|
|
|
| ECLI:NL:OGEAM:2024:120 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-06-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 18-05-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten | | Zaaknummers | : | SXM202400536 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Tussenbeschikking; onverdeelde boedel; 3:200a BW | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | testament | | | | Uitspraak | HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400536
Datum uitspraak: 21 juni 2024
Beschikking op het verzoek op grond van artikel 3:200a Burgerlijk Wetboek (BW) met betrekking tot het perceel gelegen te
RAVINE ROUGE ESTATE (16.188 m2) te Sint Maarten
omschreven in meetbrief 161 van 2010, met als omschrijving:
This parcel of land is situated on the Island of Sint Maarten, in the district of Upper Prince’s Quarter in the area locally known as “Ravine Rouge Estate” and forms a part of the parcel of land described in Certificate of Admeasurement no. 32 of 2006.
It is bounded on the south-west, north-west, north-east and south-east side by the remaining of the parcel of land described in Cert. of Adm. no. 32 of 2006, where on the south-east side is an proposed projected access road (…).
Nature of the land and cultivation: High sloping land for building site.
van:
1[verzoeker 1],
wonende te Curaçao,
2. [verzoeker 2],
wonende te Curaçao,
gevolmachtigde: verzoeker sub 1,
verzoekers,
met als in het geding verschenen belanghebbenden:
3[belanghebbende 3],
wonende te Sint Maarten,
4. [belanghebbende 4],
wonende te Nederland,
5. [belanghebbende 5],
wonende te Nederland,
6. [belanghebbende 6],
wonende te Nederland,
7. [belanghebbende 7],
wonende te Nederland,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson Jr. en mr. I.Z. Guardiola.
Verder worden als belanghebbenden aangemerkt:
8HET LAND SINT MAARTEN,zetelend te Sint Maarten
hierna: het Land,9. DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR,
zetelend te Sint Maarten,
hierna: De Minister van VROMI.
1Het procesverloop
1.1.
Verzoeker sub 1 heeft op 14 december 2022 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.
1.2.
De zaak is aanvankelijk geregistreerd als een zogenaamde AR-zaak met nummer SXM202201395. In dat kader heeft een aantal rolzittingen plaatsgevonden, waarvoor de deurwaarder bij verschillende exploten belanghebbenden heeft opgeroepen. Belanghebbenden sub 3 tot en met 7 zijn toen, al dan niet bij gemachtigde, verschenen. Vervolgens bleek dat de zaak onterecht is geregistreerd als AR-zaak en is de zaak omgezet naar een EJ-procedure en geregistreerd onder nummer SXM202400536. Omdat er sprake was van een fout van het Gerecht heeft het Gerecht de kosten van de deurwaarder voor zijn rekening genomen.
1.3.
Vervolgens heeft er een openbare oproeping van belanghebbenden door toedoen van de griffier, als bedoeld in artikel 3:200f lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW), plaatsgevonden door publicaties in de National Gazette en The Daily Herald, en door berichten op de website en de LinkedIn-pagina van het Hof en op de facebookpagina’s van het Courthouse Sint Maarten. Naar aanleiding daarvan heeft zich niemand gemeld die nog niet was verschenen.
1.4.
Op 20 mei 2024 heeft verzoeker sub 1 een akte aanvullende informatie tevens eiswijziging (gedateerd 24 mei 2024) ingediend en nog een aantal stukken. Op 21 mei 2024 heeft mr. Guardiola een aantal producties overgelegd.
1.5.
De zaak is behandeld ter zitting van 24 mei 2024 in het Courthouse Sint Maarten. Bij die gelegenheid is verzoeker sub 1 verschenen en is belanghebbende sub 3, bijgestaan door mr. Gibson Jr. voornoemd, verschenen. Als informanten waren namens het Kadaster Sint Maarten de heer [naam] en de heer [naam] aanwezig.
Bij deze gelegenheid heeft mr. Gibson Jr. voornoemd een verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken ingediend en heeft verzoeker sub 1 een stuk uit het nationaal archief overgelegd over zijn afstamming. Door het Kadaster is een kopie van meetbrief 32 van 2006 en van akte 12-59 verstrekt. Het Land is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.6.
Op 14 juni 2024 is, zoals tijdens de mondelinge behandeling toegezegd, een volmacht van verzoeker sub 2 aan verzoeker sub 1 om voor hem te mogen procederen, ingediend.
1.7.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De beoordeling
Het verzoek
2.1.
Het verzoek is gebaseerd op de wettelijke regeling voor langdurig onverdeeld gebleven nalatenschappen (artikel 3:200a e.v. BW). Deze regeling is bedoeld om een oplossing te bieden voor terreinen met een onduidelijke eigendomssituatie en geeft de rechter de mogelijkheid grond aan ‘gebruikers’ toe te wijzen. Ook afstammelingen van de oorspronkelijk eigenaar kunnen als ‘gebruiker’ worden aangemerkt. De rechter kan ook grond toewijzen aan de overheid, die het vervolgens aan ‘gebruikers’ moet uitgeven in koop, erfpacht of huur, alles voor zover dat redelijk is.
2.2.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt wil verzoeker sub 1 de helft van het perceel in eigendom toegekend krijgen. Zijn broer, verzoeker sub 2, is het daarmee eens. Daaraan heeft verzoeker sub 1 ten grondslag gelegd dat zijn grootvader, [Z], geboren op [dag] [maand] 1932 en overleden op [dag] [maand] 2020, in zijn testament bij legaat een gedeelte van het perceel ter grootte van 539 m2 aan hem en aan verzoeker sub 2 heeft nagelaten, zoals omschreven in meetbrief 122 van 2011. Aangezien verzoeker sub 1 al veel geld heeft uitgegeven aan documenten van het Kadaster, zoals meetbrieven, wil hij dat aan hem een groter gedeelte dan hen is nagelaten wordt toegekend, namelijk de helft van het perceel, 8.094 m2. Verzoeker sub 1 heeft dit met ‘de familie’ proberen te regelen, maar hij krijgt van hen geen medewerking. Ook heeft verzoeker sub 1 verzocht om de kosten van deze procedure (griffierecht, kosten oproeping en publicatie) en de kosten voor documenten ten behoeve van deze procedure (NAf 19.315,- voor meetbrieven en NAf 6.367,35 voor andere documenten van het Kadaster) in gelijke mate of naar rato van hun aandeel ten laste van alle gerechtigden op het perceel te laten komen. Verzoeker zou graag een huis bouwen op (de helft van) het perceel.
2.3.
Belanghebbenden sub 3 tot en met 7 hebben in hun verweerschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers, althans tot afwijzing van hun verzoek. Zij willen dat aan ieder van hen een vierde deel van het perceel wordt toegekend (dus ieder een stuk van ongeveer 3.237 m2), waarna zij die stukken eventueel willen verkopen. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat uit de overgelegde gezinssamenstellingen blijkt dat zij achterkleinkinderen zijn van [X] (geboren [dag] [maand] 1966 te Sint Maarten en naar mag worden aangenomen, overleden), de geregistreerde eigenaar van het perceel, en dus deelgenoten zijn in zijn nalatenschap. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt niet dat dit voor verzoekers ook geldt. Voor wat betreft de kosten hebben belanghebbenden 3 tot en met 7 opgemerkt dat griffiekosten en kosten voor oproeping en publicatie op grond van artikel 3:200f BW door de verzoeker dienen te worden gedragen. Voor wat betreft de kosten voor meetbrieven en andere stukken van het Kadaster geldt dat uit de stukken blijkt dat verzoeker in 2010 en 2011 en bedrag van NAf 19.315,00 heeft betaald voor meetbrieven. Die kosten kunnen echter niet ten laste van belanghebbenden 3 tot en met 7 worden gebracht. Indien verzoekers al enige vordering zouden hebben, is deze verjaard. Uit de andere overgelegde stukken blijkt niet dat deze betrekking hebben op het perceel. Dit wordt dan ook betwist.
2.4.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Het perceel
2.5.
Het verzoek ziet op het perceel omschreven in de kop van deze beschikking. Volgens meetbrief 161 van 2010 maakt het perceel onderdeel uit van een groter perceel omschreven in meetbrief 32 van 2006. In meetbrief 161 van 2010 is vermeld dat [X] de ‘owner(s) or other legal title holder(s)’ is van het in die meetbrief omschreven perceel met een verwijzing naar akte C 12-59. Deze vermelding is echter niet voldoende om te concluderen dat [X] eigenaar is geworden van het perceel.
In een door verzoeker sub 1 overgelegde brief van het Kadaster Sint Maarten van juli 2005 over de landerijen genoemd ‘Ravine Rouge’ is verder het volgende opgenomen over de verkrijging door [X]:
‘C 12-59
[X] koopt 4 acres van [naam]. Van dit stuk land is geen meetbrief opgemaakt. Er is wel een meting uitgevoerd waaruit blijkt dat het vermoedelijk de bedoeling was dit stuk land toe te wijzen in het gebied dat door verjaring is verkregen door [naam].’ In voornoemde brief staat ook vermeld dat [naam] twee percelen namelijk: ‘the lands known as the Estates “Hyders” and “Ravine Rouge’ en ‘a piece of land known as the “Barracks” heeft verkregen door verjaring met een verwijzing naar akte C 23-70.
De akte C 12-59 is door het Kadaster tijdens de mondelinge behandeling in het geding gebracht.
2.6.
Het Gerecht concludeert dat [X] vermoedelijk eigenaar is geworden van het in de kop van de beschikking vermelde perceel. Om hier een definitief oordeel over te kunnen geven, dienen verzoekers een volledige inzage van het Kadaster (cadastral extract) met betrekking tot het perceel te overleggen. Ook dienen verzoekers een kopie van akte C 23-70 te overleggen. Vervolgens zal gelegenheid worden geboden aan de belanghebbenden om hierop te reageren.
Kan de regeling inzake langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen worden toegepast?
2.7.
Indien vast komt te staan dat het perceel in de nalatenschap van [X] valt, geldt het volgende.
2.8.
In artikel 3:200a BW is onder meer het volgende opgenomen. Indien een onroerende zaak deel uitmaakt van een gemeenschap en deze gemeenschap zolang onverdeeld is gebleven dat aannemelijk is geworden dat de deelgenoten niet meer kunnen worden opgespoord of dat de waarde van de aandelen van de deelgenoten zeer gering is, kan de rechter in eerste aanleg de zaak, of gedeelten van de zaak als zelfstandige zaken, in eigendom toekennen aan de gebruikers.
2.9.
Er zijn drie verklaringen van Burgerzaken van Sint Maarten van verschillende data overgelegd, die niet met elkaar overeenkomen. Uit de verklaringen blijkt dat [X] is geboren op [dag] [maand] 1866 op Sint Maarten en dat hij op [dag] [maand] 1901 in het huwelijk trad met [naam]. Zij kregen tussen 1894 en 1902 vijf kinderen. Vervolgens is vermeld dat één van die kinderen, [Y], in de periode van 1922 tot en met 1934, zes kinderen kreeg. Van de andere kinderen is kennelijk niet bekend of zij nageslacht hebben voortgebracht. Voor wat betreft de afstammelingen van de kinderen van [Y] komen de verschillende verklaringen van Burgerzaken niet overeen en lijken deze bovendien onvolledig. In de verklaringen is bijvoorbeeld niet opgenomen dat [Z] (een van de kinderen van [Y]) kinderen heeft gekregen, terwijl dat gelet op de door verzoekers tijdens de mondelinge behandeling overgelegde stukken wel het geval is geweest. Verzoekers tonen daarmee namelijk aan dat zij kleinzonen zijn van [Z].
2.10.
Gelet op het bovenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat er tientallen, zo niet honderden, afstammelingen van [X] in leven zijn, die verspreid zijn over in ieder geval Sint Maarten, Curaçao, Aruba en Nederland en die niet meer te traceren zijn. Voor een deel van hen zal bovendien gelden dat hun aandeel in een (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap valt. Het Gerecht acht het uitgesloten dat alle deelgenoten kunnen worden opgespoord. Aldus is (indien [X] eigenaar is) sprake van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap als bedoeld in de regeling van artikel 3:200a e.v.
Gebruikers
2.11.
Ingevolge artikel 3:200b BW worden onder gebruikers verstaan personen die rechtmatig in Sint Maarten verblijven en de zaak ten minste tien jaren in gebruik hebben. Ook personen die de zaak niet gebruiken, maar ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoten zijn, kunnen als gebruiker worden aangemerkt. De rechter houdt rekening met de band die zij hebben met de zaak en de mate van vermoedelijke verwantschap met de oorspronkelijke eigenaar.
2.12.
Het perceel is onbebouwd en er woont niemand. Feitelijk zijn er geen gebruikers. Zowel verzoekers als de belanghebbenden die zich hebben gemeld, lijken echter gelet op de overgelegde stukken afstammelingen te zijn van [X]. Voor wat betreft verzoekers geldt daarbij de bijzonderheid dat aan hen middels legaat door hun grootvader [Z] een deel van het perceel is nagelaten, omschreven in meetbrief 122 van 2011. Daarmee zijn zij strikt genomen geen deelgenoot geworden in de nalatenschap, maar hebben zij een vordering op de nalatenschap van [Z]. Omdat de ouders van verzoekers nog in leven zijn, zijn zij evenmin door erfopvolging (reeds) deelgenoot in de nalatenschap. Datzelfde lijkt te gelden voor belanghebbende sub 7, omdat haar ouder(s) ook nog in leven zijn.
2.13.
Gelet op de nog bestaande onduidelijkheid over de eigendom van [X] van het perceel, zal de beslissing over wie als gebruiker kan worden aangemerkt, vooralsnog worden aangehouden tot de nader te bepalen behandeling.
Ontwikkeling nodig?
2.14.
In artikel 1:200c lid 1 BW staat onder andere dat een voorwaarde voor toekenning aan de gebruikers is dat deze gezamenlijk of afzonderlijk aanvaardbare voorstellen hebben gedaan tot ontwikkeling van de zaak als dat nodig is. Omtrent de voorstellen tot ontwikkeling van de zaak wint het gerecht het gevoelen in van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ontwikkeling, Milieu en Infrastructuur. Voor zover verzoekers en de belanghebbenden als gebruikers kunnen worden aangemerkt geldt het volgende. Volgens hen is ontwikkeling niet nodig. Ontwikkeling lijkt het Gerecht gelet op de omschrijving van het perceel (hoog hellend land) voorshands inderdaad niet aan de orde. Verzoeker sub 1 zou graag een huis willen bouwen op het perceel. De belanghebbenden sub 3-7 zouden het perceel mogelijk willen verkopen. Het Land en de (nog niet in deze procedure opgeroepen) Minister van VROMI zullen in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.
Tegenverzoeken
2.15.
Belanghebbenden sub 3 tot en met 7 hebben bij hun verweerschrift tegenverzoeken gedaan, ook gebaseerd op de wettelijke regeling voor langdurig onverdeeld gebleven nalatenschappen (artikel 3:200a e.v. BW). Hoewel die verzoeken zien op percelen waarvan belanghebbenden 3 tot en met 7 stellen dat [X] ook daarvan eigenaar was, zullen die verzoeken niet in deze procedure worden behandeld. Het gaat om andere percelen, waar wel sprake lijkt van feitelijk gebruik. Er zullen dus ook andere belanghebbenden moeten worden opgeroepen. Belanghebbenden sub 3 tot en met 7 zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun tegenverzoeken. Zij kunnen een nieuw separaat verzoek indienen met betrekking tot deze percelen.
Hoe verder?
2.16.
Verzoekers zullen in de gelegenheid worden gesteld om de in r.o. 2.6. bedoelde akte te nemen en het Land en de Minister van VROMI zullen in de gelegenheid worden gesteld om de in r.o. 2.14 bedoelde akte te nemen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rolzitting van maandag 26 augustus 2024 om 09.00. Na die rolzitting zal vervolgens het verdere verloop van de procedure worden bepaald.
2.17.
Iedere verdere beslissing, ook die over kosten, wordt aangehouden.
3De beslissing
Het gerecht:
verwijst de zaak naar de rolzitting van maandag 26 augustus 2024 om 09.00 uur in het Courthouse Sint Maarten,
bepaalt dat verzoekers op of voorafgaand aan bedoelde rolzitting schriftelijk (desgewenst per e-mail via griffiesintmaarten@caribjustitia.org) kunnen reageren als bedoeld in r.o. 2.6.,
bepaalt dat het Land en de Minister van VROMI op of voorafgaand aan bedoelde rolzitting schriftelijk (desgewenst per e-mail via griffiesintmaarten@caribjustitia.org) kunnen reageren als bedoeld in r.o. 2.14.,
bepaalt dat deze beschikking tevens geldt als oproep voor de Minister van VROMI (die nog niet eerder was opgeroepen) om in deze procedure te verschijnen,
verklaart belanghebbenden sub 3 tot en met 7 niet-ontvankelijk in hun zelfstandige verzoeken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is op 21 juni 2024 gegeven door mr. G. Drenth, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|