Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1801 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:30-07-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:25/1447
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Legesheffing waterschap. De legesverordening bevat onduidelijke en onbepaalde heffingsgrondslagen en vergt onaanvaardbaar veel doenvermogen van het publiek. De daardoor opgeroepen lastenverzwaring is door het waterschap onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd (exceptieve toetsing, evenredigheidsbeginsel). De daarop gebaseerde legesaanslag voor een evenement (de Bietentocht) is terecht door de rechtbank vernietigd.
Trefwoorden:belastingrecht
bouwvergunning
ingezetene
paarden
tarieven
vrijstelling
vrijwilligers
waterschap
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1447

8 juli 2026


Uitspraak


op het hoger beroep van


de heffingsambtenaar van het waterschap Brabantse Delta, de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 9 juli 2025 in de zaak met kenmerk BRE 24/4351 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) in het geding tussen


[Stichting], gevestigd te [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: [persoon])

en

de heffingsambtenaar.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 28 december 2023 aan belanghebbende een nota leges opgelegd met een te betalen bedrag van € 1.500 (de aanslag leges) op grond van de Legesverordening Waterschap Brabantse Delta 2023 (de “Verordening 2023”).



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak van 21 maart 2024 ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de aanslag leges;
- gelast dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan belanghebbende vergoedt.”



1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Hoewel hij tijdig en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd, is de heffingsambtenaar aldaar zonder kennisgeving of bericht niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.





2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“2.1. Belanghebbende organiseert sinds 1999 een jaarlijks evenement ter ere van de traditie omtrent het vervoer over water van de suikerbietenoogst. Belanghebbende maakte in tot en met 2022 steeds per e-mail melding bij het waterschap ten aanzien van het organiseren van de tocht, ieder jaar in/omstreeks het laatste weekend van oktober.



2.2.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2023 wederom een zogeheten 'Bietentocht' georganiseerd, van 16 tot en met 19 oktober 2023. De financiering van deze activiteit geschiedt door middel van giften en sponsoring. Gedurende de tocht, te weten op 19 oktober 2023, maakte belanghebbende gebruik van de waterwegen waarvan het beheer is ondergebracht bij Waterschap Brabantse Delta.



2.3.
Tot 15 februari 2023 gold de op 2 juli 2014 in werking getreden ‘Legesverordening Brabantse Delta (zonder jaaraanduiding). Op grond van deze verordening was leges verschuldigd voor het - kort gezegd - realiseren van bouwwerken in/op/aan het watersysteem.



2.4.
De naderende invoering van de Omgevingswet is aanleiding geweest voor het waterschap om de verordening voor de heffing van leges te herzien.



2.5.
Per 15 februari 2023 is in werking getreden de 'Legesverordening Brabantse Delta 2023’ (de Verordening 2023). Op basis van deze nieuwe verordening heeft het waterschap zes categorieën van handelingen geïntroduceerd waarvoor leges verschuldigd zijn.



2.6.
Voor de editie Bietentocht 2023 heeft belanghebbende wederom melding gemaakt van het organiseren van het evenement. Tussen partijen heeft afstemming en contact plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft de melding opgevat als een aanvraag voor in totaal drie vergunningen:
o Gebruik maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones, artikel 3.1 lid 1 van de Keur waterschap Brabantse Delta (de Keur);
o Gebruik maken van een kering, artikel 3.3 lid I van de Keur;
o Organiseren van een evenement op een vaarweg, artikel 1.23 lid 1 en lid 2 Binnenvaartpolitiereglement.



2.7.
De voorgaande vergunningen/ontheffingen vormen de basis voor de heffing van leges op grond van de navolgende artikelen in de Legesverordening 2023;
o Handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam, artikel 1.11;
o Handelingen met betrekking tot een waterkering, artikel 2.3;
o Overige handelingen, artikel 6.1”



2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hieraan het volgende toe.



2.3.
De Bietentocht 2023 maakte op 19 oktober 2023 (de laatste dag van de vierdaagse tocht) gedurende enkele uren gebruik van de Steenbergsche Vliet. Het evenement houdt onder andere in het met paarden jagen (voorttrekken) van beurtschepen langs de vaarwegen Steenbergsche Vliet en Steenbergsche Haven en over de langs de vaarwegen gelegen kade en regionale waterkering ter hoogte van het voormalige Fort Henricus. De Bietentocht is in het leven geroepen om de geschiedenis van het vervoer van vracht onder zeil over de Brabantse en Zeeuwse wateren weer een gezicht te geven en bij te dragen aan het vakmanschap van historisch varen. De deelnemende schepen zijn niet-commercieel varende historische zeilschepen. Tussen de 20 en 25 in aantal, met totaal 170 tot 200 opvarenden. Het betreft veelal museumschepen uit de (museum)havens in Zeeland (Kamperland), Noord-Brabant (Willemstad, Tilburg, Woudrichem) en Zuid-Holland (Dordrecht, Hellevoetsluis, Rotterdam, Schiedam, Gouda). Naast het varen op zeil wordt ook gebruikgemaakt van trekpaarden (tot spannen van drie) om de schepen op bepaalde gedeelten van de bietentocht te jagen. De jaarlijkse bietentocht biedt de gelegenheid met deze schepen te varen en de daarbij benodigde ambachten in praktijk te brengen.



2.4.
De heffingsambtenaar heeft in zijn hoger beroepschrift verwezen naar (online beschikbare) video-opnames van de vergaderingen van 5 oktober 2022 en van 11 januari 2023 van de commissie Bestuur & Financiën van het algemeen bestuur van het waterschap. Het betreffen opnames van enkele uren waarin onder andere is ingegaan op de voorstellen voor de Verordening 2023 en de tarieventabel. Op de vraag of een vrijstelling kan worden opgenomen voor verenigingen of stichtingen zonder winstoogmerk is geantwoord:

“Daar is niet over nagedacht en dat zouden we nog wel kunnen doen (…). Er is geen rekening [mee] gehouden met sociaal-culturele en liefdadige instellingen, waarmee we dan wat soepeler in de kosten zouden zijn. We kunnen dat nog overwegen, maar dat is uiteindelijk in de huidige overwegingen niet meegenomen.”



2.5.
Tot de stukken van het dossier behoort een ongedateerd stuk genaamd “technische vragen en antwoorden”. Het betreft een stuk dat het voorstel voor de Verordening 2023 en de Tarieventabel vergezelde bij de vergadering van het algemeen bestuur waar deze ter stemming voorlagen. Hierin staat onder andere het volgende:

“Vraag
Waarom zijn vergunningaanvragen met een maatschappelijk doel niet benoemd n.a.v. de
commissie in de tabel?

Antwoord

‘Maatschappelijk doel’ moet objectief te beoordelen zijn. Dit moet dan zodanig geformuleerd
worden dat het voor een ieder duidelijk is wat hieronder valt. Daarnaast zijn aanvragen met een
maatschappelijk doel vaak de aanvragen die veel tijd kosten in de beoordeling.”





3Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de aanslag leges terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.




4Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (voetnoten zijn in het onderstaande citaat weggelaten):

“3.1. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een aanslag leges heeft opgelegd en zo ja, of deze aanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.


3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de aanslag leges ten onrechte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Vooraf



3.3.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de heffing voor ‘handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam’, zoals bedoeld in artikel 1.11 van de Verordening 2023 ten onrechte heeft plaatsgevonden. Het beroep is reeds hierom gegrond. Het geschil richt zich op de juistheid van de resterende heffing van twee maal € 500 voor de overige twee type handelingen.


Heffingsgrondslag



3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de heffingsambtenaar op grond van de Legesverordening 2023 gerechtigd is tot het heffen van leges. Het beroep komt in de kern neer op een beroep op de algemene rechtsbeginselen. Belanghebbende bepleit dat zij al jaren hetzelfde evenement organiseert, met een vergelijkbaar budget en in jaarlijkse afstemming met het waterschap, op basis van wederzijdse transparantie. Belanghebbende wijst er daarbij op dat in de contacten rondom de editie van 2023 de afdeling heffen lange tijd ook in het ongewisse was over de hoogte van de leges naar aanleiding van de invoering van de Verordening 2023. Belanghebbende wijst voorts op legesverordeningen van andere waterschappen, die een onderdeel bevatten voor kleine en/of culturele evenementen waarvoor gereduceerde legestarieven gelden. De rechtbank oordeelt als volgt.



3.5.
Op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de rechter de beroepsgronden aan te vullen. Belanghebbende is een stichting zonder winstoogmerk, wordt gerund door vrijwilligers en heeft geen juridische bijstand in deze procedure. Dat alles tezamen, in onderling verband bezien, brengt de rechtbank ertoe om in het betoog van belanghebbende te lezen dat het is bedoeld als een beroep op het evenredigheidsbeginsel en een verzoek aan de rechtbank tot exceptieve toetsing. De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor de heffing van de leges is gebaseerd op lokale regelgeving, niet zijnde een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet staat naar het oordeel van de rechtbank daarom er niet aan in de weg om voornoemde toets aan te leggen.



3.6.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of met de nieuwe grondslagen voor de heffing van leges in voldoende mate acht is geslagen op de proportionaliteit van de heffing. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de intensiteit van deze toets in relatie staat tot de discretionaire ruimte die het bestuursorgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De rechtbank neemt als richtsnoer het advies van de conclusie van staatsraad A-G Widdershoven (A-G) van 22 december 2017: noodzakelijkheid, geschiktheid en evenwichtigheid.



3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het criterium van evenwichtigheid een struikelblok in deze zaak. De grondslag voor dat oordeel ligt in de toelichting op de invoering van de nieuwe verordening: de Adviesnota Legesverordening 2023. Daarin is de volgende passage opgenomen:

“Verhoging kostendekkendheid legesverordening
Decentrale overheden heffen leges voor individuele dienstverlening aan ingezetene. Bijvoorbeeld leges voor de afgifte van een paspoort, bouwvergunning of in het geval van het waterschap, leges voor de aanvraag van een watervergunning. Door legesheffing betaalt de aanvrager de kosten (of een deel daarvan) van de dienstverlening. De aanvrager heeft immers profijt van de individuele dienstverlening.
Als er geen leges worden geheven, betekent dit dat de kosten van de dienstverlening worden ‘omgeslagen’ over alle belastingbetalers van het waterschap. Ook bij geen volledige kostendekkenheid van de tarieven, wordt een deel van de kosten afgewenteld op de ‘gemeenschap’.
De huidige kostendekkendheid op het niveau van de gehele legesverordening, bedraagt tussen de 25 en 30%. In de commissie Bestuur & Financiën van 5 oktober 2022 was groot draagvlak voor verhoging van de kostendekkenheid. In de voorliggende tarieventabel is daarom uitgegaan van een kostendekkendheid van 80% voor de gehele legesverordening.


Vaste bedragen

In de tarieventabel is gekozen voor vaste bedragen om het voor een vergunningaanvrager duidelijk te houden. Een aanvrager weet vooraf waar hij/zij aan toe is. Als er meerdere activiteiten in één vergunning aangevraagd worden, worden de leges betaald aan de som van de aan de activiteiten gekoppelde leges.”

En voorts:

“Drempelbedrag
In de huidige verordening was een drempelbedrag opgenomen. Leges werden niet geheven voor een aanvraag waarbij de bouwkosten minder dan € 25.000,- bedroegen. Dit komt neer op een drempelbedrag van € 1000,- per aanvraag. In de nieuwe tarieventabel werken we niet meer met bouwkosten. De wens van de commissie B&F [rechtbank: Bestuur & Financiën] is om wederom een drempelbedrag op te nemen. Voorgesteld wordt een drempelbedrag op te nemen van € 500,-. De enkelvoudige vergunningaanvragen vallen hiermee onder de vrijstelling. Dit doet recht aan de beoordelingsuren die bij dergelijke enkelvoudige aanvragen horen. Ook draagt het bij om aan het uitgangspunt om voor eenvoudige, kleinere activiteiten geen ontmoedigingsbeleid te hanteren. Meerdere enkelvoudige activiteiten in één aanvraag worden bij elkaar opgeteld en vallen daarmee niet meer onder het drempelbedrag.”



3.8.
Om te komen tot een oordeel zet de rechtbank de positie van belanghebbende, zijnde een stichting zonder winstoogmerk gericht op de versterking van regionale cultuur, af tegen de hiervoor genoemde doelstellingen voor de begroting van het Waterschap. De heffingsambtenaar heeft betoogd dat belanghebbende twee (aanvankelijk drie) vergunningsplichtige activiteiten organiseert en daarom niet onder de vrijstelling van de enkelvoudige aanvragen valt. Gelet op de hiervoor genoemde bedoeling van de regelgever is dat een correcte uitvoering van de Verordening 2023. Echter, naar het oordeel van de rechtbank heeft de regelgever zich onvoldoende rekenschap gegeven van de noodzaak van evenwichtigheid in deze regeling.



3.9.
Kijkend naar de tekst van de Adviesnota dan komt het beeld naar voren dat de regelgever bij het maken van keuzes over de inrichting van de legesheffing met name commerciële organisaties die bouwkosten maken voor ogen heeft gehad. Een organisatie die dergelijke kosten zich kan permitteren heeft ook de draagkracht om bij te dragen aan de algemene middelen voor waterbeheer. De positie van belanghebbende is echter een geheel andere: een maatschappelijke rol gericht op cultureel erfgoed, handelend zonder winstoogmerk, zonder commercieel gewin, gebaseerd op een jaarlijkse begroting die qua activa wordt gevormd door giften en sponsoring. In zoverre is inderdaad relevant hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd: de omstandigheid dat in andere regio’s wel een passage in de betreffende verordening is opgenomen voor sociaal-maatschappelijke initiatieven.



3.10.
Door de positie van dergelijke sociaalmaatschappelijke organisaties niet in ogenschouw te nemen, is Waterschap Brabantse Delta als lokale regelgever tekort geschoten. Naar het oordeel van de rechtbank is het gevolg daarvan niet dermate verstrekkend dat dat moet leiden tot onverbindendheid van de Verordening 2023. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om zelf de hoogte van de leges te bepalen. Het passende gevolg is dan dat de Verordening 2023 in het geval van belanghebbende voor de activiteit ‘Bietentocht 2023’ buiten toepassing blijft.



3.11.
De conclusie is dan dat het beroep van belanghebbende gegrond is en dat de aanslag leges moet worden vernietigd.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.1.
De Verordening 2023 luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1 Belastbaar feit
Onder de naam 'leges' worden rechten geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit.

(…)

Artikel 3 Maatstaf van heffing en tarieven
1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2. (…)
3. Legesbedragen minder dan of gelijk aan € 500,- worden niet geheven. Voor het bepalen van de hoogte van dit bedrag, wordt als een aanvraag betrekking heeft op meerdere activiteiten, het bedrag vastgesteld op basis van de som van de verschuldigde leges behorend bij die activiteiten.”

De toelichting op de Verordening bij artikel 3 vermeldt:

“Lid 3. Dit bedrag is als drempel gekozen, om te voorkomen dat voor relatief eenvoudige activiteiten aanvragers niet worden ontmoedigd om een vergunningaanvraag in te dienen. Het legesbedrag is opgebouwd uit de som van de verschuldigde rechten voor de verschillende activiteiten waarop een aanvraag betrekking heeft.”



5.1.2.
Hoofdstuk 2 van de Tarieventabel, behorende bij de Verordening 2023 luidt, voor zover van belang:

“Hoofdstuk 2 Handelingen met betrekking tot een waterkering














Activiteit




Bedrag





2.1


Het in behandeling nemen van een aanvraag
voor bet aanleggen, wijzigen of verwijderen van
een kabel en/of leiding in. onder of nabij een
waterkering.


(…)


(…)




2.2


Het in behandeling nemen van een aanvraag
voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van
objecten, bouwwerken, wegen,
parkeerplaatsen. beplanting op, in of nabij een
waterkering


(…)


(…)




2.3


Het in behandeling nemen van een aanvraag
voor overige activiteiten / werkzaamheden
waarbij graafwerkzaamheden worden
uitgevoerd die niet nader benoemd worden in
deze tabel met betrekking tot een waterkering.



€500,-



Wanneer interne
advisering door
hydroloog, ecoloog of
waterkeringspecialist
benodigd is: €750,-







De toelichting bij Hoofdstuk 2 van de Tarieventabel vermeldt:

“II Handelingen met betrekking tot een waterkering
Deze tabel is onderverdeeld in de meest voorkomende activiteiten waarvoor vergunning benodigd is. Het gaat hier om activiteiten die betrekking hebben op een waterkering. De bedragen zijn gekoppeld aan de gemiddelde behandeltijd van een aanvraag. Waarin wordt gewerkt met een staffel naar gelang de complexiteit van de aangevraagde activiteit.”

Hoofdstuk 6 van de Tarieventabel luidt voor zover van belang:

“Hoofdstuk 6 Overig handelingen














Activiteit




Bedrag





6.1



Vaarwegen (nautisch beheer)


Het in behandeling nemen van een aanvraag betreffende het gebruik van de vaarwegen zoals is beschreven in de waterschapsverordening, Scheepvaartverkeerswet, Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer,
Binnenvaartpolitiereglement of andere wet- of regelgeving/



€500,-



Wanneer externe
advisering benodigd
is: €750,-




6.2


(…)


(…)







De toelichting bij Hoofdstuk 6 van de Tarieventabel vermeldt:

“VI Overige handelingen
Hier is een tarief opgenomen voor het afhandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen voor het gebruik van de vaarwegen. Het bedrag is gekoppeld aan de gemiddelde behandeltijd van een aanvraag. Tevens is een tarief opgenomen wanneer een verzoek om een maatwerkvoorschrift wordt ingediend. Het bedrag is gekoppeld aan de gemiddelde behandeltijd van een verzoek.”



5.1.3.
Artikel 3.1 lid 1 van de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 (tekst 2023, hierna: de Keur) luidt als volgt:

“Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van een primaire of regionale waterkering of bijbehorende beschermingszone A, met uitzondering van compartimenteringskeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.”



5.1.4.
Artikel 1.23. van het Binnenvaartpolitiereglement luidt voor zover van belang als volgt (tekst 2023):

“1. Het is verboden een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement, waarbij een of meer schepen of drijvende voorwerpen zijn betrokken, dan wel een tewaterlating van een schip of een proefvaart met een schip of van een drijvend voorwerp of werkzaamheden op een vaarweg te doen plaats hebben zonder dit tijdig tevoren bij de bevoegde autoriteit te melden.
2. Indien een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan brengen, is het verboden deze zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
(…)”



5.1.5.
Met betrekking tot het ‘bevoegd gezag’ bepaalt artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet onder ander als volgt:

“1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is dan wel zijn, tenzij daarin anders is bepaald, het bevoegd gezag:
a. indien het betreft een scheepvaartweg in beheer bij
1°. het Rijk: Onze Minister;
2°. een provincie: gedeputeerde staten;
3°. een gemeente: burgemeester en wethouders;
4°. een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen: het dagelijks bestuur.
b. indien het betreft een scheepvaartweg die niet in beheer is bij enig openbaar lichaam: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen.
(…)
3. Ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een waterschap bepalen provinciale staten wie het bevoegd gezag is. Zij wijzen als zodanig aan het dagelijks bestuur van het waterschap voor zover dit verenigbaar is met de in het reglement aan het waterschap ter behartiging opgedragen taken, en in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen of gedeputeerde staten.
(…)”

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geldig van 1 augustus 2023 tot 1 januari 2024) staat onder andere het volgende vermeld:

“Paragraaf 4.2.2 Provinciale vaarwegen

Artikel 4.8 Toedeling beheer Provinciale vaarweg


Lid 1 Waterschap Brabantse Delta is belast met de uitvoering van het beheer over de Provinciale vaarweg.

Lid 2 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta is belast met het nautisch beheer over de provinciale vaarwegen, volgens de bepalingen bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet.
(…)


Afdeling 7.2 Vaarwegbeheer


Artikel 7.17 Toedeling beheer vaarwegen


Lid 1 De volgende vaarwegen en havens betreffen provinciale vaarwegen in beheer van de provincie:
(…)
e. Roosendaalsche en Steenbergse vliet (inclusief de Steenbergse en Heense haven).”

Uit de toelichting bij deze verordening volgt dat hierin met “Steenbergse vliet” de Steenbergsche Vliet wordt bedoeld.

Evenredigheidsbeginsel



5.2.
De gronden van het hoger beroep van de heffingsambtenaar komen er in wezen op neer dat niet in strijd is gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en dat de aanslag leges (zoals verminderd naar € 1.000) terecht aan belanghebbende in rekening is gebracht. Hij betoogt dat bij het vaststellen van de legestarieven de positie van sociaalmaatschappelijke organisaties (zoals belanghebbende) expliciet in ogenschouw is genomen. Dat er vervolgens voor is gekozen om geen tegemoetkoming aan dergelijke organisaties te verlenen, valt binnen de beleidsvrijheid van het algemeen bestuur van het waterschap, aldus de heffingsambtenaar.
De heffingsambtenaar meent voorts dat ten onrechte door de rechtbank een onderscheid is gemaakt tussen commerciële en andere organisaties, dat ten onrechte een tariefonderscheid naar draagkracht wordt geëist en dat ten onrechte betekenis wordt toegekend aan de beleidskeuzes van andere waterschappen. Belanghebbende volgt de rechtbank wat betreft haar toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.



5.3.
Het Hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1385) is de Hoge Raad ingegaan op een situatie zoals de onderhavige waarin de rechtmatigheid van een lagere belastingverordening die een lastenverzwaring inhoudt met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden. In r.o. 5.3.1 van dit arrest zet de Hoge Raad daarbij het toetsingskader uiteen:

“Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.”



5.4.
Het Hof zal hierna dit toetsingskader toepassen. De invoering van de Verordening 2023 en de Tarieventabel, zoals daaraan uitvoering wordt gegeven door het waterschap, leidt voor belanghebbende tot een lastenverzwaring. De heffingsambtenaar heeft immers op basis van die nieuwe regels een aanslag leges opgelegd, waar voor eerdere jaren geen leges verschuldigd was. Indien het Hof dit als uitgangspunt neemt, dient hij vervolgens te onderzoeken of de door belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen.



5.5.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij, als organisatie met een ideëel karakter en zonder commercieel oogmerk, slechts kan beschikken over een beperkt budget. De legesheffing vormt een forse post op dit budget en een serieuze bedreiging voor het voortbestaan van evenementen zoals de door belanghebbende georganiseerde Bietentocht. Daarbij wijst zij op het maatschappelijk belang dat met dergelijke evenementen is gediend; een educatieve functie voor het publiek en het belang om te voorkomen dat de kennis en ervaring benodigd voor oude ambachten in de vergetelheid raakt.
Het Hof stelt vast – dit heeft de heffingsambtenaar overigens niet bestreden – dat belanghebbendes stichting een sociaal-culturele instelling met een beperkt budget is en dat zij de vergunningaanvraag heeft gedaan voor een evenement met een maatschappelijk doel. Zij heeft aangevoerd dat de lastenverzwaring van € 0 naar € 1.000 voor belastingplichtigen zoals zij te zwaar is. Het Hof ziet hierin gerechtvaardigde belangen.



5.6.
Het Hof komt tot het oordeel dat de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die, zoals zij, door de lastenverzwaring worden geraakt, niet zijn meegewogen. Dat komt ook naar voren in de vergaderingen waaraan de heffingsambtenaar refereert (zie 2.4). Daarin wordt – kortgezegd – slechts opgemerkt dat over een de belangen van verenigingen of stichtingen zonder winstoogmerk, zoals belanghebbende, nu juist niet is nagedacht en dat daarmee nu juist geen rekening is gehouden, hoewel dat wel had gekund.
Het stuk “technische vragen en antwoorden”, dat het voorstel voor de Verordening 2023 naar het algemeen bestuur vergezelde, bevat slechts de opmerking dat de term ‘maatschappelijk doel’ goed gedefinieerd moet worden en de, overigens niet onderbouwde, stelling dat aanvragen met een maatschappelijk doel vaak veel tijd kosten. In de invoeringsgeschiedenis is niets opgenomen over de gerechtvaardigde belangen van organisaties met een ideëel karakter en zonder winstoogmerk waarvoor de lastenverzwaring een serieuze dreiging vormt voor het voortzetten van het nastreven van hun maatschappelijk doel.



5.7.
Gelet op het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader (zie 5.3) dient het Hof er bij deze stand vanuit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van de in 5.1.1 en 5.1.2 geciteerde voorschriften van de Verordening 2023 en de Tarieventabel. Het Hof kan als gevolg van deze onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering niet beoordelen of de voorschriften in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof verbindt hieraan het gevolg dat hij de voorschriften buiten toepassing dient te laten en de daarop berustende aanslag leges dient te vernietiging.
Het Hof voegt hieraan toe dat het er hierbij niet om gaat dat het waterschap verplicht zou zijn bij het heffen van leges een onderscheid te maken tussen commerciële en andere organisaties noch dat hij gehouden zou zijn naar draagkracht te heffen. Het gaat er om dat het waterschap bij het geven van een belastingverordening de belangen meeweegt van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt.


Belastbaarheid


5.8.1.
Belanghebbende heeft een aantal klachten die de kenbaarheid van de belastingheffing betreffen. Zij betoogt dat onvoldoende duidelijk is dat voor de vergunningaanvraag leges verschuldigd zou zijn, laat staan tweemaal voor één evenement. Zij heeft toegelicht dat zij door een medewerker van het waterschap telefonisch door de vergunningaanvraag is geleid. Daarbij diende zijn een locatie van de activiteiten weer te geven. Zij heeft daar aangegeven “Steenbergse Vliet Kade (…) en waterkering (…)”. Vervolgens diende zij in een keuzemenu aan te geven om welke activiteit het zou gaan. Zij heeft daar het vakje voor “Organiseren van en wedstrijd of evenement” aangevinkt. Zij meent dat dit slechts één activiteit is en dat dit ten onrechte is opgevat als een aanvraag voor meer dan één vergunning. Zij betoogt dat de heffing voor twee vergunning dan ook onjuist is. Daarnaast meent zij dat de maatstaf van heffing van de leges onvoldoende duidelijk volgt uit de Verordening 2023 en de Tarieventabel.



5.8.2.
Artikel 111 van de Waterschapswet bepaalt:

“De belastingverordening vermeldt in de daartoe leidende gevallen de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is, alsmede het tijdstip van inwerkingtreding.”



5.8.3.
De Hoge Raad (HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1000, ro. 2.4.1) heeft over een vergelijkbare bepaling in de Gemeentewet geoordeeld dat daarmee eisen worden gesteld “aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven (hierna: de kenbaarheidseisen). Zij strekken onder meer ertoe dat de belastingverordening alle essentialia bevat waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 63)”.




5.9.
Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar bij het bepalen van het legesbedrag het bedrag heeft vastgesteld op de som van (aanvankelijk drie en thans) twee legesbedragen: het bedrag van € 500 opgelegd op basis van artikel 2.3 van de Tarieventabel en het bedrag van € 500 opgelegd op basis van artikel 6.1 van de Tarieventabel. De heffingsambtenaar heeft daarbij voor twee activiteiten leges in rekening gebracht: het in behandeling nemen van een aanvraag betreffende (1) het gebruik van de vaarwegen zoals is beschreven in het Binnenvaartpolitiereglement, te weten een evenement waarbij meerdere schepen zijn betrokken en de vlotte doorgang van de scheepvaart in gevaar kan komen en (2) een activiteit met betrekking tot de waterkering. Het betreft naar het oordeel van het Hof echter slechts één aanvraag voor één activiteit: een evenement waarbij meerdere schepen zich over de waterweg verplaatsen en die daartoe vanaf de waterkering worden voortgetrokken (gejaagd) door paarden. Dat laatste als een separate activiteit beschouwen miskent de samenhang. Het doet ook geen recht aan de in de toelichting bij het artikel tot uitdrukking gebrachte bedoeling van artikel 3, lid 3 van de Verordening, om legesbedragen van minder of gelijk aan € 500 niet te heffen, om te voorkomen dat voor relatief eenvoudige activiteiten aanvragers niet worden ontmoedigd om een vergunningaanvraag in te dienen.



5.10.
Het Hof wijst voorts op de tekst van artikel 2.3 van de Tarieventabel. Deze roept vragen op. Allereerst roept de frase “overige activiteiten / werkzaamheden waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd” de vraag op of het daarbij gaat om alle overige activiteiten, of alleen om die overige activiteiten waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Met andere woorden of de bijzin “waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd” alleen terugslaat op “werkzaamheden” of ook op “activiteiten”. Beide lezingen acht het Hof taalkundig juist. Men zou menen dat de beperking tot overige activiteiten waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming zou zijn met het doel van een waterschap om de veiligheid tegen overstromingen te garanderen. Die uitleg past ook beter bij de inhoud van voorafgaande bepalingen 2.1 en 2.2, welke op bodemwerkzaamheden zien. Daarop wijst ook de verplichting om een “projectomschrijving” te geven, indien in het aanvraagformulier van het waterschap punt 2.3 wordt ‘aangevinkt’. Daar komt bij dat de bepaling van het belastbare feit een wel zeer ruime betekenis krijgt indien deze ziet op alle overige activiteiten. Ook bijvoorbeeld het (tweemaal) aldaar uitlaten van een hond – de betreffende waterkering is daarvoor vrij toegankelijk, zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard – zou bij deze lezing een vergunningplicht (ex artikel 3.1, lid 1, van de Keur, zie 5.1.3) en een legesverplichting van € 500 (€ 1000) op kunnen roepen, aangezien de activiteit zou zijn te scharen onder “overige activiteiten die niet nader benoemd worden in deze tabel met betrekking tot een waterkering”. Het Hof acht uitgesloten dat de verordeningengever dat heeft bedoeld. Nu belanghebbende geen aanvraag heeft verricht voor een activiteit waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd, is de aanvraag van belanghebbende niet onder deze bepaling belast. En ware dat anders, dan zou de omschrijving “overige activiteiten (…) die niet nader benoemd worden in deze tabel met betrekking tot een waterkering” veel te vaag en algemeen zijn om op basis daarvan leges te heffen, aangezien niet duidelijk is welke activiteiten een belastbaar feit opleveren zoals artikel 111 Waterschapswet vereist.



5.11.
Het Hof wijst voorts op artikel 6.1 van de Tarieventabel. Uit de tekst daarvan wordt evenmin duidelijk wanneer sprake is van een belastbaar feit. De frase “Het in behandeling nemen van een aanvraag betreffende het gebruik van de vaarwegen zoals is beschreven in [het] Binnenvaartpolitiereglement” ziet op aanvragen waarvoor een vergunningverleningsdienst van het waterschap noodzakelijk is op grond van het desbetreffende reglement. Dat reglement spreekt echter niet van een vergunningsplicht, maar van een verbod op evenementen zonder dat tijdig te melden (artikel 1.23, lid 1), respectievelijk een verbod om iets te doen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit (artikel 1.23, lid 2). Daarnaast is niet gedefinieerd wie of wat de bevoegde autoriteit is en het vergt onaanvaardbaar veel doenvermogen van belastingplichtigen om te verlangen dat hen zonder onderlinge verwijzing in deze bepalingen, die ontbreekt, duidelijk is dat “de bevoegde autoriteit” van het Binnenvaartpolitiereglement hetzelfde is als het “bevoegd gezag” van de Scheepvaartverkeerswet, om uiteindelijk via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant uit te vinden dat zij hiervoor bij het waterschap moeten zijn (zie 5.1.5). Ook hier is niet voldaan aan de kenbaarheidseisen voor het heffen van leges.



5.12.
Het hiervoor overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de aanslag leges niet terecht is opgelegd.
Het Hof voegt hieraan toe dat de toegepaste bepalingen het beeld geven van zeer ambigue en onbepaalde heffingsgrondslagen. Zeker nu deze zich richten tot een algemeen publiek komt dit op gespannen voet te staan met de eisen van duidelijkheid, toegankelijkheid en voorzienbaarheid van de uitkomst die daaraan gesteld mogen worden.


Slotsom



5.13.
De slotsom is dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond is. De rechtbank heeft de aanslag leges terecht vernietigd. Het Hof zal dit bevestigen.





6Kosten

Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de onderhavige procedure zijn de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen de reiskosten van belanghebbende. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op (afgerond) € 40 (de kosten van een retourreis per openbaar vervoer in verband met het bijwonen van de zitting van het Hof).




7Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 40; en
- bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 579.

De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom, als griffier. De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: 8 juli 2026
Link naar deze uitspraak