Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGHACMB:2026:49 
 
Datum uitspraak:18-03-2026
Datum gepubliceerd:19-03-2026
Instantie:Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:AUA2025H00105 en AUA2025H AUA2025H00105 en AUA2025H
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bestuurlijke boete voor overtreding van de Lwtf, te laat melden transacties en achterwege laten verscherpt cliëntenonderzoek. Hanteren van een steekproef door CBA en toepassing Leidraad.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
AUA2025H00105 en AUA2025H00129
Datum uitspraak: 18 maart 2026










gemeenschappelijk hof van jusTitie


van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN


EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA








Uitspraak op de hoger beroepen van:

Crown Trading N.V., d.b.a. Diamonds International, gevestigd in Aruba, (hierna: Crown Trading),

en

de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA),

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 30 april 2025 in zaak nr. AUA202303979, in het geding tussen:

Crown Trading

en

CBA



Procesverloop

Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft CBA aan Crown Trading een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal Afl. 448.875,-.

Bij beschikking van 25 augustus 2023 heeft CBA het door Crown Trading daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft het Gerecht het door Crown Trading daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 25 augustus 2023 vernietigd, de bestuurlijke boete vastgesteld op Afl. 97.500,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.

Tegen deze uitspraak hebben Crown Trading en CBA hoger beroep ingesteld.

CBA en Crown Trading hebben verweerschriften ingediend.

Het Hof heeft de zaken op een zitting behandeld op 9 oktober 2025. Crown Trading werd vertegenwoordigd door mr. J.P. Ruiter en E. Ras. CBA werd vertegenwoordigd door mr. A.A.D.A. Carlo, advocaat. Verder was C. Veermans aanwezig, werkzaam bij CBA.


Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beschikking van 14 maart 2023, in bezwaar gehandhaafd bij de beschikking van 25 augustus 2023, heeft CBA een bestuurlijke boete opgelegd aan Crown Trading, een onderneming die handelt in edele metalen, edelstenen en juwelen, voor overtreding van twee bepalingen van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (AB 2011, no. 28) (hierna: Lwtf). CBA heeft de boete opgelegd voor het te laat melden van vier transacties (artikel 26, eerste lid, van de Lwtf) en voor het nalaten om ten aanzien van drie cliënten een verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten (artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf). CBA heeft voor deze twee overtredingen de boetebedragen vastgesteld op onderscheidenlijk Afl. 304.500,- en Afl. 144.375,-.
Feiten
2. Van 25 tot en met 31 mei 2021 heeft CBA een onderzoek op locatie verricht bij Crown Trading. Daarbij heeft CBA een door haar als ‘steekproef’ aangeduide controle uitgevoerd van vier contante transacties van Afl. 25.000,- of meer. Dit zijn alle transacties die, blijkens opgave van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (hierna: MOT), Crown Trading na 28 april 2021 heeft gemeld. Bij het controleren van deze transacties is gebleken dat Crown Trading alle vier de transacties te laat heeft gemeld bij het MOT en dat deze meldingen gemiddeld 830 dagen te laat waren. Verder heeft CBA een steekproef van twaalf cliëntendossiers van Crown Trading onderzocht. Bij drie van deze transacties was de betrokken cliënt geen ingezetene van Aruba, zodat een verscherpt cliëntenonderzoek moest worden verricht. Volgens CBA heeft Crown Trading echter nagelaten informatie te vergaren over de bron van de financiële middelen waarmee deze cliënten betaalden en heeft zij onvoldoende onderzoek op het internet uitgevoerd aangaande de achtergrond en de situatie van de desbetreffende cliënten.

2.1.
Het boetebedrag voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf is als volgt berekend. Het wettelijke basisbedrag is Afl. 500.000,-. Dat bedrag is met 45% verhoogd tot Afl. 725.000,- in verband met de ernst en de duur van de overtreding. Daarbij is voor de ernst een verhoging van 50% toegepast en voor de duur een verhoging van 40%, wat gezamenlijk leidt tot een verhoging met (90% : 2 =) 45%. Gelet op de objectieve draagkracht van Crown Trading als ‘grote dienstverlener’ is dat bedrag met 40% verlaagd tot Afl. 435.000,-. Op dat bedrag is ten slotte na de passendheidstoets een verlaging van 30% toegepast, waarmee deze boete uitkomt op Afl. 304.500,-.


2.2.
Het boetebedrag voor de overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf is als volgt berekend. Het wettelijke basisbedrag is Afl. 500.000,-. Dat bedrag is met 31,25% verlaagd tot Afl. 343.750,- in verband met de ernst van de overtreding. Gelet op de objectieve draagkracht van Crown Trading is dat bedrag met 40% verlaagd tot Afl. 206.250,-. Op dat bedrag is ten slotte na de passenheidstoets een verlaging van 30% toegepast, waarmee deze boete uitkomt op Afl. 144.375,-.

Wettelijke bepalingen en beleid

3. Uit artikel 1, eerste lid, van de Lwtf volgt dat onder een aangewezen niet-financiële dienstverlener onder andere wordt verstaan een rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig handelt in edele metalen, edelstenen en juwelen. Uit artikel 26, eerste lid, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld moet melden aan het MOT nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie hem bekend is geworden. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties (AB 2012, no. 47) (hierna: de Regeling) volgt dat een contante transactie ter waarde van Afl. 25.000,- of de tegenwaarde daarvan in vreemde valuta, of meer, wordt gezien als een indicator van een ongebruikelijke transactie. Uit artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een verscherpt cliëntenonderzoek verricht, indien en naargelang een transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of terrorismefinanciering met zich brengt. Het verscherpte cliëntenonderzoek wordt voorafgaand aan de transactie verricht als een cliënt geen ingezetene van Aruba is, respectievelijk niet in Aruba is gevestigd. In artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lwtf staat dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen vervalt, drie jaren na de dag waarop de niet-naleving van het voorschrift is geconstateerd.



3.1
Op grond van artikel 37, eerste lid, van de Lwtf kan CBA ter zake van de overtreding van de bij of krachtens de in die bepaling genoemde artikelen – waaronder artikel 11 en artikel 26, eerste lid – gestelde voorschriften een last onder dwangsom opleggen. Op grond van het tweede lid kan CBA ter zake van de in het eerste lid bedoelde feiten ook een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste Afl. 1.000.000,- per afzonderlijke overtreding. CBA past deze bepalingen zo toe, dat het meermaals overtreden van één bepaald voorschrift gedurende een bepaalde (onderzoeks-)periode, wordt aangemerkt als één overtreding. In artikel 2 van het op grond van artikel 37, vijfde lid, van de Lwtf vastgestelde Landsbesluit grondslagen bestuurlijke handhaving Lwtf (hierna: het Landsbesluit) worden de beboetbare overtredingen verdeeld in twee categorieën. Op grond van artikel 4 geldt voor categorie 1 een basisbedrag van Afl. 50.000,- met een minimum van Afl. 0,- en een maximum van Afl. 100.000,- en voor categorie 2 een basisbedrag van Afl. 500.000,- met een minimum van Afl. 0,- en een maximum van Afl. 1.000.000,-. Op grond van artikel 5 stelt CBA een bestuurlijke boete vast op het basisbedrag, verhoogt of verlaagt zij deze indien dat gerechtvaardigd wordt door de ernst of de duur van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid van de overtreder en houdt zij rekening met de draagkracht van de overtreder. CBA hanteert een op grond van artikel 37, vierde lid, van de Lwtf door haar vastgestelde en bekendgemaakte ‘Leidraad vaststellen van de hoogte van bestuurlijke boetes’ (hierna: de Leidraad), waaruit volgt onder welke omstandigheden het basisbedrag van een boete kan worden verhoogd of verlaagd. De Leidraad bevat zeven stappen: ernst en duur van de overtreding (stap 1), mate van verwijtbaarheid (stap 2), recidive (stap 3), objectieve draagkracht (stap 4), verkregen voordeel (stap 5), passendheidstoets (stap 6) en geïndividualiseerde draagkrachttoets (stap 7). In zijn uitspraak van 19 februari 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:18, heeft het Hof al geoordeeld dat de Leidraad blijft binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders. In een ‘Intern kalibratiemodel’ (hierna: het kalibratiemodel) heeft CBA het in de Leidraad opgenomen beleid (voor de stappen 1, 2, 4, 6 en 7) nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Het kalibratiemodel is door CBA niet bekendgemaakt. In de uitspraak van 19 februari 2026 heeft het Hof al geoordeeld dat dit niet in de weg staat aan toepassing daarvan en daarmee ook niet aan toetsing door de bestuursrechter van het kalibratiemodel zelf en de toepassing door CBA daarvan in een concreet geval en voorts dat het kalibratiemodel blijft binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders en ook niet strijdig is met de Leidraad.

De uitspraak van het Gerecht voor zover in hoger beroep van belang

4. Het Gerecht heeft de meest verstrekkende beroepsgrond van Crown Trading verworpen. Het Gerecht is, anders dan Crown Trading heeft betoogd, van oordeel dat gelet op de tekst van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lwtf de bevoegdheid van CBA om een boete op te leggen niet is vervallen drie jaar na het begaan van de verweten gedragingen.


4.1.
Over de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf heeft het Gerecht ten eerste overwogen dat het onredelijk en willekeurig acht de wijze waarop door CBA gewicht wordt toegekend aan de omvang van de steekproef (het aantal gecontroleerde dossiers) versus het aantal overtredingen. Crown Trading heeft immers geen invloed op de omvang van de steekproef, terwijl het voor de vaststelling van het percentage ten onrechte niet gemelde transacties een relevant verschil maakt of bij de steekproef vier, zestien, 32 of meer dossiers worden betrokken. Ten tweede heeft het Gerecht overwogen dat CBA verhogingen en verlagingen op het basisboetebedrag heeft toegepast die afwijken van de systematiek van het stappenplan uit de Leidraad. Het Gerecht is gelet op het voorgaande van oordeel dat de (feitelijke) onderbouwing en motivering van de boete voor deze overtreding onvoldoende draagkrachtig is. Het Gerecht heeft vervolgens het boetebedrag voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf zelf vastgesteld op Afl. 100.000,-, wat volgens het Gerecht passend en geboden is. Wat de ernst en de duur betreft heeft het Gerecht daarbij betrokken dat Crown Trading de transacties voorafgaand aan het onderzoek van CBA alsnog op eigen initiatief heeft gemeld, dat het verzuim beperkt is gebleven tot slechts enkele transacties, dat niet is gebleken van benadeling van derden, dat de overtreding het vertrouwen in de markt niet heeft verstoord, dat Crown Trading geen financieel voordeel heeft gehad van de overtreding, dat het om een eerste overtreding gaat en dat Crown Trading geen toezichtshistorie heeft. Het door Crown Trading gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft het Gerecht verworpen.


4.2.
Over de overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf heeft het Gerecht ten eerste overwogen dat de term ‘verscherpt cliëntenonderzoek’ een open norm betreft en dat CBA de dienstverleners vooraf onvoldoende duidelijk heeft geïnformeerd over de vereisten die uit die norm voortvloeien. Dat hier (ook) onderzoek moest worden gedaan naar de bron van de financiële middelen van de cliënten en dat een internetonderzoek moest worden verricht, is bovendien pas in het op 1 januari 2020 in werking getreden Handboek 2020 van CBA voor het eerst opgenomen. Het Handboek 2020 gold ten tijde van de drie betrokken transacties nog niet. Ten tweede heeft het Gerecht overwogen dat voldoende is gebleken dat Crown Trading meer dan enkel een generiek onderzoek heeft verricht en zelfs extra maatregelen heeft genomen. Indien Crown Trading al iets te verwijten valt, had CBA daarom kunnen volstaan met een waarschuwing, onder verwijzing naar het toen inmiddels verschenen Handboek 2020. Het voorgaande leidt het Gerecht tot het oordeel dat CBA op dit punt ten onrechte een boete heeft opgelegd.


4.3.
Het Gerecht heeft ten slotte vastgesteld dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, met bijna zes maanden is overschreden. Met verwijzing naar de uitspraak van het Hof als belastingrechter van 4 januari 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:4, heeft het Gerecht overwogen dat daarom de boete met Afl. 2.500,- moet worden gematigd. Het Gerecht heeft aldus zelf in de zaak voorzien door het boetebedrag vast te stellen op Afl. 97.500,-.

Staat artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lwtf aan boeteoplegging in de weg?

5. Crown Trading bestrijdt het oordeel van het Gerecht dat de bevoegdheid om een boete op te leggen niet is vervallen.


5.1.
Het Hof verwijst op dit punt allereerst naar 5.1 van zijn uitspraak van 17 september 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:231. Het Hof heeft daarin overwogen dat uit artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lwtf duidelijk volgt dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen vervalt, drie jaren na de dag waarop de niet-naleving van het voorschrift is geconstateerd. Voor zover Crown Trading tevens heeft willen betogen dat (in de Lwtf) ten onrechte niet is voorzien in het vervallen van de bevoegdheid tot boeteoplegging na het verstrijken van een bepaalde periode na het begaan van een overtreding, overweegt het Hof – met inachtneming van de uit de artikelen VI.4 en I.22 van de Staatsregeling volgende beperking van de mogelijkheid tot toetsing van een landsverordening – dat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel en ook geen algemeen rechtsbeginsel is waaruit een dergelijk vereiste voortvloeit.

Beoordelingskader met betrekking tot het vaststellen van een overtreding en de hoogte van de boete

6. Voor het beoordelingskader met betrekking tot het vaststellen van een overtreding en de hoogte van de boete verwijst het Hof naar 6, 7.1, 8.1, 9.1 en 10.1 van de uitspraak van 19 februari 2026.
7. Crown Trading betoogt in hoger beroep dat in stap 4 en bijlage 2 van de Leidraad (objectieve draagkracht) het begrip ‘kleine onderneming’ veel te beperkt is gedefinieerd, met als gevolg dat Crown Trading daar niet onder valt. Volgens Crown Trading had CBA moeten aansluiten bij de OESO-definitie van dat begrip. In dat geval zou Crown Trading daar wel onder vallen en zou de boete niet met 40% maar met 80% moeten worden verminderd.


7.1.
Dit betoogt Crown Trading voor het eerst in hoger beroep, waardoor het Gerecht hier niet over kon oordelen. Het Hof volgt Crown Trading hierin niet. De OESO-definitie hoeft voor CBA niet richtinggevend te zijn. Dat is al zo, omdat die is ontworpen voor economieën van een heel andere (veel grotere) schaal dan die van Aruba. Het Hof acht het in dat licht aanvaardbaar dat in de Leidraad het begrip ‘kleine dienstverlener’ wordt gedefinieerd als dienstverleners die voldoen aan ten minste twee van de criteria: minder dan tien werknemers; minder dan Afl. 1 miljoen omzet; balanstotaal of eigen vermogen kleiner dan Afl. 3 miljoen, en het begrip ‘grote dienstverlener’ als dienstverleners die voldoen aan ten minste twee van de criteria: meer dan 25 werknemers; meer dan Afl. 5 miljoen omzet; balanstotaal van Afl. 10 miljoen of meer. Het betoog leidt aldus niet tot een aanpassing van het beoordelingskader en slaagt dus niet.

De overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf

8. Volgens CBA heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat de omvang van de steekproef willekeurig is. De controle had betrekking op alle dossiers van transacties die Crown Trading heeft gemeld, in de periode na 28 april 2021.


8.1.
Het Hof stelt voorop dat voor de vaststelling van een overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf (alleen) relevant zijn dossiers van een meldingsplichtige transactie, dus contante transacties van Afl. 25.000,- of meer. Uit die dossiers moet een representatieve steekproef worden getrokken. Dat heeft CBA in dit geval bij uitstek ook gedaan. In het onderzoek zijn immers alle dossiers betrokken waarin een melding was gedaan (en waarvan Crown Trading dus zelf al had gevonden dat dat moest). Dit betoog van CBA slaagt.
9. Verder komt CBA op tegen het oordeel van het Gerecht dat alleen in stappen van 25% kan worden verhoogd of verlaagd. CBA betoogt dat de Leidraad vermeldt dat er ‘in principe’ stappen worden genomen van 25%, met een maximum van 50%, en dat dat niet betekent dat alleen per stap van 25% gerekend kan worden.


9.1.
Het Hof onderschrijft dit betoog van CBA. Het systeem van de Leidraad zoals nader uitgewerkt en geconcretiseerd in het kalibratiemodel, kent een glijdende schaal en CBA heeft aan de hand daarvan deugdelijk gemotiveerd hoe zij voor de duur van de overtreding tot een verlaging van 40% is gekomen.
10. Tot slot betoogt CBA in dit verband dat het Gerecht gelet op het stappenplan uit de Leidraad onjuiste criteria heeft gehanteerd bij het zelf vaststellen van de hoogte van de boete. De factoren benadeling van derden, marktverstoring en verkrijging van financieel voordeel zijn verzwarende factoren die in het systeem van de Leidraad alleen kunnen leiden tot een verhoging van het boetebedrag. Het ontbreken van een of meer van deze factoren leidt daarentegen niet tot een verlaging, aldus CBA. Daarnaast wijst CBA erop dat het feit dat het om een eerste overtreding gaat en dat Crown Trading geen toezichtshistorie heeft, al mede reden zijn geweest om het boetebedrag met 30% te verlagen in het kader van de passendheidstoets. CBA wijst er verder op dat bij de passendheidstoets geen gewicht wordt toegekend aan het voorafgaand aan een onderzoek alsnog op eigen initiatief melden van een transactie.


10.1.
Ook dit betoog van CBA onderschrijft het Hof. Het Hof voegt daaraan ten eerste toe dat in dit geval het ontbreken van de factoren benadeling van derden, marktverstoring en verkrijging van financieel voordeel niet tot een verlaging van de boete hoeft te leiden. Ten tweede voegt het Hof daaraan toe dat Crown Trading niet heeft aangevoerd dat er bij de transacties waarvoor de boete is opgelegd, sprake was van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het te laat melden in meer of mindere mate verontschuldigbaar was.
11. Crown Trading betoogt dat het Gerecht haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte (en ongemotiveerd) heeft verworpen. Crown Trading heeft gewezen op eerdere gevallen waarin het ging om veel meer gedragingen en de boete per verweten gedraging aanzienlijk lager is uitgevallen. Omdat het in haar geval gaat om slechts vier verweten gedragingen, moet dit leiden tot een substantieel lagere boete voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf dan de door het Gerecht daarvoor vastgestelde boete van Afl. 100.000,-.


11.1.
Dit betoog ziet eraan voorbij dat voor de bepaling van de ernst van een overtreding in het beleid een verband wordt gelegd tussen het aantal transacties waarin gemeld had moeten worden en het aantal transacties waarin dat niet of te laat is gedaan. In de uitspraak van 19 februari 2026 ligt besloten dat het Hof dit op zichzelf aanvaardbaar acht. Het Hof heeft in de uitspraak van 19 februari 2026 ook overwogen dat bij minder dan tien te laat gemelde transacties ‘onder de streep’ het bij de bepaling van de ernst en de duur van de overtreding berekende percentage moet worden verlaagd met 12,5%. Daarmee wordt in zoverre ook rekening gehouden met het absolute aantal verweten gedragingen. Voor de door Crown Trading bepleite (veel) verdergaande benadering ziet het Hof echter geen grond. Het betoog slaagt daarom niet.
12. Omdat de beroepsgronden van Crown Trading geen aanleiding geven tot verdere correcties, leidt dit tot een door het Hof voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf passend en geboden geachte boete van Afl. 266.437,50. Deze is als volgt opgebouwd. Het wettelijke basisbedrag is Afl. 500.000,-. CBA heeft dat bedrag op zichzelf terecht wegens de ernst en de duur van de overtreding vermeerderd met 45% tot Afl. 725.000,-. Omdat het absolute aantal verweten gedragingen minder is dan tien, moet dit bedrag echter – overeenkomstig 10.1 van de uitspraak van 19 februari 2026 – met 12,5% worden verminderd tot Afl. 634.375,-. Dat bedrag wordt daarna verminderd met 40% wegens de objectieve draagkracht van Crown Trading tot Afl. 380.625,- en vervolgens verminderd met 30% op grond van de passendheidstoets.

De overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf

13. Verder komt CBA op tegen het oordeel van het Gerecht dat ten onrechte aan Crown Trading een boete is opgelegd wegens overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf. Volgens CBA was het voor Crown Trading voldoende duidelijk dat in de drie gevallen waarvoor de boete is opgelegd een verscherpt cliëntenonderzoek moest worden verricht en ook hoe zo’n onderzoek eruit moest zien.


13.1.
Dit betoog slaagt (slechts) gedeeltelijk. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Handboek 2020 per 1 januari 2020 gold het Handboek 2011. In dat laatste document staat niet dat een verscherpt cliëntenonderzoek (ook) moet inhouden een onderzoek naar de bron van de financiële middelen en een uitgebreid internetonderzoek. Ook anderszins hoefde een dienstverlener vóór 1 januari 2020 niet op de hoogte te zijn van de door CBA aan het wettelijke begrip ‘verscherpt cliëntenonderzoek’ gegeven invulling (die het Hof overigens onderschrijft). De eerste twee van de drie betrokken transacties vonden plaats op 10 december 2018 onderscheidenlijk op 6 augustus 2019. Deze zijn daarom ten onrechte beboet. De derde transactie was op 22 januari 2021 en kon daarom wel worden beboet. Het voorgaande leidt tot een door het Hof voor de overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf passend en geboden geachte boete van Afl. 91.875,-. Deze is als volgt opgebouwd. Het wettelijke basisbedrag is Afl. 500.000,-. Omdat in minder dan 10% van het aantal (onderzochte) meldingsplichtige dossiers te laat is gemeld (namelijk: in één van de twaalf dossiers), wordt dit bedrag op grond van stap 1 van de Leidraad en het kalibratiemodel wegens de ernst van de overtreding met 50% verminderd tot Afl. 250.000,-. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat Crown Trading de representativiteit van de twaalf onderzochte dossiers niet heeft betwist. Gelet op het absolute aantal verwijtbare gedragingen (namelijk: minder dan tien) wordt dit bedrag met 12,5% verminderd tot Afl. 218.750,-. Dat bedrag wordt verminderd met 40% wegens de objectieve draagkracht van Crown Trading tot Afl. 131.250,- en vervolgens verminderd met 30% op grond van de passendheidstoets.

De redelijke termijn

14. Crown Trading betoogt, kort gezegd, dat het Gerecht de vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn op een hoger bedrag dan Afl. 2.500,- had moeten vaststellen.


14.1
Het Hof volgt dit betoog niet. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat op het moment van zijn uitspraak de redelijke termijn met minder dan zes maanden was overschreden. In 4.3 van zijn uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:5, heeft het Hof uiteengezet op welke wijze in geval van overschrijding van de redelijke termijn de boete moet worden verminderd. Het door het Gerecht toegepaste bedrag van Afl. 2.500,- is daarmee in overeenstemming. Het Hof wijst er in dit verband nog op dat de verwijzing door het Gerecht naar de uitspraak van het Hof als belastingrechter van 4 januari 2019 (die teruggaat op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298), niet (meer) in overeenstemming is met de rechtspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad. Voor de goede orde merkt het Hof in dit verband ten slotte nog op dat deze uitspraak in hoger beroep wordt gedaan minder dan een jaar na de uitspraak van het Gerecht, zodat voor een verdere vermindering van de boete geen grond bestaat.

Conclusie

15. Het hoger beroep van Crown Trading slaagt niet. Het hoger beroep van CBA slaagt gedeeltelijk. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het Gerecht het boetebedrag heeft vastgesteld op Afl. 97.500,-. Het Hof zal zelf in de zaak voorzien en het boetebedrag vaststellen op Afl. 355.812,50 (Afl. 266.437,50 voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf en Afl. 91.875,- voor de overtreding van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf, verminderd met Afl. 2.500,- wegens de overschrijding van de redelijke termijn).


15.1.
CBA hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.



Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:



vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 30 april 2025 in zaak nr. AUA202303979 voor zover het Gerecht de bestuurlijke boete aan Crown Trading N.V., d.b.a. Diamonds International heeft vastgesteld op Afl. 97.500,-;



bepaalt dat de bestuurlijke boete aan Crown Trading N.V., d.b.a. Diamonds International wordt vastgesteld op Afl. 355.812,50;



bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beschikking van de Centrale Bank van Aruba van 25 augustus 2023.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.












w.g. Van Ettekoven
voorzitter


w.g. Buntjer
griffier







Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
Link naar deze uitspraak