|
|
|
| ECLI:NL:OGHACMB:2026:109 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-05-2026 | | Instantie | : | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | BON2025H00022 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Loonvordering na ontslag op staande voet. Het apart leggen van kasgeld door werknemer heeft er alle schijn van dat de werknemer de intentie had het geld weg te nemen. Ontslag op staande voet naar het voorlopige oordeel van het Hof rechtsgeldig gegeven. Vorderingen afgewezen, met uitzondering van de vordering tot betaling van een toeslag voor de door de werknemer gewerkte feestdagen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | dagloon | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: BON202400580 – BON2025H00022
Uitspraak: 28 april 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
[appellant],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
gemachtigden: mrs. K.D. Keizer en M. van den Brink,
tegen
de naamloze vennootschap
JIBE CITY N.V.,
gevestigd in Bonaire,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mrs. L.F.F.M. Drissen en L. Sluiter.
Partijen worden hierna de werknemer en de werkgever genoemd.
1Samenvatting
Een surfshop in Bonaire heeft haar werknemer op staande voet ontslagen in verband met een onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan met het verwerken van een contante betaling in de surfshop. De werknemer heeft de betaling van een klant niet in het kasboek genoteerd en het geld niet in het geldkistje gedaan. Hij heeft het geld onder het geldkistje gelegd. Het Gerecht acht het ontslag rechtsgeldig en heeft de vorderingen van de werknemer afgewezen. Het Hof beoordeelt de zaak opnieuw.
2Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.1
Bij op 5 maart 2025 ingekomen akte van appel is de werknemer in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 14 februari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 25 maart 2025 ingekomen memorie van grieven heeft de werknemer zijn bezwaren tegen het vonnis toegelicht en daarnaast zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord heeft de werkgever op de bezwaren van de werknemer gereageerd.
2.3
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities ingediend.
2.4
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
3De feiten
3.1
De werkgever exploiteert een surfshop en surfschool in Bonaire. De werknemer is vanaf 2007 werkzaam voor de werkgever tegen een salaris van laatstelijk USD 3.000 per maand.
3.2
In 2021 is de werkgever verkocht aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). De relatie tussen [betrokkene 1] en de werknemer verliep aanvankelijk goed, maar dat veranderde vanaf december 2023. Vanaf toen voelde de werknemer zich genegeerd en voelde hij zich door de communicatie vanuit de werkgever of het gebrek daaraan, niet meer welkom. Op 16 mei 2024 hebben partijen daarover met elkaar gesproken. Partijen hebben toen ook gesproken over de wens van de werknemer om minder te gaan werken. In de e-mail van 29 mei 2024 heeft de werknemer een uitwerking van het gesprek aan [betrokkene 1] gemaild.
3.3
Op 29 mei 2024 heeft zich een gebeurtenis voorgedaan die voor de werkgever aanleiding was om de werknemer op staande voet te ontslaan. In de procedure zijn camerabeelden overgelegd van die gebeurtenis. Op die camerabeelden is onder meer te zien dat een klant aan de balie staat om T-shirts af te rekenen. De werknemer vouwt de T-shirts op en stopt ze in een tas. Hij pakt een pen, legt wat kledinghangers aan de kant, gebruikt de rekenmachine die op de balie ligt en buigt zich met de pen in de hand over het kasboek. De klant pakt vervolgens contant geld. De werknemer legt de pen weer neer en wacht terwijl de klant het geld telt. Ondertussen werpt de werknemer een blik in het geldkistje. Vervolgens neemt de werknemer het geld aan, hij tilt het geldkistje iets op en hij legt het geld daaronder. De werknemer schrijft niets op in het kasboek. Vervolgens helpt hij de volgende klant. Tussen partijen staat vast dat [betrokkene 1] later die dag USD 195 onder het geldkistje vindt.
3.4
Op 30 mei 2024 is de werknemer op staande voet ontslagen. Het ontslag, en de precieze aanleiding daarvoor, is op 30 mei 2024 door de werkgever aan de werknemer schriftelijk meegedeeld (hierna: de ontslagbrief).
3.5
In een e-mail van 12 juni 2024 heeft de werknemer verklaard de nietigheid van het ontslag op staande voet in te roepen.
4De procedure bij het Gerecht
4.1
Bij het Gerecht heeft de werknemer, na wijziging van zijn eis, gevorderd de werkgever te veroordelen (verkort weergegeven):
I. om vanaf 30 mei 2024 het loon met emolumenten aan de werknemer door te betalen zolang de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is geëindigd;
II. om aan de werknemer een bedrag van USD 18.045,57 aan niet genoten en onbetaalde vakantiedagen en onbetaald overwerk te voldoen;
III. om een bedrag gelijk aan het aan de werknemer verschuldigde vakantiegeld van een maandsalaris per gewerkt jaar vanaf 2021 tot het rechtsgeldig eindigen van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer te voldoen over de jaren 2021 - 2024;
deze bovenstaande vorderingen verhoogd met wettelijke vertragingsrente van 50% conform artikel 7A:1614q BW en wettelijke rente;
IV. om de aan de werknemer toebehorende gear (surfmateriaal) terug te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. om iedere afbeelding van de werknemer, inclusief maar niet beperkt tot de op het reclamebord en de Instagram pagina van de werkgever getoonde afbeelding, volledig te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VI. in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht alle vorderingen afgewezen en de werknemer veroordeeld in de kosten van de procedure. Volgens het Gerecht is het handelen van de werknemer dermate zwaarwegend dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst langer voort te zetten en is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarnaast is voor vaststelling van het aantal vakantiedagen, het vakantiegeld en het surfmateriaal waarop de werknemer mogelijk nog recht zou hebben nadere toelichting en/of bewijslevering nodig. Daarvoor is in een kort geding in beginsel geen plaats. Omdat de afbeelding van het gezicht van de werknemer op het reclamebord van de werkgever is afgeplakt heeft de werknemer geen belang meer bij zijn vordering onder V, zo oordeelt het Gerecht.
5De beoordeling door het Hof
5.1
Het Hof zal het vonnis van het Gerecht grotendeels bevestigen. Anders dan het Gerecht zal het Hof een toeslag in verband met gewerkte feestdagen toewijzen. Dat wordt hierna toegelicht.
Doorbetaling van loon (I)
5.2
Voor de vordering van de werknemer tot doorbetaling van het loon in kort geding geldt dat deze alleen voor toewijzing in aanmerking komt, als, mede gelet op de belangen over en weer, voldoende aannemelijk wordt dat het hem gegeven ontslag op staande voet nietig is. In dat geval wordt voorshands aangenomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven voortbestaan. Voor de beoordeling van de geldigheid van het ontslag gaat het om de vraag of de reden die de werkgever heeft aangevoerd in de ontslagbrief van 30 mei 2024 als een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BW moet worden geduid. In de ontslagbrief is onder meer opgenomen:
“Gisteren was ik even aanwezig bij de shop van Jibe City. Per toeval ontdekte ik toen dat er meerdere briefjes aan contanten (dollars $ 195) niet in het geldkistje zaten maar daaronder verborgen lagen. Dit bevreemdde mij. (…)
Ik heb vervolgens de camerabeelden van die dag bekeken. (…)
Naar aanleiding hiervan heb ik jou vanmiddag meteen geconfronteerd met mijn bevindingen en je om een uitleg gevraagd.
Nu jij niet met een deugdelijke verklaring bent gekomen, is komen vast te staan dat jij een contant in ontvangst genomen betaling niet in de geldkist heb opgeborgen en deze betaling ook buiten het kasboek wilde houden.
De hiervoor beschreven handelingen leveren, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Daarbij zijn uitdrukkelijk ook jouw persoonlijke omstandigheden meegewogen. (…)”
5.3
De werknemer ontkent niet dat hij het geld onder het geldkistje heeft gelegd, maar wel dat hij daarbij de intentie had het geld weg te nemen. Hij heeft aangevoerd dat hij het geld om verschillende andere redenen niet in het geldkistje heeft gelegd. De werknemer was ondertussen druk met andere dingen bezig (contact met de moeder van zijn dochter, vastlegging van het gesprek van 16 mei 2024 met [betrokkene 1] en wachtende klanten) en daarnaast stelt hij dat hij het geld (grote biljetten) later wilde omwisselen bij de bar van de werkgever, omdat er geen wisselgeld was in de kassa. Het Gerecht heeft de werknemer niet gevolgd in zijn verklaring en betrekt daarbij dat de werknemer zijn laatstgenoemde reden (het willen wisselen van het geld) pas heeft aangevoerd nadat hij de camerabeelden van de werkgever had ontvangen. Volgens de werknemer heeft het Gerecht ten onrechte aangenomen dat hij zijn verklaring zou hebben aangepast en/of aangevuld naar aanleiding van de camerabeelden en dat die verklaring daardoor ongeloofwaardig zou zijn. De werknemer heeft de camerabeelden pas voor het eerst op 26 november 2024 gezien, terwijl hij daarvoor al, op 2 juni 2024, aan zijn collega [collega], heeft aangegeven geen intenties te hebben om het geld te stelen, dat hij de intentie had het geld te wisselen bij de naastgelegen bar en dat het geld duidelijk zichtbaar was.
5.4
Uit de overgelegde correspondentie volgt dat de werknemer enkele dagen na 29 mei 2024 aan een collega heeft bericht dat hij het geld onder het geldkistje heeft gelegd om het later te kunnen wisselen. De dag na het incident, op 30 mei 2024, heeft de werknemer in het gesprek met [betrokkene 1] echter niet aangegeven dat hij de intentie had het geld te wisselen. Als het wisselen van het geld daadwerkelijk de intentie van de werknemer was, vindt het Hof het, met het Gerecht, opmerkelijk dat de werknemer dat niet direct heeft gemeld op het moment dat [betrokkene 1] hem daar op 30 mei 2024 naar vroeg. Volgens de werknemer kwam dat doordat hij niet gewend is zijn werkgever tegen te spreken of met hem in discussie te gaan. In het gesprek met [betrokkene 1] klapte hij dicht en het was voor hem daardoor niet mogelijk helder te zijn over zijn intentie, zo betoogt de werknemer. Echter, ook in de brieven daarna waarin namens de werknemer wordt opgekomen tegen het ontslag, is niet aangegeven dat hij de intentie had het geld te wisselen. In de brief van 26 juni 2024 schrijft (de toenmalige gemachtigde namens) de werknemer dat de werknemer in het gesprek op 30 mei 2024 heeft aangegeven dat het geld zichtbaar aan de zijkant van het geldkistje is gelegd, omdat het druk was. Hij zou het dan later opschrijven in het kasboek en het geld in het geldkistje doen. Ook in de brief van 23 oktober 2024 wordt namens de werknemer de drukte als reden voor zijn handelen op 29 mei 2024 genoemd. Hoewel de werknemer dus kort na het incident aan zijn collega heeft laten weten de bedoeling te hebben gehad het geld te wisselen, heeft hij (voor zover het Hof in dit kort geding kan nagaan) niet eerder dan in zijn verzoekschrift [betrokkene 1] daarover geïnformeerd. Niet valt in te zien waarom de intentie om het geld te wisselen niet eerder richting de werkgever is gecommuniceerd, als dat daadwerkelijk zijn bedoeling was. De andere redenen die in het verzoekschrift door de werknemer worden genoemd als verklaring voor zijn handelen worden bovendien niet ondersteund door het filmpje waarop het incident is te zien. Niet is te zien dat de werknemer aan het appen is of bezig is met het vastleggen van het gesprek met [betrokkene 1].
5.5
De werkgever voert aan dat voor alle werknemers als vaste werkwijze gold dat betalingen in de surfshop direct in het kasboek genoteerd moesten worden en dat het geld of de pinbon altijd direct in het geldkistje werd gedaan. Volgens de werknemer was er geen sprake van strakke procedures, werkte men op goed vertrouwen en is de werknemer in de 17 jaar dat hij werkzaamheden voor de werkgever verrichtte nooit op zijn handelen aangesproken. Dat er mogelijk klanten op hem aan het wachten waren en dat de werknemer zijn aandacht moest verdelen over verschillende werkzaamheden, maakt niet dat de werknemer zich daardoor nerveus of opgejaagd zou voelen, zo stelt hijzelf. Het maakte volgens hem wel dat hij niet op dat moment in de naastgelegen bar het geld kon wisselen. Hij wilde dat doen op het moment dat hij zou worden afgelost in de shop.
5.6
De werkwijze zoals die door de werkgever is beschreven strookt met de verklaring zoals die is afgegeven door [collega]. Volgens hem gebeurt het nooit dat geld op andere plekken dan in het geldkistje wordt weggelegd. Daartegenover staat dat de werknemer ook verschillende verklaringen heeft overgelegd van oud-collega’s die variërend tussen 2006 en 2013 bij de werkgever werkzaam waren. In alle verklaringen wordt bevestigd dat vanwege drukte regelmatig geld onder het geldkistje werd bewaard, zodat het later correct genoteerd zou kunnen worden in het kasboek. Hoewel de verklaringen enige steun geven aan hetgeen de werknemer in deze procedure heeft gesteld, komt in alle verklaringen naar voren dat het bewaren van het geld onder het geldkistje gebeurde vanwege drukte in de winkel en er geen tijd zou zijn de transactie te noteren in het kasboek. In dit geval was er echter, zo blijkt uit het filmpje, meer dan voldoende tijd voor het noteren van de transactie in het kasboek. Gedurende de periode dat de klant het geld aan het tellen was en de werknemer daarop wachtte, maakte hij niet van die gelegenheid gebruik om de betaling te noteren in het kasboek. Hij stond zelfs aanvankelijk op het punt om dat te doen, maar besloot zijn pen neer te leggen en te wachten totdat de klant het geld geteld had, om vervolgens niets te noteren in het kasboek. De verklaringen van de oud-collega’s geven daarom te weinig steun aan het standpunt van de werknemer. Bovendien zien de verklaringen allemaal op de situatie van ruim 10 jaar geleden. Dat de werkwijze inmiddels is veranderd is heel goed mogelijk.
5.7
Als de werknemer de intentie had het geld te wisselen, valt daarnaast niet in te zien waarom hij de notitie in het kasboek achterwege liet, nu die twee handelingen los van elkaar staan. Dat is volgens de werknemer niet het geval; volgens hem is het logisch dat die twee handelingen gezamenlijk moesten gebeuren, omdat men de betaling anders zou kunnen vergeten. Dat ziet het Hof anders. De betaling kan juist vergeten worden op het moment dat die niet in het kasboek opgenomen wordt. Het is niet logisch om geld dat wel is ontvangen niet te administreren, ook niet als de bedoeling is dat geld later te wisselen. Het wisselen van het geld maakt immers niets uit voor de ontvangen betaling en de notitie daarvan in het kasboek. De verklaring van de voormalige manager van de werkgever, [manager van de werkgever], legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen. In de verklaring wordt beschreven dat het opschrijven van de transactie en het in de kas leggen van het geld of de pinbon altijd tegelijkertijd gebeurde. Daarnaast staat in de verklaring dat het naast de kas leggen van het geld gebeurde om niet te vergeten dat de transactie nog in het kasboek moest worden opgeschreven en om het geld later te kunnen wisselen. De beschrijving ziet echter op de werkwijze in de periode van ruim drie jaar voorafgaand aan het ontslag. Dat die werkwijze ook na het vertrek van [manager van de werkgver] nog werd gevolgd, vind geen steun in de stukken.
5.8
De werknemer voert nog aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belang heeft bij de door hem verzochte camerabeelden van het moment dat [betrokkene 1] hem afloste in de winkel en van de dag daarop, waarop te zien is dat hij aan een collega heeft gevraagd om de transactie alsnog in het kasboek te noteren. Die beelden zouden verklaren waarom de werknemer de winkel plots uitliep en geen kans zag het geld toen mee te nemen om het te wisselen of [betrokkene 1] daarover te informeren. Daarnaast zouden de beelden laten zien hoe snel en eenvoudig [betrokkene 1] het geld heeft gezien en in zijn zak heeft gestopt, hetgeen zou bevestigen dat het geld zichtbaar onder de kas lag. In reactie hierop heeft de werkgever bij memorie van antwoord de camerabeelden van vlak na het incident overgelegd. Op de beelden is te zien dat ongeveer drie minuten nadat de klant van wie het geld onder het geldkistje is gelegd is vertrokken, [betrokkene 1] en de werknemer samen achter de balie staan om klanten te helpen. Daarna verdwijnt [betrokkene 1] uit beeld en blijft de werknemer achter de balie staan. Vervolgens stopt de opname. De opname laat niet zien dat de werknemer (met haast) de winkel verlaat nadat [betrokkene 1] hem aflost of dat [betrokkene 1] direct het geld onder het geldkistje opmerkt. Op de beelden is te zien dat de werknemer en [betrokkene 1] gedurende een periode van ongeveer twee minuten samenwerken (gedurende welke periode overigens gelegenheid bestond om [betrokkene 1] te informeren over het geld onder het geldkistje). De beelden ondersteunen de verklaring van de werknemer niet.
5.9
Volgens de werknemer was de relatie met [betrokkene 1] verslechterd en was hij om die reden alert op het kunnen verliezen van zijn baan zodat het vooral in die periode niet logisch zou zijn als de werknemer geld zou stelen. Het Hof ziet in die omstandigheid onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de werknemer geen verkeerde bedoelingen had op het moment dat hij het geld onder het geldkistje legde in plaats van erin. Als het geld niet was achtergebleven onder het geldkistje, was de kans immers heel klein dat de videobeelden zouden zijn bekeken en dat het incident ontdekt zou zijn. Dat de werknemer zo’n risico op dat moment niet zou nemen, valt niet zonder meer aan te nemen. Een verslechterde relatie tussen werkgever en werknemer kan onder omstandigheden zelfs aanleiding geven tot minder integer gedrag.
5.10
Het Hof komt tot de conclusie dat de handelwijze van de werknemer in combinatie met een gebrek aan een bevredigende verklaring daarvoor, er alle schijn van heeft dat hij de intentie had het geld weg te nemen. Dat dit de reden voor het ontslag was volgt, anders dan de werkgever betoogt, ook voldoende duidelijk uit de ontslagbrief. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats, zodat het Hof in dit kort geding aanneemt dat de werknemer met die intentie het geld onder het geldkistje heeft gelegd.
5.11
Mede gelet hierop, is het Hof met het Gerecht van oordeel dat het aan de werknemer verweten gedrag tot gevolg heeft dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten. Het ontslag op staande voet is naar het voorlopige oordeel van het Hof dan ook rechtsgeldig gegeven. De vordering tot doorbetaling van loon wordt afgewezen.
Niet genoten en onbetaalde vakantiedagen en onbetaald overwerk (II)
5.12
Net als het Gerecht is het Hof van oordeel dat met hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht niet kan worden vastgesteld of de werknemer nog recht heeft op betaling in verband met niet-genoten en onbetaalde vakantiedagen en/of onbetaald overwerk. De overzichten die de werknemer heeft overgelegd en de toelichting daarop maken, mede gelet op de betwisting daarvan door de werkgever, onvoldoende inzichtelijk of en de werknemer nog recht heeft op betaling voor niet-genoten vakantiedagen en onbetaald overwerk, en zo ja, voor welk bedrag. Zo is in geschil hoeveel vakantiedagen de werknemer jaarlijks opbouwde (18 of 15 dagen), op welke dagen hij al dan niet heeft (over)gewerkt en of de werknemer privé of zakelijk deelnam aan bepaalde (surf)evenementen. Omdat voor nadere toelichting en bewijslevering in dit kort geding geen ruimte is, zal de vaststelling daarvan zo nodig in een bodemprocedure moeten gebeuren. Omdat de werknemer tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van vakantiegeld (III) geen bezwaren heeft gericht, zal het Hof die afwijzing in stand laten.
5.13
Ten aanzien van de gewerkte feestdagen oordeelt het Hof anders. Volgens de werknemer heeft hij in de jaren 2021 tot en met 2024 op 22 officiële feestdagen voor de werkgever gewerkt en komt hem op die dagen een loon toe van 250%. De werkgever heeft de door de werknemer gestelde gewerkte feestdagen niet gemotiveerd betwist. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de werknemer voor de door hem gewerkte feestdagen een toeslag heeft ontvangen. Het Hof zal de werkgever daarom veroordelen om aan de werknemer de toeslag te betalen voor de verrichte arbeid op feestdagen. Op grond van artikel 22 lid 2 van de Arbeidswet 2000 BES komt hem op een feestdag ten minste tweemaal zijn loon toe. Niet is gesteld of gebleken dat partijen in afwijking daarvan een hogere toeslag zijn overeengekomen. Uit het overzicht zoals dat door de werknemer is opgesteld (productie 19 bij het verzoekschrift) volgen de door hem als feestdag aangemerkte werkdagen. Daarop heeft hij ook 15 december (Koninkrijksdag) als feestdag aangemerkt, waarvan hij er tussen 2021 en 2024 drie heeft gewerkt. Op grond van artikel 23 lid 1 Arbeidswet 2000 BES wordt die dag niet als feestdag aangemerkt, zodat die drie dagen in mindering worden gebracht op het totaal van 22. In totaal komen daarom 19 dagen voor een toeslag van 100% van het loon in aanmerking.
5.14
Het Hof stelt het dagloon van de werknemer vast op USD 138,46 (USD 3.000 x 3 : 65). Daarin is eventueel vakantiegeld niet meegenomen, omdat tussen partijen niet vaststaat of daarop aanspraak wordt gemaakt. Het Hof gaat ervan uit dat de werknemer voor de door hem gewerkte feestdagen zijn gebruikelijke loon heeft ontvangen. De toeslag die hij nog moet ontvangen komt neer op USD 2.630,74 (USD 138,46 x 19 feestdagen). De vordering zal in zoverre worden toegewezen. De wettelijke vertragingsrente zal ook worden toegewezen (artikel 7A:1614q BW), zij het met een matiging tot 10%. Het Hof ziet daarvoor aanleiding omdat niet is gebleken dat de werknemer eerder (voorafgaand aan deze procedure) aanspraak heeft gemaakt op de toeslag. De wettelijke rente zal ook worden toegewezen vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift. Het Hof vertrouwt erop dat de advocaten deze berekening(en) zelf maken met inachtneming van de imputatieregels in de artikelen 6:43 en 6:44 BW.
Verwijdering afbeelding van reclamebord (V)
5.15
Volgens de werknemer heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat hij geen belang heeft bij zijn vordering om zijn afbeelding op het reclamebord van de werkgever volledig te verwijderen en verwijderd te houden. Het deels zichtbaar blijven van zijn gezicht maakt dat hij door anderen nog steeds geassocieerd wordt met de werkgever, zo meent hij. De werkgever heeft een foto overgelegd waarop is te zien dat het gezicht van de werknemer op het reclamebord volledig is afgeplakt. De werkgever heeft daarnaast een foto van de werknemer overgelegd, waarbij op de achtergrond het reclamebord is te zien. Op de foto staat de tekst: ‘Finaly they stopped using my face to promote the spot.. (…)’. Uit die foto’s maakt het Hof op dat het gezicht van de werknemer inmiddels niet langer op het reclamebord is te zien, zodat de werknemer in ieder geval op dit moment geen belang meer heeft bij toewijzing van zijn vordering tot verwijdering daarvan.
Eiswijziging in hoger beroep (IV)
5.16
In hoger beroep heeft de werknemer zijn vordering om het surfmateriaal aan hem terug te geven ingetrokken (IV), zodat die vordering niet aan het Hof voorligt.
Conclusie
5.17
Het vonnis waarvan beroep moet gedeeltelijk worden vernietigd. De vordering zal alsnog gedeeltelijk worden toegewezen. De werknemer zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5.18
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het Hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de vordering tot betaling van de toeslag voor gewerkte feestdagen is afgewezen, met bevestiging voor het overige;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de werkgever aan de werknemer te betalen een bedrag van USD 2.630,74 te vermeerderen met de vertragingsrente van 10% en wettelijke rente over dit bedrag, met ingang van 3 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de werknemer in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de werkgever tot op heden begroot op USD 2.792,50 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|