aantal overnachtingen is in geschil, zodat belanghebbende gehouden is om deze aanslag te voldoen.
Artikel 6, lid 3, Verordening 2022
4.21.
Volgens de heffingsambtenaar heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 6, lid 3, Verordening 2022 in strijd met het gelijkheidsbeginsel tot stand is gekomen.
4.22.
In artikel 6, lid 3, Verordening 2022 is bepaald dat een huisvester van arbeidsmigranten, die gecertificeerd is door en ingeschreven is in het register van de Stichting Normering Flexwonen (hierna: SNF), een verlaagd tarief van 50% betaalt.
4.23.
Het hof stelt voorop dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die aan artikel 6, lid 3, Verordening 2022 zijn verbonden. Zij heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat zij heeft geprobeerd om een SNF-certificaat aan te vragen, maar dat dat is mislukt en dat haar niet een dergelijk certificaat is toegekend. Het hof overweegt dat, alleen al omdat zij niet aan de vereiste voorwaarden kan voldoen, een toetsing van artikel 6, lid 3, Verordening 2022 aan het gelijkheidsbeginsel daarom niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden.
4.24.
Het hof ziet in alles wat partijen verder nog hebben aangevoerd ook geen aanleiding voor een toetsing van artikel 6, lid 3, Verordening 2022 aan het gelijkheidsbeginsel. Bij dit oordeel is betrokken dat deze bepaling volgens belanghebbende leidt tot oneerlijke concurrentie, omdat boekingswebsites all-in prijzen publiceren en zij bijna het dubbele van andere verblijfaanbieders in rekening moet brengen en een belastingmaatregel volgens haar niet het juiste instrument is om de kwaliteit van huisvesting van arbeidsmigranten te toetsen. Het door de heffingsambtenaar gestelde toekomstig belang bij een toetsing van artikel 6, lid 3, Verordening 2022 aan het gelijkheidsbeginsel maakt dit niet anders. Deze procedure ziet op de voorlopige aanslag 2022, die terecht en op goede gronden is opgelegd, en voor latere jaren geldt een gewijzigde verordening, aldus de heffingsambtenaar (2025 en 2026).
Tussenconclusie
4.25.
De slotsom is dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de voorlopige aanslag 2022 gegrond is en het hoger beroep tegen de aanslag 2021 ongegrond.
Ten aanzien van de proceskosten
4.26.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover de uitspraak op bezwaar van 29 december 2022 en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2022 is vernietigd;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 december 2022 ongegrond.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, J. Wessels en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2923.
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1788, onder 5.3.1.
Conclusie AG 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:127, onder 5.9, bij Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:693. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|