|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2024:295 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-02-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 05-06-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202300315 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Opnieuw gelegenheid gedaagde op juiste wijze op te roepen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202300315
Vonnis van 5 februari 2024
in de zaak van
1[eiser 1], 2. [eiser 2], 3. [eiser 3], 4. [eiser 4], 5. [eiser 5], allen wonend in [woonplaats], eisers, gemachtigde: mr. L.L.A. Davelaar-Franklin,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats], gedaagde, niet in rechte verschenen.
Partijen zullen hierna eisers, (eiser sub 5:) [eiser 5] en gedaagde worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het vonnis van 21 augustus 2023,
- het herstelvonnis van 14 september 2023 (hierna tezamen met het vonnis van
21 augustus 2023: het tussenvonnis),
- het exploot van oproeping van 28 september 2023,
- de akte na vonnis 21 augustus 2023 en herstelvonnis 14 september 2023.
1.2.
Vonnis is bepaald op 19 februari 2024, maar wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.
2De verdere beoordeling
2.1.
Het gerecht volhardt bij het tussenvonnis.
2.2.
Bij het tussenvonnis heeft het gerecht de zaak naar de rol verwezen voor oproeping van gedaagde als overwogen in r.o. 4.8 van het tussenvonnis.
R.o. 4.8 van het tussenvonnis luidt als volgt:
“Het gerecht stelt eisers in de gelegenheid gedaagde alsnog op te roepen op de wijze als bepaald in artikel 5, aanhef en ten zevende Rv. Hierbij wordt bepaald dat het daarin bedoelde “hier te lande verschijnend […] dagblad”, waarin het exploot wordt gepubliceerd, het Antilliaans Dagblad zal zijn.”
2.3.
Door het exploot van 28 september 2023 hebben eisers gedaagde doen oproepen op de wijze als is bepaald in artikel 5, aanhef en ten zevende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten aanzien van personen die geen bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Curaçao hebben. Het exploot is gepubliceerd in het Antilliaans Dagblad.
2.4.
Volgens eisers is daarna duidelijk geworden dat gedaagde opnieuw moest worden opgeroepen omdat zij volgens een uittreksel uit de basisadministratie van Aruba op [plaats] woont. Eisers stellen dat gedaagde opnieuw is opgeroepen en dat dit blijkt uit een door hen in het geding gebrachte e-mail van 17 november 2023 van een griffiemedewerkster met de tekst:
“In opgemelde zaak (het gerecht leest:) is gedaagde weder opgeroepen voor 8 januari a.s.”
2.5.
Daaromtrent wordt allereerst overwogen dat een exploot waaruit blijkt dat eisers gedaagde hebben doen oproepen aan haar woonplaats in [plaats], zich niet in het gerechtsdossier bevindt. Eisers hebben dit althans een kopie ervan, ook niet in het geding gebracht.
Voorts blijkt uit de aan het slot van r.o. 2.3 geciteerde mededeling van de griffiemedewerkster niet op welke (weder)oproeping zij doelt: ook bij het genoemde exploot van 28 september 2023 is gedaagde opgeroepen tegen de zitting van 8 januari 2024 en ook bij dat exploot is gedaagde “weder” opgeroepen - namelijk na de aanvankelijke oproep bij het exploot van 18 februari 2023 -, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij doelde op dat exploot van 28 september 2023. Daarbij komt dat eisers hun desbetreffende mailwisseling met de desbetreffende griffiemedewerkster niet volledig in het geding hebben gebracht, waardoor het gerecht niet kan nagaan op welke vraag de griffiemedewerkster heeft gereageerd.
2.6.
Op grond van het bovenstaande staat nog altijd niet vast dat gedaagde (alsnog) op juiste wijze is opgeroepen.
2.7.
Eisers zullen in de gelegenheid worden gesteld het exploot van oproeping van gedaagde aan haar woonplaats in [plaats] tegen de zitting van 8 januari 2024 in het geding te brengen althans, als gedaagde niet zou zijn opgeroepen aan haar woonplaats in [plaats], gedaagde alsnog (weder) op te roepen.
2.8.
Bij haar genoemde akte hebben eisers een vonnis d.d. 16 augustus 2022 van het Hof in het geding gebracht. Zij wijzen op r.o. 2.9 van dat vonnis, waarin wordt overwogen “zal worden aangenomen dat voldoende is gebleken dat alle deelgenoten in het geding zijn verschenen.” Eisers stellen niets over de relevantie daarvan voor de onderhavige procedure en deze relevantie ontgaat het gerecht ook: in onderhavige procedure is gedaagde, ook volgens eisers een deelgenote, nu juist niet verschenen, zodat, anders dan kennelijk in die procedure bij het Hof het geval was, niet alle deelgenoten zijn verschenen.
2.9.
Voor zover eisers bedoelde overweging in het vonnis van het Hof zouden betrekken op [eiser 5], gaat dat op grond van het navolgende niet op. Omtrent diens hoedanigheid stellen eisers in hun inleidend verzoekschrift onder het kopje “Vererving:” dat eisers en gedaagde zijn gerechtigd tot de nalatenschap van erflater. Dit is wat betreft [eiser 5] onjuist: gedaagde en hij zijn deelgenoten in hun ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgoederengemeenschap. Daarin valt het erfdeel van gedaagde uit de nalatenschap van erflater, maar dit maakt [eiser 5] niet gerechtigd tot die nalatenschap. Hij is dus geen deelgenoot in de zin van de wet, gezien artikel 3:166 e.v. Burgerlijk Wetboek. Dat wordt uiteraard niet anders als eisers of een door eisers niet bij name genoemd notariskantoor [eiser 5] als “deelgenoot” aanduiden.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3De beslissing
Het gerecht:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 19 februari 2024 voor akte overlegging exploot van oproeping tegen de zitting van 8 januari 2024 van gedaagde aan haar woonplaats in [plaats], althans (alsnog/weder) oproeping van gedaagde;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|