|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1847 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | : 24/1237 tot en met 24/1 : 24/1237 tot en met 24/1 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Inkomstenbelasting. Belanghebbende neemt als vennoot deel in een vof waarin agrarische activiteiten plaatsvinden. In geschil is of de activiteiten van de vof voor belanghebbende in onderhavige jaren nog steeds een bron van inkomen vormen. Het hof is van oordeel dat dat het geval is. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | akkerbouw | | | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | belastingrecht | | | box 3 | | | erfrecht | | | gecombineerde opgave | | | inkomstenbelasting | | | koeien | | | kunstmest | | | landbouwgrond | | | rendementsgrondslag | | | stakingswinst | | | varkens | | | veestapel | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1237 tot en met 24/1239
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 juni 2024, nummers BRE 23/9536 tot en met 23/9538, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over 2019 en 2020 en een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) 2019 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar belanghebbende. Deze pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 3] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende,
en, namens de inspecteur [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1240, 24/1241 en 24/1253.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Tot en met 31 december 1988 exploiteerde wijlen [vader] (hierna: [vader] ) voor eigen rekening en risico een agrarisch bedrijf aan de [adres] in [woonplaats] . Het betrof een gemengd agrarisch bedrijf waar vleesvee (runderen en varkens) gehouden werd en akkerbouwactiviteiten plaatsvonden.
2.2.
Op 1 januari 1989 is wijlen [zoon] (hierna ook: [zoon] ) toegetreden tot het agrarisch bedrijf en werd de onderneming gedreven als maatschap.
2.3.
Per 1 januari 2003 is de rechtsvorm gewijzigd naar een vennootschap onder firma (hierna: de vof) en zijn belanghebbende (hierna ook: [belanghebbende] ) en [dochter] (hierna ook: [dochter] ) als vennoot toegetreden tot de vof.
2.4.
Na het overlijden van [vader] op 28 juni 2009 hebben zijn drie kinderen (belanghebbende, [zoon] en [dochter] ) het agrarisch bedrijf voortgezet. Het aandeel van [vader] in de vof is krachtens erfrecht overgegaan naar de kinderen. De vof beschikte in 2009 over 22,72 ha. grond ten behoeve van de bedrijfsuitoefening. De gemiddelde veebezetting in dat jaar was 4 melk- en kalfkoeien, 2 stuks jongvee ouder dan 1 jaar en 10 stuks jongvee jonger dan 1 jaar.
2.5.
Vanaf 2009 is de veestapel afgebouwd en is de vof op volledig overgeschakeld op akkerbouw. In 2019 stonden er nog twee koeien op het bedrijf en in 2023 één koe.
2.6.
In hun aangiften IB/PVV hebben de kinderen hun aandeel in het resultaat van de vof telkens aangemerkt als winst uit onderneming. De inspecteur heeft de aangiften IB/PVV op dit punt ook steeds gevolgd.
2.7.
[zoon] is op [datum] 2019 overleden. Zijn aandeel in de vof is krachtens erfrecht overgegaan naar belanghebbende en [dochter] .
2.8.
De vof had in de jaren 2007 tot en met 2020 de volgende resultaten (in €):
Het bedrag aan overige opbrengsten in 2009 van € 1.098.941 bestaat uit de volgende posten:
De vetgedrukte cijfers betreffen de stakings- en herwaarderingswinst van de landbouwgrond en ondergrond in 2009 van in totaal € 1.085.879.
2.9.
In de RVO-gecombineerde opgave (de zogenoemde meitellingen) voor de jaren 2019 en 2020 heeft de vof 17.94.000 hectare grond opgegeven te verdelen in:
Voor het jaar 2019:
2.10.
Sinds 2019 verpacht de vof 02.30.00 hectare cultuurgrond. De pachtinkomsten bedragen jaarlijks (ongeveer) € 3.335. De pachtinkomsten voor het jaar 2019 zitten in het resultaat van de vof over het jaar 2020.
2.11.
De vof had in de jaren 2021, 2022 en 2023 een commercieel resultaat van € 924, € 1.511 respectievelijk € 718.
2.12.
Een areaal van 05.50.00 hectare is in gebruik als grasland en wordt gebruikt voor de verkoop van gras aan een lokale veehouder. Deze veehouder zorgt voor het snijden en draaien van het gras, regelt het oogsten van het gras en de aflevering door de loonwerker. De vof heeft hiervoor in de jaren 2019 tot en met 2023 een vergoeding van € 2.750 per jaar ontvangen. Daarnaast heeft de vof in deze jaren een vast bedrag van € 960 van de lokale veehouder ontvangen als vergoeding voor kunstmest.
2.13.
Belanghebbende is in loondienst als verpleegkundige in de thuiszorg. In het jaar 2019 zijn 1.518 uren verloond en in het jaar 2010 1.513 uren.
2.14.
De inspecteur heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten van de vof niet langer een bron van inkomen vormen, maar dat sprake is van box 3 vermogen.
2.15.
Vervolgens heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2019, een vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 (in verband met rechtsherstel box 3), een navorderingsaanslag Zvw 2019 en een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd. De inspecteur heeft het stakingsmoment vanwege pragmatische redenen vastgesteld op [datum] 2019, zijnde de overlijdensdatum van [zoon] . Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 is de reguliere jaarwinst aangepast en is tevens een stakingswinst in aanmerking genomen. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2020 heeft de inspecteur de aangeven winst uit onderneming niet in aanmerking genomen en is de rendementsgrondslag van box 3 van belanghebbende verhoogd met het aandeel van belanghebbende in de onroerende zaken van de vof.
2.16.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2019 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.767 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.414. Tevens is bij beschikking € 1.475 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft deze navorderingsaanslag ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.767 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.054.
2.17.
De navorderingsaanslag Zvw 2019 is opgelegd over een extra bijdrage-inkomen van € 22.406, waarbij bij beschikking € 114 belastingrente in rekening is gebracht.
2.18.
De aanslag IB/PVV 2020 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.176 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.101.158. Tevens is bij beschikking € 1.235 belastingrente in rekening gebracht.
2.19.
De rechtbank heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en Zvw 2019 en de daarbij horende rentebeschikkingen vernietigd, de aanslag IB/PVV 2020 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.067 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en de bijbehorende rentenbeschikking dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 1.777,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in onderhavige jaren een onderneming uitoefent.
Het geschil spitst zich in dit kader toe op de vraag of de activiteiten van de vof voor belanghebbende in onderhavige jaren een bron van inkomen vormen. In dat kader is tussen partijen uitsluitend in geschil of sprake is van een (objectieve) voordeelsverwachting.
3.2.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en handhaving van de bestreden aanslagen. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en Zvw 2019 en de aanslag IB/PVV 2020.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in onderhavige jaren de activiteiten van de vof voor belanghebbende geen bron van inkomen vormen wegens het ontbreken van een objectieve voordeelsverwachting. Dit omdat volgens de inspecteur (i) de totaalwinst negatief is. Het resultaat van de vof over de jaren 2019 (€ 6.188) en 2020 (-/- € 6.371) is per saldo negatief (€ -/- € 183); (ii) resultaten van zogenoemde pottenbakkersarrest-vermogensbestanddelen, in dit geval de pachtopbrengsten die betrekking hebben op de jaren 2019 en verder (zie 2.10) niet meegenomen dienen te worden in de bronbeoordeling; (iii) de extra administratiekosten naar aanleiding van het overlijden van [zoon] , anders dan de rechtbank oordeelde, wel meegenomen dienen te worden in de bronbeoordeling. Slechts de administratiekosten in de jaren 2020 van € 4.918 en 2021 van € 1.027 die zien op voorgaande jaren zouden gekwalificeerd kunnen worden als onvoorziene incidentele kosten en daarom buiten de bronbeoordeling gelaten mogen worden.
De inspecteur komt met inachtneming van de voorgestane correcties in (ii) en (iii) tot de volgende jaarwinsten voor de bronbeoordeling en concludeert op basis daarvan dat de totaalwinst negatief is.
Ook heeft de inspecteur gesteld dat vanwege de omvang en wijze waarop de activiteiten geëxploiteerd worden geen voordeel verwacht kan worden. De inspecteur heeft dit standpunt onderbouwd aan de hand van data afkomstig van onder meer het CBS en Wageningen University and Research.
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van een objectieve voordeelsverwachting omdat (i) de vof in 2019 een winst had en er ook in de jaren na 2019 per saldo een positief resultaat is behaald; (ii) de boekwinsten van de vof in 2009 moeten worden meegenomen in de bronbeoordeling (zie 2.8); (iii) het hanteren van een gemiddelde over een periode in het verleden een onjuist uitgangspunt is voor de bronbeoordeling; en (iv) de aanwezige runderen enkel om nostalgische redenen worden aangehouden en het negatieve resultaat van € 20.068, dat volgens belanghebbende in de periode 2008 tot en met 2021 hierop is behaald, buiten de bronbeoordeling moet worden gelaten.
4.3.
De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.
4.4.
De inspecteur stelt de bronvraag voor het eerst voor het jaar 2019 ter discussie, terwijl belanghebbende al sinds 2003 via de vof een agrarisch bedrijf uitoefent en hij al die jaren zijn aandeel in het resultaat van de vof als winst uit onderneming heeft aangegeven en de aanslagen tot en met 2018 op dit punt zijn gevolgd. In dat geval brengt, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, een redelijke verdeling van de bewijslast met zich mee dat in dit geval de inspecteur moet bewijzen dat er geen bron van inkomen meer is.
4.5.
Het geschil gaat over de jaren 2019 en 2020. In het jaar 2019 had de vof een winst van € 6.188 en in 2020 een verlies € 6.371. De jaren erna had de vof een resultaat van € 924 (2021), € 1.511 (2022) en € 718 (2023). Die resultaten zijn inclusief de jaarlijkse pachtopbrengsten van (ongeveer) € 3.335. Anders dan de inspecteur stelt is het hof van oordeel dat de gras- en kunstmestvergoedingen, die ook in het resultaat zitten, dienen te worden meegenomen in de bronbeoordeling. Dat feitelijk sprake zou zijn van (duurzame) pachtinkomsten in plaats van omzet behaald met akkerbouwactiviteiten, zoals door de inspecteur is gesteld, is naar het oordeel van het hof, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk geworden. In de recente jaren vóór 2019 had de vof met name positieve resultaten. Het hof is van oordeel dat – zelfs indien de jaarlijkse pachtopbrengsten niet meegenomen zouden mogen worden en de extra administratiekosten naar aanleiding van het overlijden van [zoon] wel meegenomen moeten worden voor de bronbeoordeling – de resultaten in onderhavige jaren niet zodanig zijn dat niet langer meer kan worden gesproken van een objectieve voordeelsverwachting. Daarbij acht het hof relevant dat akkerbouwactiviteiten naar hun aard al snel tot een onderneming zullen leiden en schommelingen in de daarmee behaalde resultaten kunnen laten zien.
4.6.
Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat de totaalwinst op grond van artikel 3.8 Wet IB 2001 positief dient te zijn wil sprake kunnen zijn van een objectieve voordeelsverwachting. Dat standpunt berust op een onjuiste lezing van artikel 3.8 Wet IB 2001 en vindt ook geen steun in de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De inspecteur is voor het bepalen van de totaalwinst uitgegaan van een (door hem gecorrigeerd) totaalresultaat over de periode 2009 tot en met 2022. Omdat dat resultaat cumulatief bezien negatief is, is volgens hem niet langer sprake van een objectieve voordeelsverwachting. Het hof is van oordeel dat de inspecteur uitgaat van een te lange en overigens ook arbitraire periode. Ook de cumulatieve benadering van de inspecteur acht het hof onjuist. De bronbeoordeling moet namelijk in principe per jaar gedaan worden. In de periode die de inspecteur hanteert wisselen de positieve (9 jaren) en negatieve resultaten (5 jaren) elkaar af.
De vraag of de boekwinsten (zie 2.8) meegenomen moeten worden in de beoordeling hoeft het hof niet te beantwoorden. Die boekwinsten betreffen het jaar 2009 en acht het hof voor de beoordeling of in onderhavige jaren (2019 en 2020) sprake is van een objectieve voordeelsverwachting niet relevant.
Het standpunt van de inspecteur dat het akkerbouwbedrijf te klein is om redelijkerwijs structureel voordeel te realiseren heeft de rechtbank op goede gronden verworpen in onderdeel 7 van haar uitspraak. Ook naar het oordeel van het hof is geen sprake van een te klein areaal waarop geen levensvatbaar akkerbouwbedrijf kan worden geëxploiteerd en heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er voor belanghebbende geen redelijk vooruitzicht op voordeel is.
4.7.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in onderhavige jaren niet langer sprake is van een bron van inkomen. Het hoger beroep is echter gegrond omdat beide partijen van mening zijn dat de rechtbank de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2019 ten onrechte heeft vernietigd en de aanslag IB/PVV 2020 teveel heeft verminderd.
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat, indien in onderhavige jaren sprake is van een bron van inkomen, (i) de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 verminderd dient te worden tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.770 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.054; (ii) de navorderingsaanslag Zvw 2019 verminderd dient te worden tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 1.249 en (iii) de aanslag IB/PVV 2020 verminderd dient te worden tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.958. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.770 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.054;
vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2019 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 1.249;
vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.958; en
vermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, M.E. Smorenburg en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|