|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2019:6038 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-09-2019 | | Datum gepubliceerd | : | 21-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/657028 / HA ZA 18-11 C/13/657028 / HA ZA 18-11 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | sprake van een geldleningsovereenkomst of van schenking?/ stelplicht en bewijslast / partijen hebben geen overeenstemming bereikt over alle essentiele onderdelen van een geldleningsovereenkomst / terugbetalingsverplichting / bedoeling van partijen | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | schenking | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/657028 / HA ZA 18-1158
Vonnis van 11 september 2019
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 5 november 2018, met producties,
de conclusie van antwoord,
het tussenvonnis van 24 april 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,
het proces-verbaal van comparitie van 25 juli 2019.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [gedaagde] heeft in de periode van 17 augustus 2009 tot en met 5 mei 2017 een bedrag van in totaal € 55.670,32 van [eiser] ontvangen. Het overgrote deel van dit bedrag heeft [eiser] onder vermelding van “lening conform overeenkomst” giraal overgemaakt aan [gedaagde] . [gedaagde] zat vanwege
huwelijkse schulden in financiële problemen en leefde in die periode van (netto) € 250,00 kinderalimentatie en (bruto) € 1.000,00 partneralimentatie per maand.
2.2.
[gedaagde] heeft op 9 februari 2012 een bedrag van € 80,00 teruggeboekt op de bankrekening van [eiser] met als omschrijving “terugbetaling leening”. Op 4 januari 2016 heeft [gedaagde] een bedrag van € 500,00 overgemaakt aan [eiser] onder vermelding van “rente”.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] [eiser] een bedrag van € 53.860,32 dient te betalen, indien en zodra zij voldoende draagkrachtig is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de opeisbaarheid van de vordering,
II. [gedaagde] veroordeelt aan [eiser] die bescheiden te overhandigen die noodzakelijk zijn om vast te stellen dat zij thans onvoldoende draagkrachtig is, zoals haar aangifte IB over het jaar 2017 en bankafschriften over het afgelopen jaar.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
Geldleningsovereenkomst?
4.1.
De vordering van [eiser] is erop gebaseerd dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] de van [eiser] ontvangen bedragen zou terugbetalen indien en zodra [gedaagde] voldoende draagkrachtig is. [gedaagde] heeft deze door [eiser] gestelde grondslag van de vordering betwist. Waar [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van het bestaan van de door hem gestelde en door [gedaagde] betwiste verbintenis tot terugbetaling uit hoofde van een geldleningsovereenkomst, rust op grond van de hoofregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op [eiser] de stelplicht en bewijslast hiervan. Dat [gedaagde] zich, in het kader van haar betwisting van de gestelde grondslag van de vordering, op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet met zich dat zij daarvan de bewijslast heeft (vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2019, ECLI:GHARL:2019:1602).
4.2.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de omschrijving “lening conform overeenkomst” bij de door hem aan [gedaagde] gedane overboekingen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij na de negende overboeking tegen [gedaagde] heeft gezegd dat zij de van hem ontvangen bedragen aan hem moet terugbetalen indien en zodra zij voldoende draagkrachtig is. Verder heeft [eiser] gewezen op de door [gedaagde] aan hem gedane betalingen met de vermelding “terugbetaling leening” en “rente”. Daarnaast zou [eiser] beschikken over een geluidsopname waarin [gedaagde] zou hebben verklaard dat hij betaald zal worden indien en zodra zij geld van haar vader zal ontvangen. [eiser] heeft te dien aanzien een bewijsaanbod gedaan.
4.3.
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist en aangevoerd dat partijen een affectieve LAT-relatie met elkaar hebben gehad en [eiser] het door hem gevorderde bedrag aan haar heeft geschonken. Zij zijn nooit een geldleningsovereenkomst overeengekomen en hebben nimmer gesproken over een terugbetalingsverplichting. Het bestaan van een overeenkomst van geldlening blijkt volgens [gedaagde] evenmin uit de bankafschriften. [eiser] heeft namelijk verteld dat hij bij de overmaking van de bedragen als omschrijving zou gaan opschrijven dat het een lening zou betreffen, zodat [gedaagde] daarover geen schenkingsbelasting verschuldigd zou zijn. Dat [gedaagde] in acht jaar tijd een keer een bedrag van € 80,00 met als betalingskenmerk “terugbetaling leening” heeft teruggeboekt, betekent niet dat alle andere bedragen ineens ook een lening zijn geworden. Dit betrof namelijk een bedrag dat zij wel had geleend. De andere terugboeking met als omschrijving “rente” bedroeg de terugbetaling van een bedrag waarvan [gedaagde] vond dat zij dat teveel had gekregen. Ook deze betaling kan niet tot de conclusie leiden dat de bedragen die [gedaagde] van [eiser] heeft gekregen ineens zouden zijn geleend, nu [eiser] niet heeft gesteld dat partijen schriftelijk een rentevergoeding zijn overeengekomen terwijl dat wel is vereist, aldus steeds het verweer van [gedaagde] .
4.4.
De rechtbank overweegt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek). Voor het tot stand komen van een geldleningsovereenkomst is in elk geval vereist dat partijen over alle essentiële onderdelen van de overeenkomst door middel van aanbod en aanvaarding overeenstemming hebben bereikt. Of partijen overeenstemming hebben bereikt over alle essentiële onderdelen van de overeenkomst, hang af van de bedoeling van partijen, waarbij het aankomt wat partijen over een weer precies hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs hebben afgeleid en mogen afleiden.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn overeengekomen. Indien al zou komen vast te staan dat [eiser] na de negende overboeking tegen [gedaagde] zou hebben gezegd dat zij de van hem ontvangen bedragen aan hem moet terugbetalen indien en zodra zij voldoende draagkrachtig is, hetgeen [eiser] heeft gesteld en [gedaagde] heeft betwist, volgt daaruit niet dat sprake is van een geldleningsovereenkomst nu nergens uit blijkt dat [gedaagde] ook daarmee heeft ingestemd. De omstandigheid dat [eiser] onder vermelding van “lening conform overeenkomst” bedragen aan [gedaagde] heeft overgemaakt leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een overeenkomst van geldlening. Dit omdat de bedoeling van partijen is geweest om daarmee te voorkomen dat [gedaagde] schenkingsbelasting verschuldigd zou zijn, hetgeen [eiser] op de comparitie van partijen ook heeft erkend. Daar komt nog bij dat [eiser] eveneens onvoldoende feitelijk en concreet heeft gesteld dat partijen overeenstemming hebben bereikt over (de voorwaarden van) de terugbetalingsverplichting, als zijnde een essentialia voor een geldleningsovereenkomst, temeer daar onduidelijk is gebleven wat onder “voldoende draagkrachtig” moet worden begrepen. Partijen hebben daaraan geen invulling gegeven. Aldus is de rechtbank van oordeel dat [eiser] de grondslag van zijn vordering in het licht van al het voorgaande onvoldoende heeft toegelicht. Aan bewijslevering komt de rechtbank derhalve niet toe.
Conclusie
4.6.
De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht – die bovendien onvoldoende bepaalbaar is – zal worden afgewezen. Dit brengt met zich dat de vordering van [eiser] die in het verlengde daarvan ligt (verwezen wordt naar r.o. 3.1. onder II) geen bespreking meer behoeft.
Proceskosten
4.7.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
€ 79,00 aan griffierecht
€ 2.148,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 1.074,00)
€ 2.227,00 totaal
4.8.
De nakosten worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.227,00,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.E. van der Pol, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.
type: HA
coll: | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|