Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1936 
 
Datum uitspraak:22-07-2026
Datum gepubliceerd:01-09-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1171
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen en maakt bezwaar. Na ontvangst van de uitspraak op bezwaar stelt de gemachtigde van belanghebbende per abuis beroep in namens een andere persoon. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze andere persoon niet gerechtigd was om beroep in te stellen. Belanghebbende gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1171


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 juli 2024, nummer BRE 23/1329, in het geding tussen [naam] , (hierna: [naam] ) h.o.d.n. [bedrijf 1] , en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.



1.2.
Tegen de naheffingsaanslag is bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Tegen deze uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank een rechtsmiddel aangewend, dat door hem als verzet is aangeduid. De rechtbank heeft het stuk aangemerkt als hoger beroepschrift en doorgestuurd aan het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .



1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 22 april 2022 een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 2.139 (de naheffingsaanslag).



2.2.
Gemachtigde heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:


“Onderwerp: Bezwaar tegen de naheffingsaanslag van 22-04-2022 met kenmerk



[kenmerknummer] | BSN: [BSN nummer] | [aanslagnummer]

Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, de heer [naam] , h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonende te [plaats] , aan [adres] , [postcode] , en dien ik bezwaar in tegen de in de aanhef genoemde naheffingsaanslag. […]”.



2.3.
De inspecteur heeft op 20 januari 2023 uitspraak op bezwaar gedaan (hierna: de uitspraak op bezwaar). De uitspraak op bezwaar is geadresseerd aan de gemachtigde, en ziet - blijkens de tekst van de uitspraak - op een bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag.



2.4.
De gemachtigde heeft op 21 februari 2023 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. In het beroepschrift is het volgende opgenomen:

“Onderwerp: Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20-01-2023 met kenmerk [nummer] | [kenmerknummer] | BSN: [BSN nummer] | [aanslagnummer]
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, de heer [naam] , h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonende te [plaats] , aan [adres] , [postcode] , en dien beroep in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak op bezwaar, zie bijlage 1. […]”.



2.5.
In de uitspraak van de rechtbank is vermeld dat de gemachtigde bij het beroepschrift de uitspraak op bezwaar, een machtiging van [naam] en een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 9 januari 2020 van de eenmanszaak “ [bedrijf 1] .nl” (KvK-nummer [KVK nummer 1] ) heeft gevoegd. Op dat uittreksel is belanghebbende als eigenaar van die onderneming vermeld. Het daarop vermelde bezoekadres is [adres] , [postcode] [plaats] .



2.6.
Op het verzoek van de rechtbank om een recenter uittreksel uit het handelsregister, heeft de gemachtigde een op 27 februari 2023 vervaardigd uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd van de eenmanszaak “ [bedrijf 2] ” (KvK-nummer [KVK nummer 2] ), waarop als eigenaar [naam] is vermeld. Het daarop vermelde bezoekadres van de onderneming is - net als het bezoekadres van de onderneming van belanghebbende - [adres] , [postcode] [plaats] .



2.7.
Nadat het beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard, heeft belanghebbende op 5 augustus 2024 een rechtsmiddel aangewend, dat door hem als verzet is aangeduid. De rechtbank heeft het stuk diezelfde dag ontvangen, aangemerkt als hoger beroepschrift en op 13 augustus 2024 doorgestuurd aan het hof.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank. De inspecteur heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



4.1.
Belanghebbende betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien hij geen gelegenheid heeft gekregen het verzuim (de verkeerde tenaamstelling van het beroepschrift) te herstellen. Belanghebbende stelt verder dat hij in bezwaar en beroep wel zijn sofinummer heeft vermeld. Bij de inspecteur bestond volgens belanghebbende geen twijfel namens wie het bezwaar is ingediend, aangezien hij in alle gedingstukken wordt genoemd als belanghebbende. Bij het bezwaarschrift en het beroepschrift heeft de gemachtigde ook de door belanghebbende ondertekende volmacht overgelegd. Het was volgens belanghebbende daarom van meet af aan duidelijk dat het bezwaar, en in het verlengde daarvan het beroepschrift, namens hem werd ingediend.



4.2.
Het hof merkt als eerste op dat het dossier alleen een machtiging bevat van [naam] van 10 januari 2020 en een machtiging van belanghebbende van 1 juni 2023. Aangezien de machtiging van belanghebbende van ná het instellen van het beroep is en deze voor het eerst is overgelegd bij het instellen van het hoger beroep, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de vaststelling van de rechtbank dat de bij het beroepschrift overgelegde machtiging van [naam] was (zie 2.5) en dus niet van belanghebbende.



4.3.
De rechtbank heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep als volgt geoordeeld, waarbij [naam] is aangeduid als eiser:

“4.3. De rechtbank is van oordeel dat uit het beroepschrift, in combinatie met de bij de rechtbank ingediende volmacht en het recente uittreksel van de Kamer van Koophandel onmiskenbaar volgt dat het beroepschrift door gemachtigde is ingediend namens eiser. Dat in de aanhef van het beroepschrift mogelijk het BSN-nummer van [belanghebbende] is genoemd en de gemachtigde door de bedrijfsnamen van eiser en [belanghebbende] was verward, maakt dat niet anders.



4.4.
Omdat het beroep is ingesteld door eiser, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Eiser behoort niet tot de degenen die bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag kunnen instellen.1 Het subsidiaire betoog van de gemachtigde dat het bezwaar- en beroepschrift per abuis namens eiser is ingediend, maakt dat niet anders. Een dergelijke - niet kennelijke - vergissing is geen verzuim waarvoor herstel dient te worden geboden.2 De identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, moet voor afloop van de beroepstermijn kenbaar zijn.3”

Voetnoten:
[1] Op grond van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in combinatie met artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
[2] Vergelijk artikel 6:6 van de Awb.
[3] Vergelijk ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2031.

Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. Daaraan voegt het hof toe dat er geen aanleiding was voor de rechtbank om gelegenheid te geven een verzuim te herstellen. Van een verzuim zou in dit verband sprake zijn als belanghebbende beroep had ingesteld, maar dat beroep niet voldeed aan de in de wet gestelde eisen, of was geweigerd op grond van artikel 2:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zoals uit het vorenstaande volgt, heeft echter niet belanghebbende, maar [naam] beroep ingesteld. Dat de gemachtigde kennelijk per abuis beroep heeft ingesteld namens [naam] geldt daarmee niet als verzuim dat belanghebbende kon herstellen.


Tussenconclusie




4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Artikel 6:6 Awb
Link naar deze uitspraak