|
|
|
| ECLI:NL:OGEABES:2026:151 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-07-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | BON202600133 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Arbeidszaak. Arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege verandering van omstandigheden. Tegenverzoek tot doorbetaling van loon toegewezen. Werknemer mocht van werkgever verwachten dat hem vervoer ter beschikking zou worden gesteld. Cessantia-uitkering afgewezen. Werkgever moet werknemer over afgelopen vijf jaar achterstallig loon betalen, omdat werknemer een half uur voor aanvangstijd van de werkzaamheden op werk aanwezig moest zijn. Werknemer krijgt gelegenheid om zijn vordering bij akte nader te onderbouwen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600133
datum beslissing: 9 juni 2026
BESCHIKKING
in de zaak van:
GARNET N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verzoekster,
verweerster in de tegenverzoeken,
hierna: Garnet,
gemachtigde: mr. A.K. Kleinmoedig,
tegen
[verweerder en verzoeker in de tegenverzoeken],
wonend op Bonaire,
verweerder,
verzoeker in de tegenverzoeken,
hierna: [verweerder],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
het verzoekschrift van 18 maart 2026 met bijlagen;
het verweerschrift met bijlagen en met zelfstandige tegenverzoeken;
een akte met eisvermeerdering van de zelfstandige tegenverzoeken;
de nader overlegde productie 8 van Garnet.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Namens Garnet is de heer [directeur van Garnet] (directeur van Garnet) verschenen, bijgestaan door mr. Kleinmoedig (beide via een digitale videoverbinding). [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout. De spreekaantekeningen die mr. Kleinmoedig heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het Gerecht de zaak één week aangehouden om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te beproeven. Op 29 mei 2026 ontving het Gerecht een e-mailbericht van mr. Kleinmoedig waarin staat dat zij de beschikking tegemoet ziet. Daarom wordt vandaag uitspraak gedaan.
1.4. [
verweerder] heeft verzocht om vast te stellen dat het hem wordt toegestaan kosteloos te procederen. Gelet op het door hem overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtsbijstand’ zal dat worden toegewezen.
2De kern van de zaak
2.1. [
verweerder] werkte als elektricien voor Garnet. [verweerder] is op enig moment gestopt met werken, omdat hij moest werken op een nieuw project en van Garnet geen vervoer tot zijn beschikking kreeg. Garnet verzoekt het Gerecht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een dringende reden of verandering van omstandigheden. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verandering van omstandigheden.
2.2. [
verweerder] heeft zelfstandige tegenverzoeken ingesteld. [verweerder] verzoekt om Garnet te veroordelen tot betaling van zijn loon tot 1 maart 2026 en betaling van een cessantia-vergoeding. Na eisvermeerdering verzoekt [verweerder] om Garnet te veroordelen tot overlegging van de volledige loon- en urenadministratie van zijn dienstverband en tot betaling van achterstallig loon. Garnet heeft recht op betaling van zijn loon tot 1 maart 2026 en op achterstallig loon. De verzoeken tot betaling van een cessantia-uitkering en het inzageverzoek worden afgewezen.
3De beoordeling
De achtergrond van het geschil
3.1.
Op 14 juli 2014 is [verweerder] in dienst getreden van Garnet in de functie van elektricien. De laatste arbeidsovereenkomst van [verweerder] is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een maandelijks brutoloon van Cg 2.810,00. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst staat dat de standplaats van [verweerder] in beginsel Curaçao is, maar dat hij wel verplicht is zijn werkzaamheden op een andere plaats te verrichten tenzij dat vanwege bijzondere omstandigheden niet van hem kan worden gevergd.
3.2.
Garnet is gevestigd in Curaçao en daar heeft [verweerder] tot medio 2018 zijn werkzaamheden verricht. In 2018 is [verweerder] ter beschikking gesteld aan Garnet Bonaire. Garnet en Garnet Bonaire maken onderdeel uit van hetzelfde concern. Vanaf dat moment heeft [verweerder] onafgebroken, voltijds en onder dagelijkse leiding van de lokale uitvoerder van Garnet Bonaire werkzaamheden op Bonaire verricht.
3.3. [
verweerder] heeft zich medio 2025 gewend tot de afdeling Arbeidszaken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) op Bonaire met vragen over zijn arbeidsovereenkomst. Op 7 augustus 2025 heeft SZW schriftelijk gerapporteerd dat op basis van de door haar verzamelde informatie mogelijk sprake is van arbeidsuitbuiting.
3.4.
Naar aanleiding van het rapport van SZW is (de gemachtigde van) [verweerder] vragen gaan stellen aan Garnet. Bovendien heeft [verweerder] Garnet gesommeerd om hem een arbeidsovereenkomst te verstrekken met Bonaire als standplaats. In reactie daarop heeft (de bestuurder van) Garnet telefonisch aan [verweerder] laten weten dat hij op 24 oktober 2025 naar Curaçao moet afreizen om zijn werkzaamheden daar voort te zetten.
3.5. [
verweerder] is in oktober en november 2025 op Bonaire blijven werken voor Garnet Bonaire. Partijen hebben over en weer over de situatie gecorrespondeerd. Op 2 december 2025 heeft Garnet [verweerder] op staande voet ontslagen, omdat hij de instructie om naar Curaçao terug te keren niet heeft opgevolgd en voor Garnet Bonaire is blijven werken.
3.6.
In verband met het ontslag op staande voet is [verweerder] een kort geding procedure gestart tegen Garnet. Op 9 januari 2026 heeft het Gerecht vonnis gewezen en geoordeeld dat [verweerder] door Garnet ten onrechte op staande voet ontslagen is. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat Garnet van [verweerder] mag verlangen dat hij zijn werkzaamheden op Curaçao, de standplaats op grond van zijn arbeidsovereenkomst, voortzet, maar dat aan [verweerder] wel een redelijke termijn moest worden gegund om voorbereidingen te treffen om zijn werkzaamheden op Curaçao voort te zetten of om ander werk op Bonaire te vinden. Die termijn is bepaald op drie maanden vanaf 1 december 2025.
3.7.
Garnet heeft vrijwillig uitvoering gegeven aan deze beslissing.
3.8.
Op 12 januari 2026 heeft [verweerder] zijn werkzaamheden op Bonaire hervat. Op 26 januari 2026 heeft de gemachtigde van Garnet een e-mailbericht aan de gemachtigde van [verweerder] gestuurd en geschreven dat de standplaats van [verweerder] per 1 maart 2026 Curaçao zal zijn.
3.9.
Op 27 januari 2026 heeft [verweerder] een e-mailbericht aan Garnet gestuurd. In het e-mailbericht schrijft [verweerder] dat hij bereid is om werkzaamheden voor Garnet te verrichten op het project bij Seru Blenchi, maar dat hij daarvoor vervoer nodig heeft.
3.10. [
verweerder] heeft in de periode 27 januari 2026 tot en met 27 februari 2026 dagelijks een e-mailbericht aan Garnet gestuurd. Die e-mailberichten komen er in de kern op neer dat hij bereid is om werkzaamheden te verrichten als hij de beschikking krijgt over een vervoermiddel om met zijn gereedschappen op de werkplek te komen.
3.11.
Na 27 januari 2026 heeft [verweerder] geen werkzaamheden meer verricht voor Garnet.
De beoordeling van het verzoek van Garnet
3.12.
Garnet verzoekt het Gerecht de arbeidsovereenkomst van [verweerder] op grond van artikel 7A:1615w lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES) te ontbinden. Zij verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair in de zin van een dringende reden en subsidiair in de zin van een verandering van omstandigheden.
3.13.
Op grond van artikel 7A:1615w lid 1 BW BES worden als gewichtige redenen in de eerste plaats beschouwd omstandigheden welke een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o lid 1 BW BES zouden hebben opgeleverd. Sprake moet zijn van een reden om het dienstverband met onmiddellijke ingang te mogen beëindigen. De dringende reden is er volgens Garnet in gelegen dat [verweerder] na 27 januari 2026 de overeengekomen werkzaamheden niet meer heeft verricht en na 1 maart 2026 niet is begonnen met werken in Curaçao. Daarin volgt het Gerecht Garnet echter niet. Zoals hierna wordt overwogen, is het aan omstandigheden die voor rekening van Garnet komen te wijten dat [verweerder] na 27 januari 2026 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Een dringende reden voor ontslag leverde dit dan ook niet op. De omstandigheid dat [verweerder] niet op 1 maart 2026 is begonnen met werken in Curaçao, maakt wel dat Garnet vanaf die datum geen loon meer hoefde te betalen, maar leidt ook niet zonder meer tot een dringende reden voor ontslag. Het primaire verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege gewichtige redenen wordt daarom afgewezen.
3.14. [
verweerder] voert geen verweer tegen een ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst vanwege verandering van omstandigheden. Het verzoek van Garnet om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege verandering van omstandigheden zal worden toegewezen. Bij de beoordeling van de tegenverzoeken van [verweerder] zal beslist worden dat geen vergoeding aan de ontbinding verbonden wordt. Daarom hoeft het Gerecht partijen niet in kennis te stellen van haar voornemen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden (als bedoeld in artikel 7A:1615w lid 6 BW).
3.15.
In het kort gedingvonnis van 9 januari 2026 is beslist dat [verweerder] tot en met februari 2026 toegelaten moet worden tot zijn werkzaamheden op Bonaire. Partijen hebben zich daarbij kennelijk neergelegd. Niet in geschil is dat [verweerder] in elk geval vanaf 1 maart 2026 geen aanspraak meer heeft op loonbetaling nu hij niet bereid is de bedongen arbeid in Curaçao te verrichten. Gelet daarop hoeft bij het bepalen van de datum van ontbinding geen rekening te worden gehouden met de duur van een opzegtermijn (die bij een opzegging door Garnet in acht had moeten worden genomen). Een arbeidsovereenkomst kan op grond van artikel 6:269 BW BES echter niet met terugwerkende kracht worden ontbonden. Daarom zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per vandaag.
3.16.
Omdat het primaire verzoek van Garnet wordt afgewezen en [verweerder] geen verweer heeft gevoerd tegen het subsidiaire verzoek, zullen de proceskosten in het verzoek van Garnet worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beoordeling van de tegenverzoeken van [verweerder]
3.17. [
verweerder] heeft verschillende tegenverzoeken ingesteld. Zijn tegenverzoeken zijn onder te verdelen in een loonvordering, vordering tot betaling van een cessantia-uitkering, een inzageverzoek met betrekking tot de loon- en urenadministratie en een vordering tot betaling van achterstallig loon. De verschillende tegenverzoeken zullen hierna afzonderlijk besproken worden.
[verweerder] heeft recht op loon tot en met februari 2026
3.18.
Na 27 januari 2026 heeft [verweerder] geen werkzaamheden meer verricht voor Garnet. Volgens [verweerder] moest hij van Garnet op een nieuw project bij Seru Blenchi werken en om daar te komen had hij vervoer nodig. Omdat Garnet hem geen vervoer ter beschikking stelde, heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. [verweerder] heeft zich beschikbaar gehouden om werkzaamheden te verrichten en daarom vindt hij dat hij recht heeft op doorbetaling van zijn loon. Garnet stelt zich op het standpunt dat [verweerder] geen recht had op vervoer en ziet het niet komen opdagen op het project bij Seru Blenchi als werkweigering. Omdat [verweerder] na 27 januari 2026 niet heeft gewerkt, heeft hij volgens Garnet over die periode ook geen recht op loon.
3.19.
Weliswaar staat in de arbeidsovereenkomst niet dat [verweerder] recht heeft op vervoer naar de werklocatie, maar [verweerder] heeft onbetwist gesteld dat hij tot oktober 2025 de beschikking had over een bedrijfsauto van Garnet. Op de mondelinge behandeling heeft het Gerecht aan Garnet gevraagd in welk opzicht de werksituatie van [verweerder] in oktober 2025 veranderde en waarom hij vanaf dat moment geen bedrijfsauto meer tot zijn beschikking kreeg. Op die vragen heeft Garnet geen duidelijk antwoord gegeven. Zo zou de auto ingeleverd zijn in verband met de toekomstige terugkeer van [verweerder] naar Curaçao. Maar waarom [verweerder] vanwege zijn toekomstige terugkeer naar Curaçao geen vervoer meer nodig zou hebben op Bonaire is niet duidelijk geworden. Van een redelijke grond om de bedrijfsauto op dat moment in te nemen is niet gebleken. Na het vonnis in kort geding is [verweerder] in eerste instantie werkzaam geweest op het project Mi Kas Lagun. [verweerder] woonde op/nabij dit project, dus op dat moment had hij nog geen bedrijfsauto nodig om zijn werkzaamheden te verrichten. Eind januari 2026 werd dat echter anders. In het verzoekschrift stelde Garnet weliswaar dat [verweerder] op hetzelfde project (Mi Kas Lagun) werkzaam zou blijven totdat hij per 1 maart 2026 zijn werkzaamheden op Curaçao zou hervatten, maar tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat hij vanaf 27 januari 2026 op een ander project (Seru Blenchi) te werk werd gesteld. Het project op Seru Blenchi ligt op ruime afstand van waar [verweerder] woonde. Daarom had hij vanaf dat moment vervoer nodig om op het project te komen. Omdat [verweerder] tot oktober 2025 altijd de beschikking heeft gehad over een bedrijfsauto en die bedrijfsauto zonder redelijke grond is ingenomen, mocht [verweerder] van Garnet verwachten dat zij voor vervoer zou zorgen. Dat heeft Garnet niet gedaan. Dat [verweerder] na 27 januari 2026 geen werkzaamheden meer voor Garnet heeft verricht, is dan ook het gevolg van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van Garnet behoort te komen.
3.20.
Vanaf 27 januari 2026 heeft [verweerder] dagelijks een e-mail aan Garnet gestuurd dat hij zich bereid heeft verklaard tot het verrichten van werk. Omdat de oorzaak dat [verweerder] geen werkzaamheden meer heeft verricht voor rekening van Garnet moet komen, verliest [verweerder] zijn recht op loon op grond van artikel 7A:1614d BW BES niet. De vorderingen van [verweerder] tot betaling van zijn loon na 27 januari 2026 tot 1 maart 2026 zullen bij eindbeschikking worden toegewezen. Omdat het loon niet op tijd is betaald, zal de gevorderde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES worden toegewezen. Die wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van opeisbaarheid van de loonvorderingen.
Garnet hoeft geen cessantia-uitkering aan [verweerder] te betalen
3.21.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Cessantiawet BES wordt door de werkgever een eenmalige uitkering aan de werknemer toegekend als zijn dienstbetrekking eindigt anders dan door zijn schuld of door een aan hem toe te rekenen omstandigheid. [verweerder] vordert een bedrag van USD 8.122,00 aan cessantia-uitkering.
3.22. [
verweerder] stelt dat de arbeidsovereenkomst buiten zijn schuld is geëindigd. De reden van het eindigen van de arbeidsovereenkomst is volgens [verweerder] het feit dat hij zich tot SZW heeft gewend. Daarin wordt [verweerder] niet gevolgd. Zoals in het kort geding is geoordeeld, mocht Garnet van [verweerder] verlangen dat hij met inachtneming van een redelijke overgangstermijn weer in Curaçao zou gaan werken. Op 26 januari 2026 heeft Garnet een e-mailbericht gestuurd aan (de gemachtigde van) [verweerder] waarin staat dat de standplaats van [verweerder] per 1 maart 2026 in Curaçao zal zijn. [verweerder] heeft vervolgens de keuze gemaakt om niet in Curaçao voor Garnet te gaan werken en om ander werk op Bonaire te zoeken. De reden dat de dienstbetrekking is geëindigd, is een direct gevolg van die keuze van [verweerder]. Van Garnet had [verweerder] namelijk in Curaçao voor haar mogen blijven werken. Omdat de dienstbetrekking is geëindigd vanwege een aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheid, wordt zijn vordering tot betaling van een cessantia-uitkering afgewezen.
Het inzageverzoek wordt afgewezen
3.23.
In zijn akte vermeerdering van eis heeft [verweerder] verzocht om Garnet te veroordelen tot overlegging van de volledige loon- en urenadministratie over de gehele duur van het dienstverband.
3.24.
Het Gerecht begrijpt dat [verweerder] deze documenten vordert op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. Voor toewijzing van de vordering moet voldaan zijn aan de volgende eisen. Het moet gaan om (i) bepaalde bescheiden, (ii) de partij die inzage of afschrift vordert moet daarbij rechtmatig belang hebben en (iii) de bescheiden moeten betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de eiser of verzoeker partij is. De vordering kan alsnog worden afgewezen als daarvoor gewichtige redenen zijn of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (lid 4).
3.25.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] zijn loonstroken en jaaropgaven per e-mail ontvangen heeft. [verweerder] heeft onvoldoende toegelicht welk rechtmatig belang hij heeft bij overlegging van de volledige loon- en urenadministratie. Weliswaar heeft [verweerder] gesteld dat hij iedere dag een half uur eerder op het werk moest zijn en dat hij daarom recht heeft op betaling van achterstallig loon, maar die vordering kan hij onderbouwen met de loonstroken en jaaropgaven die hij al tot zijn beschikking heeft. [verweerder] heeft verder alleen in zijn algemeenheid gesteld dat hij wil controleren of inhoudingen en fiscale opgaven juist zijn verwerkt, maar waarom die inhoudingen en fiscale opgaven mogelijk niet juist zouden zijn is niet duidelijk. Van een rechtmatig belang bij overlegging van de volledige loon- en urenadministratie is niet gebleken. Daarom wordt de inzagevordering afgewezen.
Garnet moet achterstallig loon betalen
3.26. [
verweerder] stelt dat hij iedere werkdag een half uur voor de formele aanvangstijd van zijn werkzaamheden van Garnet op het werk aanwezig moest zijn. Over dat half uur heeft hij geen loon ontvangen. Hij vordert dat Garnet wordt veroordeeld het achterstallig loon te betalen.
3.27.
In de arbeidsovereenkomst van [verweerder] staat dat hij van maandag tot en met vrijdag van 7.30 uur tot 12.00 uur en 13.00 uur tot 16.30 uur moet werken. Op de mondelinge behandeling heeft [directeur van Garnet] verklaard dat zijn personeel altijd een half uur eerder aanwezig moet zijn, zodat de werknemers in die tijd onder meer voorbereidingen kunnen treffen voor hun werkzaamheden van die dag. Om 07.30 uur kan het personeel dan daadwerkelijk beginnen met werken. Daarbij heeft [directeur van Garnet] verwezen naar het personeelshandboek waarin die regel staat opgeschreven. Naar het Gerecht begrijpt, doelt [directeur van Garnet] daarmee op de personeelsgids, waarover artikel 16.1 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze integraal onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. Omdat aldus is voorgeschreven dat [verweerder] een half uur voor aanvangstijd op zijn werk aanwezig moest zijn, onder meer om voorbereidingen te treffen voor de werkzaamheden van die dag, is dat half uur aan te merken als betaalde arbeidstijd. Dat [verweerder] in dat half uur mogelijk nog niet productief was voor Garnet, omdat Garnet door haar klant niet voor dat half uur betaald werd, doet daar niet aan af. [verweerder] is namelijk geen partij bij de afspraken van Garnet met haar klanten. [verweerder] heeft daarom recht op loon over deze arbeidstijd.
3.28. [
verweerder] heeft een voorlopige berekening gemaakt van zijn achterstallig loon over de volledige periode vanaf 2014 dat hij in dienst was van Garnet. Dat bedrag is echter niet toewijsbaar. Garnet heeft om te beginnen een gegrond beroep gedaan op verjaring. Een rechtsvordering tot periodieke betaling van een geldsom, waar een loonvordering onder valt, verjaart op grond van artikel 3:308 BW BES door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Op 6 mei 2026 heef [verweerder] haar vordering tot betaling van achterstallig loon met zijn akte tot vermeerdering van eis ingesteld. Van een eerdere stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW BES is niet gebleken. Toewijsbaar is daarom het achterstallig loon vanaf 6 mei 2021.
3.29. [
verweerder] wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte zijn vordering tot betaling van het achterstallig loon over de periode vanaf 6 mei 2021 te onderbouwen. Na ontvangst van de akte van [verweerder] zal Garnet in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte te reageren.
3.30.
Iedere verdere beslissing in de tegenverzoeken wordt aangehouden.
4De beslissing
Het Gerecht:
in het verzoek en in de tegenverzoeken
4.1.
staat [verweerder] toe kosteloos te procederen;
in het verzoek
4.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 juni 2026;
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de tegenverzoeken
4.5.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 24 juni 2026 voor het nemen van een akte door [verweerder] over wat is vermeld onder rechtsoverweging 3.29;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|