|
|
|
| ECLI:NL:OGEABES:2026:164 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-07-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | BON202500658 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Arbeidszaak. Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig. Vordering tot doorbetaling van loon toegewezen. Niet vast komen te staan dat partijen een vast maandsalaris overeengekomen zijn. Loondoorbetaling op grond van 7A:1613cb BW BES bepaald op basis van de gemiddelde omvang van de arbeid over de laatste drie maanden voorafgaand aan het ontslag. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500658
datum beslissing: 15 juni 2026
BESCHIKKING
in de zaak van:
[verzoeker],
wonend op Bonaire,
verzoeker,
hierna: [verzoeker],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
[B.V.],
gevestigd op Bonaire,
verweerster,
hierna: [B.V.],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
het verzoekschrift van 25 november 2025 met bijlagen;
het verweerschrift met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout. Namens [B.V.] is de heer [directeur van B.V.] (directeur van [B.V.], hierna: [directeur van B.V.]) verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is vastgesteld dat dit dossier in eerste instantie abusievelijk door het Gerecht is aangemerkt als een AR-zaak, terwijl het een EJ-zaak is. In verband hiermee heeft het dossier een nieuw dossiernummer gekregen.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat uiterlijk op 15 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1. [
B.V.] exploiteert het restaurant ‘Seaside Krioyo Fusion & Bar’ op Bonaire. [verzoeker] werkte als ‘All around waiter’ voor [B.V.]. Op 17 juli 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Partijen zijn het erover eens dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven is. [verzoeker] vordert – kort gezegd – doorbetaling van zijn loon tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou zijn geëindigd, betaling van achterstallig loon en dat [B.V.] wordt veroordeeld om zijn loonstroken te verstrekken. [B.V.] zal worden veroordeeld het loon van [verzoeker] door te betalen tot 1 november 2025 en om loonstroken te verstrekken. De vordering tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen.
3De beoordeling
De achtergrond van het geschil
3.1.
Sinds 1 oktober 2024 exploiteert [B.V.] het restaurant ‘Seaside Krioyo Fusion & Bar’ op Bonaire. Begin oktober 2024 heeft [B.V.] aan [verzoeker] een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden voor de periode van 1 november 2024 tot 1 november 2025 tegen een bruto maandsalaris van USD 2.500 voor een werkweek van 40 uur.
3.2.
De door [B.V.] aan [verzoeker] aangeboden schriftelijke arbeidsovereenkomst is niet door partijen ondertekend. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] daarover verklaard dat hij zich zorgen maakte over het aantal uren dat hij moest werken tijdens het laagseizoen. [verzoeker] wilde eerst met [directeur van B.V.] om tafel gaan en bespreken wat er zou gebeuren met zijn arbeidstijd als hij op rustige dagen tijdens het laagseizoen eerder naar huis gestuurd zou worden.
3.3.
Vanaf 14 oktober 2024 heeft [verzoeker], samen met het andere nieuwe personeel van [B.V.], een aantal dagen opleiding gevolgd. Daarna is [verzoeker] begonnen met werken voor [B.V.]. Het aantal uur dat [verzoeker] voor [B.V.] werkte werd op urenstaten bijgehouden. Die urenstaten werden door [verzoeker] getekend. Het loon dat [verzoeker] uitbetaald heeft gekregen, werd berekend over zijn daadwerkelijk gewerkte aantal uren.
3.4.
Op 15 juli 2025 heeft [verzoeker] zich gewend tot de afdeling Arbeidszaken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) op Bonaire. Uit het schriftelijke rapport van SZW blijkt dat [verzoeker] vragen heeft gesteld over zijn arbeidsovereenkomst en meldde dat zijn werkgever hem geen loonstroken verstrekte. Tegenover SZW heeft [verzoeker] verklaard dat hij een contract voor 40 uur per week heeft, maar hij wekelijks voor minder uur werd ingeroosterd. Op 15 en 16 juli 2025 heeft SZW contact proberen op te nemen met [B.V.].
3.5.
Op 17 juli 2025 is namens [B.V.] een Whatsapp-bericht aan [verzoeker] gestuurd dat hij niet meer op werk hoefde te verschijnen, omdat [B.V.] geen valse mensen in haar team wilde hebben. Sindsdien heeft [verzoeker] geen werkzaamheden meer verricht voor [B.V.].
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat het Whatsapp-bericht van 17 juli 2025 gezien moet worden als een ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet rechtsgeldig gegeven is.
Geen belang bij de verklaring voor recht
3.7. [
verzoeker]s vraagt het Gerecht voor recht te verklaren dat het gegeven ontslag op 17 juli 2025 nietig is en dat de arbeidsovereenkomst tot en met 31 oktober 2025 heeft voortgeduurd. [verzoeker] heeft niet gesteld wat zijn afzonderlijk belang is bij de gevorderde verklaring voor recht naast zijn vordering tot betaling van het achterstallig loon tot en met 31 oktober 2025. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
[B.V.] moet loon doorbetalen tot het einde van het dienstverband
3.8. [
verzoeker] heeft ervoor gekozen niet te berusten in het ontslag op staande voet en heeft met het e-mailbericht van zijn gemachtigde van 4 november 2025 de nietigheid van het ontslag ingeroepen. [verzoeker] vordert doorbetaling van zijn loon over de resterende looptijd van zijn arbeidsovereenkomst. Hoewel de schriftelijke arbeidsovereenkomst niet door partijen is getekend, is het niet in geschil dat de dienstbetrekking van [verzoeker] bij [B.V.] na 31 oktober 2025 zou eindigen.
3.9.
Het inroepen van de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Op grond van artikel 7A:1614d van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES) houdt de werknemer recht op betaling van zijn salaris als hij bereid was de arbeid te verrichten, maar dat niet heeft kunnen doen door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. [B.V.] voert aan dat [verzoeker] de nietigheid van het ontslag van 17 juli 2025 pas op 4 november 2025 heeft ingeroepen en zich in de tussenliggende periode niet bereid heeft verklaard werkzaamheden te verrichten.
3.10.
Om de volgende reden deelt het Gerecht dit standpunt van [B.V.] niet. Weliswaar is niet gebleken dat [verzoeker] in de periode tussen 17 juli 2025 en 4 november 2025 aan [B.V.] heeft laten weten dat hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, maar in de gegeven omstandigheden hoefde dat ook niet van [verzoeker] te worden verwacht. Op 17 juli 2025 ontving [verzoeker] van [B.V.] immers het expliciete bericht dat hij niet meer op werk hoefde te verschijnen, omdat [B.V.] geen valse mensen in haar team wil hebben. Voor [verzoeker] was er geen reden om te denken dat, als hij zich bereid zou verklaren om te werken, [B.V.] hem weer zou willen toelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden. Met het bericht heeft [B.V.] duidelijk aan [verzoeker] laten weten dat hij niet meer welkom was op het werk. Van [verzoeker] kon niet worden verwacht dat hij zijn bereidwilligheid tot het verrichten van arbeid aan [B.V.] kenbaar zou maken enkel om zijn recht op loon te behouden. De gevolgen van het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet behoren in redelijkheid voor risico van [B.V.] te komen. Dat brengt met zich dat [verzoeker] recht heeft op doorbetaling van zijn loon tot en met 31 oktober 2025.
3.11.
De vraag die vervolgens aan de orde komt is welk loon aan [verzoeker] moet worden doorbetaald. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft doorbetaling van het bruto maandsalaris van USD 2.500 dat genoemd staat in de niet ondertekende arbeidsovereenkomst. Volgens [B.V.] moet overeenkomstig artikel 7A:1613cb BW BES worden uitgegaan van het loon dat gebaseerd is op het feitelijk door [verzoeker] gewerkte aantal arbeidsuren over de laatste drie gewerkte maanden.
3.12.
Om antwoord te geven op de vraag van welk loon moet worden uitgegaan bij de vordering van [verzoeker] tot doorbetaling van zijn loon, moet eerst worden beoordeeld of partijen het bruto maandsalaris van USD 2.500 uit de niet getekende arbeidsovereenkomst overeengekomen zijn.
3.13.
Een overeenkomst komt op grond van artikel 6:217 BW BES tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan. Het is niet in geschil dat [B.V.] een arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] heeft aangeboden voor 40 uur per week en een vast bruto maandsalaris van USD 2.500 per maand. [directeur van B.V.] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst meermaals, ook na aanvang van de werkzaamheden van [verzoeker], heeft aangeboden en telkens aan [verzoeker] heeft gevraagd de overeenkomst te ondertekenen. [verzoeker] verklaarde daarover op de mondelinge behandeling dat hij de arbeidsovereenkomst niet wilde tekenen, omdat hij met [directeur van B.V.] eerst in gesprek wilde over zijn arbeidsuren. Hij maakte zich zorgen over het aantal uren dat hij moest werken tijdens het laagseizoen en dat hij op rustige dagen misschien eerder naar huis gestuurd zou worden. Tot een overleg tussen [verzoeker] en [directeur van B.V.] is het kennelijk niet gekomen en de aangeboden arbeidsovereenkomst is niet getekend. [verzoeker] heeft zijn werkzaamheden bij [B.V.] voortgezet op basis van uren waarvoor hij door [B.V.] werd ingeroosterd. [B.V.] heeft urenstaten als productie overgelegd waaruit blijkt dat de tijdstippen geregistreerd werden waarop [verzoeker] begon en stopte met werken. Die tijdsregistraties werden door [verzoeker] getekend en op basis van die uren kreeg [verzoeker] zijn salaris uitbetaald. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat partijen het vaste bruto maandsalaris van USD 2.500 uit de niet getekende arbeidsovereenkomst overeengekomen zijn. [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan [B.V.] heeft moeten begrijpen dat [verzoeker] de aangeboden arbeidsovereenkomst met het vaste bruto maandsalaris van USD 2.500 onvoorwaardelijk had aanvaard.
3.14.
Dit betekent dat de omvang van de bedongen arbeid op grond van artikel 7A:1613cb BW BES moet worden bepaald op basis van de gemiddelde omvang van de arbeid over de laatste drie maanden voorafgaand aan het ontslag. Omdat [verzoeker] halverwege de maand juli ontslagen is, zal worden uitgegaan van zijn brutoloon over de maanden april (USD 2.076,97), mei (USD 1.683,22) en juni (USD 1.721,73). Bij het bruto maandloon van de hiervoor genoemde maanden is uitgegaan van het “Gross salary” minus de aftrek voor “Hours not worked” zoals dat uit de overgelegde salarisstroken van die maanden blijkt. Het gemiddelde van deze bedragen is een USD 1.827,31. [B.V.] zal worden veroordeeld om het bruto maandloon van USD 1.827,31 aan [verzoeker] te betalen vanaf 17 juli 2025 tot en met 31 oktober 2025. Omdat het loon niet op tijd is betaald, zal de gevorderde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES worden toegewezen. Die wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van opeisbaarheid van de loonvorderingen.
3.15.
Het oordeel dat partijen geen vast bruto maandsalaris van USD 2.500,00 overeengekomen zijn, brengt met zich dat het gevorderde achterstallig loon over de periode tot aan het ontslag op staande voet zal worden afgewezen. Het is niet in geschil dat [verzoeker] zijn loon betaald heeft gekregen over het aantal uren dat hij feitelijk heeft gewerkt. Van achterstallig loon is daarom in zoverre geen sprake.
[B.V.] moet loonstroken verstrekken
3.16. [
verzoeker] stelt dat hij nooit loonstroken van [B.V.] ontvangen heeft. Hij vordert dat [B.V.] de loonstroken alsnog aan hem zal verstrekken.
3.17.
Bij conclusie van antwoord zijn de loonstroken over de maanden mei, juni en juli 2025 overgelegd. Op de mondelinge behandeling heeft [directeur van B.V.] verklaard dat zijn personeel de salarisstroken per e-mail ontvangt, maar het e-mailadres van [verzoeker] niet bij hem bekend was. Dat betekent dat [verzoeker] zijn loonstroken niet ontvangen heeft. Op grond van artikel 7A:1614pa BW BES heeft [verzoeker] daar recht op. Omdat de loonstroken over mei, juni en juli 2025 al in deze procedure zijn overgelegd, zal [B.V.] veroordeeld worden om de loonstroken van het moment van indiensttreding van [verzoeker] tot en met april 2025 te verstrekken.
[B.V.] moet de proceskosten betalen
3.18. [
B.V.] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op USD 28,00 aan in debet gesteld griffierecht. Dat moet [B.V.] betalen aan de griffier van dit Gerecht. Daarnaast worden de proceskosten van [verzoeker] begroot op USD 1.118,00 aan salaris gemachtigde en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). Dat moet worden betaald aan [verzoeker].
De beslissingen in deze beschikking worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.19.
De beslissingen in deze beschikking worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daartegen heeft [B.V.] geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van [B.V.] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [B.V.] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing mocht worden genomen.
[verzoeker] wordt toegestaan kosteloos te procederen
3.20. [
verzoeker] zal gelet op het door hem overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtsbijstand’ worden toegestaan kosteloos te procederen.
4De beslissing
Het Gerecht:
4.1.
staat [verzoeker] toe kosteloos te procederen;
4.2.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van het bruto maandsalaris van [verzoeker] van USD 1.827,31 over de periode 17 juli 2025 tot en met 31 oktober 2025 te vermeerderen met (1) de gematigde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES van telkens 10% en (2) met de wettelijke rente, vanaf de dag van verschuldigdheid van de loontermijnen tot de dag van volledige betaling daarvan;
4.3.
veroordeelt [B.V.] tot het verstrekken van de loonstroken van [verzoeker] vanaf het moment van zijn indiensttreding tot en met april 2025;
4.4.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van het in debet gestelde griffierecht van USD 28,00, te betalen aan de griffier van dit Gerecht;
4.5.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de proceskosten aan [verzoeker], begroot op USD 1.258,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet de beschikking daarna wordt betekend;
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|