|
|
|
| ECLI:NL:OGAACMB:2026:45 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-08-2026 | | Instantie | : | Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | CUR202602130 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Toegangsontzegging sectordirecteur Landbouw, Milieu en Natuur. De door de secretaris-generaal namens de minister aan klager onbevoegdelijk opgelegde toegangsontzegging is door de minister bekrachtigd. Het bevoegdheidsgebrek is daarmee echter niet hersteld. Het bezwaar is daarom gegrond en de toegangsontzegging wordt vernietigd. Het Gerecht oordeelt echter dat de minister,
gelet op onduidelijkheden over de uitvoering en financiële afhandeling van projecten die onder de verantwoordelijkheid van klager vielen, in redelijkheid een toegangsontzegging voor de duur van drie maanden heeft kunnen opleggen, zodat nader onderzoek kon worden verricht. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
worden daarom in stand gelaten. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[Klager],
wonende in Curaçao,
klager,
gemachtigde: mr. A.C. Herrera, advocaat,
tegen
de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur (de minister),
verweerder,
gemachtigde: mr. H.W. Braam, advocaat.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht de brief van 25 mei 2026 waarin de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (de SG) voor de periode vanaf 25 mei 2026 tot en met 25 augustus 2026 een toegangsontzegging aan klager heeft opgelegd namens de minister (de toegangsontzegging).
1.2.
Daartegen heeft klager bezwaar gemaakt bij het Gerecht.
1.3.
De minister heeft een contramemorie, met producties, ingediend.
1.4.
Het bezwaar is op 11 augustus 2026 ter zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Klager heeft tijdens de zitting twee producties overgelegd.
1.5.
Het Gerecht heeft klager in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 augustus 2026 te reageren op de door de minister op 6 augustus 2026 aan het Gerecht en aan klager gemailde productie die per abuis niet aan dossier is toegevoegd. Ook heeft het Gerecht de minister in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 augustus 2026 de in de contramemorie genoemde stukken op grond waarvan de minister de SG heeft gemandateerd om namens hem de toegangsontzegging aan klager op te leggen, te overleggen.
1.6.
De minister heeft op 11 augustus 2026 een e-mailbericht aan het Gerecht verzonden waaraan een ministeriële beschikking is gehecht.
1.7.
Klager heeft een e-mailbericht van 13 augustus 2026 aan het Gerecht verzonden waaraan drie bijlages zijn gehecht.
1.8.
De minister heeft op 13 augustus 2026 op de mail van klager gereageerd en heeft op dezelfde dag een tweede e-mailbericht gestuurd. Als bijlage aan dat tweede e-mailbericht heeft de minister een print-out overgelegd van een e-mailbericht, met bijlage, waaruit blijkt dat de in overweging 1.5 vermelde productie al op 6 augustus 2026 aan klager en het Gerecht was verzonden.
1.9
Het Gerecht heeft het onderzoek vervolgens, met instemming van partijen, per e-mail gesloten en de uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen
2.1.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is en dat de toegangsontzegging onbevoegdelijk is gegeven en daarom niet in stand kan blijven. Wel kunnen de rechtsgevolgen van de toegangsontzegging in stand blijven. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1.
Klager is meer dan tien jaar werkzaam bij het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur en was ten tijde van de toegangsontzegging werkzaam in de functie van sectordirecteur bij de sector Landbouw, Milieu en Natuur.
3.2.
De SG heeft een brief van 11 mei 2026 aan klager doen toekomen met, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:
“[…] Bij besluit van de Raad van Ministers d.d. 12 maart 2025 is goedkeuring verleend voor de uitvoering van het project Versnelde groei landbouw- en veeteeltproductie op Curaçao. Dit project ressorteert onder het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN) en had oorspronkelijk onder de verantwoordelijkheid van de sector LMN tot uitvoering dienen te worden gebracht. […] Tegen deze achtergrond verzoek ik u om een gemotiveerde schriftelijke toelichting op de navolgende punten:
1. Wat zijn de redenen dat de uitvoering van voornoemd project in het jaar 2025, ondanks de daartoe strekkende besluitvorming en beschikbaar gestelde middelen, niet onder uw verantwoordelijkheid is aangevangen?
2. Op welke gronden zijn middelen uit het voor dit project bestemde budget (circa Cg 350,000,) aangewend, dan wel bestemd, voor andere doeleinden dan de uitvoering van het project, en op basis van welke besluitvorming en/of autorisatie heeft dit plaatsgevonden?
3. Om welke redenen zijn geen tijdige en adequate maatregelen getroffen om het resterende budget juridisch te verbinden aan verplichtingen, teneinde de beschikbaarheid van deze middelen voor het dienstjaar 2026 te waarborgen?
Gezien de aard en ernst van deze aangelegenheid verzoek ik u uw schriftelijke reactie, voorzien van een deugdelijke onderbouwing en relevante documentatie, uiterlijk binnen zeven (7) werkdagen na dagtekening van dit schrijven aan mij te doen toekomen, opdat ik de minister van GMN, belast met LMN, tijdig en volledig kan informeren. […]”
3.3.
Klager heeft de SG als reactie op deze brief bericht dat hij de hierboven genoemde vragen aan de financieel directeur en het Hoofd Agrarische en Visserij Beheer heeft doorgestuurd. Het Hoofd Agrarische en Visserij Beheer is een ondergeschikte van klager.
3.4.
Bij brief van 25 mei 2026 heeft de SG namens de minister de toegangsontzegging opgelegd aan klager voor de periode vanaf 25 mei 2026 tot en met 25 augustus 2026.
3.5.
Toen de toegangsontzegging aan klager is opgelegd had hij nog geen antwoord ontvangen van de financieel directeur en het Hoofd Agrarische en Visserij Beheer op de vragen van de SG. Klager is er niet mee bekend of deze personen inmiddels een antwoord op deze vragen aan de SG hebben doen toekomen.
3.6.
In een brief van 28 mei 2026 heeft klager aan de SG kenbaar gemaakt dat hij bezwaren heeft tegen de toegangsontzegging en dat hij van mening is dat deze onbevoegdelijk is gegeven en onrechtmatig is.
3.7.
In een brief van 11 juni 2026 heeft de SG op de brief van klager gereageerd en toegelicht waarom de toegangsontzegging volgens hem gerechtvaardigd en rechtmatig is.
Is de toegangsontzegging bevoegdelijk tot stand gekomen?
4.1.
Op grond van artikel 46, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrechtspraak (Lma) kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
4.2.
Uit dat artikel blijkt dat de toegangsontzegging niet alleen door maar ook namens de minister kan worden opgelegd. Aldus is de minister bevoegd om de bevoegdheid tot het opleggen van een toegangsontzegging aan de SG te mandateren.
4.3.
Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Gerecht, heeft de minister na de zitting een ministeriële beschikking gedateerd 9 juli 2026 overgelegd (de MB).
Artikel 1 (bekrachtiging) van de MB luidt:
“De Minister bekrachtigt, voor zover nodig, alle door de Secretaris-Generaal namens de Minister verrichte feitelijke en juridische handelingen in verband met en als gevolg van de op 25 mei 2026 aan de heer [naam klager] opgelegde ordemaatregel, waaronder begrepen de oplegging en uitvoering van de tijdelijke toegangsontzegging en de daarop betrekking hebbende correspondentie en uitvoeringshandelingen, voor zover deze vóór de datum van deze beschikking hebben plaatsgevonden.”
Artikel 2 (mandaatverlening) van de MB luidt:
“Aan de Secretaris-Generaal wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister alle noodzakelijke procedurele besluiten, correspondentie, mededelingen en overige feitelijke en juridische handelingen te verrichten die verband houden met de uitvoering van de ordemaatregel en het lopende onderzoek.”
4.4.
Niet in geschil is dat de SG voorafgaand aan het opleggen van de toegangsontzegging niet door de minister daartoe was gemandateerd. De SG was dan ook niet bevoegd om klager de toegang te ontzeggen. Uit artikel 1 van de MB blijkt dat de minister de toegangsontzegging nadien heeft bekrachtigd. Deze bekrachtiging houdt in dat de minister de (rechts)gevolgen van de toegangsontzegging voor zijn rekening neemt. Dat neemt echter niet weg dat de beslissing tot toegangsontzegging op het moment dat deze tot stand is gekomen onbevoegdelijk is genomen. Al om die reden is het bezwaar gegrond en dient het Gerecht de toegangsontzegging te vernietigen.
4.5.
Nu de minister als bevoegd gezag de toegangsontzegging heeft bekrachtigd en zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat deze maatregel terecht is opgelegd, zou een nieuw besluit van de minister inhoudelijk waarschijnlijk niet verschillen van de toegangsontzegging. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van de toegangsontzegging in stand gelaten kunnen worden.
Mocht de minister de toegangsontzegging aan klager opleggen?
5.1.
Het Gerecht stelt voorop dat een toegangsontzegging een voorlopige ordemaatregel is, met een neutraal karakter, die er primair toe strekt te voorkomen dat een ingesteld (disciplinair) onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden wordt bemoeilijkt en die er ook toe strekt de orde en rust binnen de organisatie te bewaren. Doordat deze ordemaatregel ingrijpt in de rechtspositie van de betrokken ambtenaar en zijn relatie met collega’s, behoort de maatregel zo beperkt mogelijk te zijn en in verhouding te staan met de aard en de omvang van het onderzoek. De beschikking waarmee deze ordemaatregel is aangezegd dient te bevatten, de juridische grondslag, de precieze reden, het tijdstip van inwerkingtreding en de te verwachten duur van de ordemaatregel. Het Gerecht is van oordeel dat de toegangsontzegging daaraan voldoet. Het Gerecht licht dat als volgt toe.
5.2.
In de toegangsontzegging is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Binnen het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN) zijn signalen gerezen die aanleiding geven tot nadere verificatie en onderzoek met betrekking tot de uitvoering en financiële afhandeling van projecten die onder uw verantwoordelijkheid als Sectordirecteur Landbouw, Milieu en Natuur (LMN) vallen dan wel vielen.
In het bijzonder zijn vragen gerezen omtrent de uitvoering van het project “Versnelde groei landbouw en veeteelt”, welk project door de Raad van Ministers is goedgekeurd en derhalve als prioritair project geldt. Daarbij is onder meer gebleken dat het project in 2025 niet tot uitvoering is gekomen. Tevens zijn vragen ontstaan omtrent de wijze van aanwending van aan het project gerelateerde middelen en de naleving van de daarbij geldende financiële en administratieve procedures. Vergelijkbare vragen zijn gerezen ten aanzien van projecten inzake schoonmaakwerkzaamheden van onder meer stranden en pleinen binnen de sector LMN in 2024 2025.
Voorts zijn meldingen ontvangen over een incident eind 2025 tussen u enerzijds en de financial controller van het ministerie alsmede het toenmalig waarnemend hoofd van de UO AVB anderzijds, naar aanleiding van discussies omtrent offertes gerelateerd aan voornoemd project en de betrokkenheid van [A].
U heeft bij brief van 18 mei 2026 met zaaknummer 2026/020080 gereageerd op onderdelen van deze kwestie. Uw reactie is in de beoordeling betrokken, doch geeft op dit moment geen aanleiding af te zien van een nader onderzoek.
Het voorgaande geeft aanleiding om een nader onderzoek te laten verrichten naar de relevante feiten en omstandigheden alsmede naar de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de betrokken werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Gedurende dit onderzoek dient een ordelijk, onafhankelijk en onbelemmerd verloop daarvan te worden gewaarborgd.”
5.3.
Het Gerecht toetst ex tunc en kan daarom bij het beoordelen van de toegangsontzegging alleen de omstandigheden ten tijde van de totstandkoming daarvan in acht nemen. Bij die beoordeling kan het Gerecht de door de minister overgelegde productie met als titel “Tussenrapportage intern onderzoek inzake besteding gelden Project Versnelde landbouw- en veeteeltproductie in 2025” niet betrekken. Dat rapport is immers gedateerd 5 augustus 2026 en bestond dus niet ten tijde van de totstandkoming van de toegangsontzegging.
5.4.
Over de duur van de toegangsontzegging bestaat geen onduidelijkheid omdat deze expliciet is vermeld in de toegangsontzegging. Verder heeft de minister met hetgeen in de toegangsontzegging is vermeld, zoals hierboven in overweging 5.2 is weergegeven, naar het oordeel van het Gerecht voldoende uitgelegd wat de aanleiding en ook de reden was voor het opleggen van de toegangsontzegging, namelijk signalen die aanleiding gaven tot nadere verificatie en onderzoek met betrekking tot de uitvoering en financiële afhandeling van projecten die onder de verantwoordelijkheid van klager als Sectordirecteur Landbouw, Milieu en Natuur (LMN) vallen dan wel vielen. Het Gerecht is van oordeel dat de minister gelet daarop in redelijkheid de toegangsontzegging aan klager mocht opleggen om op een voortvarende manier te laten onderzoeken of enig verwijt aan hem kan worden gemaakt met betrekking tot de uitoefening van zijn functie. Daarbij acht het Gerecht van belang dat klager niet heeft betwist dat dat onderzoek betrekking heeft op projecten of werkzaamheden die vanwege zijn functie van sectordirecteur formeel binnen de kaders van zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid vielen. Dat klager feitelijk niet of zeer beperkt betrokken was bij die projecten of werkzaamheden, zoals hij stelt, is een omstandigheid die uit dat onderzoek zal dienen te blijken.
5.5.
Gelet op al het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van de toegangsontzegging in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
6. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is. De toegangsontzegging is onbevoegdelijk gegeven en is daarmee onrechtmatig. Echter, de bekrachtiging daarvan door de minister als bevoegd gezag en een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen leiden tot de conclusie dat de rechtgevolgen van de toegangsontzegging in stand kunnen worden gelaten. Klager mag dus tot en met 25 augustus 2026 zijn werkzaamheden niet hervatten. Het Gerecht verstaat dat de minister klager zo spoedig mogelijk zal meedelen of hij zijn werkzaamheden kan hervatten na 25 augustus 2026. De toegangsontzegging verloopt namelijk op 25 augustus 2026. Dat betekent overigens dat het bevoegd gezag onrechtmatig jegens klager handelt als het klager op 26 augustus 2026 belet zijn werkzaamheden te hervatten zonder dat daaraan voorafgaand een beslissing tot verlenging van de toegangsontzegging of een schorsingsbesluit aan klager is uitgereikt.
7. Het Gerecht ziet aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de door klager gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op Cg. 1.050,- (een punt voor het verschijnen van de advocaat ter zitting, 0,5 punt voor de door de advocaat via e-mail ingediende reactie, waarde per punt Cg. 700,-). Het Gerecht neemt daarbij in aanmerking dat de door de minister overgelegde tussenrapportage weliswaar voor de zitting is ingediend, maar buiten de in artikel 15, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht 2022 gestelde termijn van acht kalenderdagen voor de zitting. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om voor de door de gemachtigde van klager na de zitting per e-mail ingediende reactie 0,5 punt toe te kennen.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar tegen de toegangsontzegging gegrond;
vernietigt de toegangsontzegging;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde toegangsontzegging in stand blijven;
veroordeelt de minister tot vergoeding aan klager van het bedrag van Cg. 1.050,-.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026, te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|