|
|
|
| ECLI:NL:OGHACMB:2026:206 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-08-2026 | | Instantie | : | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | SXM2025H00019 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Sint Maarten. Verkrijgende verjaring grond. Verkrijging door akte. Interversie houderschap/bezit. Inbezitneming. Machtsuitoefening. Bezit te goeder trouw. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | erfgenamen | | | erfrecht | | | vee | | | | Uitspraak | Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM201501314 – SXM2025H00019
Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. [APPELLANTE 1],
wonende in Sint Maarten,
2. de erfgename van
[APPELLANT 2],
te weten:
[ERFGENAME],
vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordigster
[WETTELIJK VERTEGENWOORDIGSTER],
zonder vermelde woonplaats,
3. [APPELLANT 3] (II),
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
4. [APPELLANT 4],
wonende in Sint Maarten,
5. [APPELLANTE 5],
wonende in Sint Maarten,
6. [APPELLANTE 6],
wonende in Sint Maarten,
7. [APPELLANT 7],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg eisers, thans appellanten,
gemachtigde: E.I. Maduro,
en
8. de gezamenlijke erfgenamen van
[APPELLANT 8] (I),
in leven wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiser tot voeging, thans appellant,
gemachtigde: E.I. Maduro,
tegen
1. de gezamenlijke erfgenamen van
[GEÏNTIMEERDE 1],
2. de gezamenlijke erfgenamen van
[GEÏNTIMEERDE 2],
3. de gezamenlijke erfgenamen van
[GEÏNTIMEERDE 3],
met volgens eisers gekozen domicilie in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. B.B. Brooks en A.P. Richardson.
1De zaak in het kort
In dit geding vorderen eisers dat de rechter voor recht verklaart dat eisers een groot stuk grond in Sint Maarten in eigendom hebben. Zij beroepen zich op verkrijgende verjaring.
Het Gerecht heeft hen ruim negen jaar na het inleidend verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard op processuele gronden.
In dit hoger beroep komt het Hof tot het oordeel dat de vordering op materieelrechtelijke gronden niet toewijsbaar is.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 17 maart 2025 ingekomen akte van appel zijn appellanten (zie 3.1 hierna) in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 5 februari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 22 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben appellanten vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 21 juli 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, hebben geïntimeerden de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van appellanten in de proceskosten.
2.4
Op 21 januari 2026 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3De beoordeling
Partijen
3.1
Uit grief 3, bezien in samenhang met de kop van de memorie van grieven en productie 1 bij memorie van grieven, leidt het Hof het volgende af. De gemachtigde Maduro vertegenwoordigt (onder meer) (de erven van) twee personen met dezelfde naam, namelijk:
[appellant 8] (I), geboren op (...), eiser bij incidentele conclusie tot voeging van 23 augustus 2016, overleden op (...), en
[appellant 3] (II), geboren op (...), een van de eisers bij inleidend verzoekschrift van 6 november 2015.
Verder leidt het Hof uit grief 3 af dat de gemachtigde mede namens de erfgenamen van [appellant 8] (I) in hoger beroep is gekomen, ook al staat dat niet vermeld in de kop van de akte van appel of in de kop van de memorie van grieven. Dit heeft als doel dat het Hof toestaat dat deze erfgenamen zich voegen aan de zijde van eisers/appellanten.
Feiten
3.2
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.1
Een stuk grond ter grootte van ongeveer 1.000 vierkante meter ligt (...) in Sint Maarten (hierna: het stuk grond).
3.2.2
In een handgeschreven akte van 25 augustus 1865 (hierna: de akte van 1865) staat op p. 3 bovenaan de naam [moeder occupante] (in een ander handschrift staat die naam bijgeschreven op p. 1 bovenaan).
3.2.3
Volgens schriftelijke verklaringen van 16 mei 2014 en 17 februari 2025 van medewerkers van de afdeling Burgerlijke Zaken van Sint Maarten is [occupante] (hierna: [occupante]) op (...) 1912 geboren (...) en op (...) 1980 overleden op Sint Maarten (volgens de eerdere verklaring) of op Curaçao (volgens de latere verklaring).
Vorderingen
3.3
In dit geding vorderen eisers, verkort weergegeven en naar het Hof begrijpt:
a. verklaring voor recht dat eisers, althans de erfgenamen van [occupante], uit hoofde van de akte van 1865 de rechtmatige eigenaren zijn van het stuk grond;
b. verklaring voor recht dat [occupante] in 1965 het stuk grond door verjaring heeft verkregen en dat eisers, althans de erfgenamen van [occupante], op 1 januari 2001 de eigenaren zijn geworden van het stuk grond;
c. bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van een akte waarbij in de openbare registers wordt ingeschreven dat eisers het stuk grond in eigendom hebben.
3.4
Hiertoe hebben eisers het volgende gesteld, verkort weergegeven. Blijkens de akte van 1865 staat het stuk grond op naam van [moeder occupante]. Zij is de moeder van [occupante]. [occupante] heeft het stuk grond in bezit gehad vanaf 3-jarige leeftijd in 1915 (aanvankelijk met haar moeder) tot aan haar overlijden in 1980.
Beslissingen van het Gerecht (met een toevoeging van het Hof)
3.5
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Hiertoe heeft het Gerecht overwogen dat eisers geen verklaring van erfrecht in het geding hebben gebracht en dat de gezamenlijke erfgenamen van [naam] niet in de procedure zijn betrokken, zodat het beroep op de exceptio plurium litis consortium slaagt.
3.6
Het Hof voegt hier aan toe: de gezamenlijke erfgenamen van [naam] zijn partij bij de zaak die geleid heeft tot HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1438. Bij het Hof heeft die zaak zaaknummer SXM2011H00002. In die zaak heeft het Hof na terugwijzing een mondelinge behandeling gehouden op 17 maart 2026. Blijkens het proces-verbaal daarvan is het Hof in die zaak voornemens een deskundige te benoemen. Vervolgens hebben partijen in die zaak akten ingediend om zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de te stellen vragen. Die zaak staat op de rol van 26 augustus 2026 voor vonnis.
3.7
Verder heeft het Gerecht de eiser in het incident tot voeging niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de uitkomst van de hoofdzaak meebrengt dat geen belang meer bestaat bij de gevorderde voeging.
Beoordeling door het Hof
Eigendomverkrijging door de moeder van [occupante]
3.8
Naar het Hof begrijpt, hebben eisers gesteld dat de moeder van [occupante] bij de akte van 1865 het stuk grond in eigendom heeft verkregen. Zij hebben deze stelling onderbouwd met een afschrift van de akte.
3.9
Het Hof kan deze stelling niet zonder nader onderzoek voor juist aannemen. De handgeschreven akte van 1865 is onvoldoende leesbaar voor het Hof en geïntimeerden. Van eisers mocht worden verwacht dat zij niet alleen een afschrift van de handgeschreven akte in het geding zouden brengen, maar ook een getypte weergave van de tekst ervan. Dat hebben zij niet gedaan. Het is niet zinvol om hen alsnog in de gelegenheid daartoe te stellen, gelet op het volgende.
Bezit van [occupante]
3.10
Eisers hebben niet gesteld dat [occupante] het stuk grond van haar moeder heeft geërfd en evenmin dat [occupante] de enige erfgename van haar moeder was. Het Hof gaat daar dus niet van uit. Het kan daarom niet worden aangenomen dat [occupante] het stuk grond in eigendom of in bezit heeft gekregen door opvolging onder algemene titel.
3.11
Indien de moeder van [occupante] het stuk grond in eigendom had en erop woonde met [occupante] als haar minderjarige dochter, dan had de moeder het stuk grond in bezit en had [occupante] het niet in bezit. Indien de moeder van [occupante] het stuk grond niet in eigendom had, is mogelijk dat zij het wel in bezit had, maar ook dan had [occupante] het niet in bezit, in elk geval aanvankelijk niet. Niets is gesteld of gebleken
op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat [occupante] het stuk grond tijdens het leven van haar moeder door interversie als bedoeld in art. 3:111 BW in bezit heeft gekregen.
3.12
Indien [occupante] na het overlijden van haar moeder op het stuk grond is blijven wonen, is dat geen daad van inbezitneming. Het duidt dan op houderschap voor de gezamenlijke erfgenamen van de moeder. Ook voor dit houderschap geldt dat niets is gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat [occupante] het stuk grond na het overlijden van haar moeder door interversie als bedoeld in art. 3:111 BW in bezit heeft gekregen.
3.13
Op het voorgaande stuiten de vorderingen af.
3.14
Bovendien zijn de door eisers gestelde machtsuitoefeningen van [occupante] over het stuk grond onvoldoende om inbezitneming te kunnen aannemen. Het is op zichzelf al niet goed voorstelbaar dat iemand een stuk grond van maar liefst 1.000 vierkante meter in Sint Maarten in bezit neemt. Eisers hebben gesteld dat er aan twee zijden muren staan uit de tijd van de slavernij. Hieruit volgt dat [occupante] de muren niet heeft gebouwd of laten bouwen. Niet is gesteld dat [occupante] iets anders met de muren heeft gedaan wat duidt op inbezitneming. Over het bouwen van enige opstal in aanvulling op het huis van de moeder zijn geen duidelijke stellingen ingenomen. Het gebruik van grond voor het houden van vee kan heel goed samengaan met houderschap of zelfs met gebruik zonder houderschap. Ook indien [occupante] de grond heeft gebruikt voor de teelt van groente en fruit en zij die voor eigen gewin heeft verkocht, is dat onvoldoende voor gehele of gedeeltelijke inbezitneming van het stuk grond. Indien diverse omwonenden en kennissen ervan uitgingen dat [occupante] het stuk grond in eigendom had, is ook dat onvoldoende voor bezit, nu niet is gesteld dat zij dat deden op grond van meer machtsuitoefeningen dan hiervoor besproken en onvoldoende bevonden.
3.15
Ook hierop stuiten de vorderingen af.
3.16
Dan is er nog het volgende beletsel. Eisers hebben niets gesteld over goede trouw. Zij hebben niet gesteld dat [occupante] meende het stuk grond in eigendom te hebben. Zij hebben evenmin gesteld dat [occupante] dat redelijkerwijs mocht menen, laat staan op grond waarvan zij dat mocht menen. Zij gaan kennelijk uit van verkrijging door verjaring op grond van bezit te kwader trouw. In hun tweede petitum noemen zij de datum 1 januari 2001. Hiermee doelen zij kennelijk op de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen. Voordien kon een bezitter te kwader trouw geen eigendom door verjaring verkrijgen. Naar het sindsdien geldende Burgerlijk Wetboek (eerst van de Nederlandse Antillen en daarna van Sint Maarten) kan dat wel (met uitgestelde werking in het jaar 2001). Indien een bezitter te kwader trouw eigendom verkrijgt door verjaring, kan hij blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad. Die vordering kan ook verjaren (zie: HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden) en HR 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:62).
3.17 [
[occupante] kan het stuk grond niet door verjaring op grond van bezit te kwader trouw hebben verkregen, want ten tijde van haar overlijden in 1980 was het niet mogelijk om een goed te verkrijgen door verjaring op grond van bezit te kwader trouw. Over wie het stuk grond na het overlijden van [occupante] heeft gebruikt en met welke eigendomspretenties hebben eisers niets gesteld.
3.18
Dit is een derde grond waarop de vorderingen afstuiten.
3.19
Conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat procesrechtelijke gronden in de weg staan aan toewijzing van de vorderingen en daarom het dictum geformuleerd als een niet-ontvankelijkverklaring. Het Hof is van oordeel dat materieelrechtelijke gronden in de weg staan aan toewijzing van de vorderingen, hetgeen tot uiting pleegt te worden gebracht met een dictum als ontzegging of afwijzing. Er bestaat echter geen belang bij wijziging van het dictum van het Gerecht. Dit geldt ook voor de positie van de erven van [appellant 8] (I).
3.20
Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, zij het dat het Hof zijn beslissing op andere gronden baseert dan het Gerecht. Appellanten, inclusief de erven van [appellant 8] (I), zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden gevallen en tot op heden begroot op Cg 249,50 aan verschotten en Cg 5.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|