|
|
ECLI:NL:RBAMS:2025:1975 | | | Datum uitspraak | : | 28-01-2025 | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2025 | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | Zaaknummers | : | C/13/762567 / KG ZA 25-22 | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | Indicatie | : | Kort geding. Executiegeschil. Geen misbruik van executiebevoegdheid, omdat niet aannemelijk is dat de aangezegde executoriale verkoop in dit geval primair is gericht op het uitoefenen van druk. | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | wettelijke rente | | Uitspraak | vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/762567 / KG ZA 25-22 MdV/JD
Vonnis in kort geding van 28 januari 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres bij dagvaarding van 16 januari 2025,
advocaat mr. E. Horbeek te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.J. Drijftholt te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
Ter zitting van 24 januari 2025 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties ingediend. [gedaagde] heeft tevens een pleitnotitie ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
[eiseres] met mr. Horbeek;
[naam 1] , technisch beheerder voor [gedaagde] met mr. Drijftholt.
Vonnis is bepaald op heden.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn beide gedeeltelijk eigenaar van het pand aan de [locatie] . [eiseres] is eigenaar van het souterrain ( [adres 1] ) en de beletage ( [adres 2] ). [gedaagde] is eigenaar van de eerste verdieping ( [adres 3] ) en de tweede- en kapverdieping ( [adres 4] ).
2.2.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van deze rechtbank van 5 augustus 2024 is [eiseres] veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 138.141,56 en een bedrag van € 7.836,37 aan proceskosten plus (eventuele) nakosten, dit alles te vermeerderen met wettelijke rente.
2.3.
[gedaagde] heeft uit krachte van het vonnis van 5 augustus 2024 executoriaal beslag gelegd op de het souterrain en de beletage, ten laste van [eiseres] . Het proces-verbaal van dit beslag heeft [gedaagde] op 19 augustus 2024 aan [eiseres] laten betekenen.
2.4.
Bij e-mail van 20 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde] – voor zover hier van belang – aan de toenmalige advocaat van [eiseres] geschreven:
“(…) Ik liet u al weten dat bij voortvarend handelen van de zijde van uw cliënte zij de mogelijkheid krijgt zonder dat kosten worden gemaakt voorafgaand aan/met een veiling. (…)Ik liet u al weten dat betaling uiterlijk tegen 1 december 2024 (via de notaris bij levering) akkoord is, mits op korte termijn een koopovereenkomst wordt overgelegd waar dat uit blijkt.(…)Ik zie graag een afschrift van de koopovereenkomst tegemoet, uiterlijk veertien dagen na de bezichtiging van 26 augustus 2024.(…)”
2.5.
Op [adres 1] en [adres 2] rust een hypotheekrecht. Na het beslag op het souterrain en de beletage heeft hypotheekhouder Domivest B.V. de executie daarvan overgenomen.
2.6.
Bij brief van 21 augustus 2024 heeft de toenmalige advocaat van [eiseres] – voor zover hier van belang – het volgende geschreven aan Domivest.
“ [eiseres] [is] veroordeeld tot het betalen van een geldsom van ruim € 140.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Ik heb direct na ontvangst daarvan aan de advocaat de wederpartij ( [gedaagde] (…)) laten weten dat cliënte in het vonnis berust en ter voldoening het souterrain (nummer [adres 1] ) zal gaan verkopen.
Desondanks meende de (advocaat van) wederpartij dat executoriaal beslag zinvol was om, zoals hij mij mededeelde “uw cliënte onder maximale druk te zetten”. (…) Verder liet hij weten de verkoop af te wachten en in ieder geval voor 1 december 2024 geen verdere stappen te zetten. (…)”
2.7.
Bij e-mail van 12 september 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] het volgende geschreven aan de toenmalige advocaat van [eiseres] .
“Ik had eigenlijk wel al verwacht van u bericht te hebben ontvangen nu de ruime termijn van veertien dagen na 26 augustus is versterken, inhoudende dat de woning is verkocht en voor of uiterlijk op 1 december 2024 zou worden geleverd. (…)_ Dat is dus niet het geval. Dus ligt de vraag voor de hand wat nu de status is. Ik verneem graag want het geduld van cliënte wordt meer dan danig op de proef gesteld. (…)”
2.8.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft de makelaar van [eiseres] – voor zover hier van belang – het volgende aan haar geschreven.
“Vanwege de tijdsdruk hebben we de woning vrij snel na de eerste aanmelding in prijs verlaagd van € 575.000,- naar € 525.000,-, we hebben na deze laatste aanmelding in totaal 6 bezichtigingen gehad.
Uiteindelijk hebben we hier 3 biedingen uit gekregen, een partij bood € 525.000,- en twee partijen boden € 530.000,-.
Wat ons in het proces in de weg heeft gezeten is dat de woning ten tijde van de bezichtiging nog verhuurd was waardoor de styling niet optimaal was ten tijde van de bezichtigingen. (…)”
2.9.
Op 20 februari 2025 staat de executieveiling van [adres 1] en [adres 2] gepland.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I De executieveiling van de panden [adres 1] en [adres 2] te schorsen, totdat in de bodemprocedure een definitieve beslissing is genomen over de rechtmatigheid van de executie;
subsidiair:
II De executieveiling van de panden [adres 1] en [adres 2] op te schorten tot 1 juli 2025;
meer subsidiair:
III Een andere passende voorziening te treffen;
Primair en subsidiair
IV [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd (samengevat) dat voortzetting van de voorgenomen executieveiling [eiseres] onevenredige schade zal berokkenen, nu de woning aan de [adres 1] alleen al bij onderhandse verkoop een hogere opbrengst tegen minder kosten zal opleveren. [eiseres] stelt dat [gedaagde] daarom misbruik van executiebevoegdheid maakt door de executieverkoop door te zetten, terwijl minder ingrijpende en financieel voordeligere alternatieven beschikbaar zijn, zoals onderhandse verkoop van één woning. De executie lijkt primair te zijn gericht op het uitoefenen van druk in plaats van het realiseren van een gerechtvaardigd belang. Dit is misbruik van recht en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tijdens de zitting in dit kort geding heeft [eiseres] uitgelegd dat zij het niet eens is met het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 5 augustus 2024 (zie 2.2.). Zij heeft nogmaals uiteengezet dat zij de gang van zaken bij de verkoop van [adres 3] en [adres 4] aan [gedaagde] als onrechtvaardig ervaart, en dat zij slachtoffer is van een complot om haar huis onder financiële druk te ontfutselen. Ook heeft [eiseres] toegelicht dat er voor haar meer op het spel staat dan het verliezen van een huis, namelijk ook haar pensioen, huisvesting voor haar zoon, en een plek voor de [naam stichting] , die is gewijd aan de nagedachtenis van haar overleden echtgenoot, de fotograaf [naam 2] .
4.2.
[eiseres] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 augustus 2024 en dit kan ook niet meer, omdat de daarvoor geldende termijn van vier weken is verlopen. Dat betekent dat de veroordeling tot betaling van een bedrag van € 138.141,56 en een bedrag van € 7.836,37 aan proceskosten plus nakosten en rente, definitief is. In dit kort geding kan daar niets aan worden veranderd, omdat een kort geding procedure geen hoger beroep procedure is. De voornoemde argumenten van [eiseres] doen dus niet af aan het vonnis van 5 augustus 2024 (in dat vonnis is over die argumenten immers al beslist) en ook niet aan de uitvoerbaarheid daarvan.
4.3.
De tenuitvoerlegging van een definitief vonnis kan slechts worden geschorst wanneer sprake is van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW) (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
4.4.
De omstandigheid dat onderhandse verkoop een hogere opbrengstverwachting meebrengt dan executoriale verkoop is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat dus sprake is van misbruik van bevoegdheid, of dat het gebruik maken van deze bevoegdheid onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit zou immers meebrengen dat openbare verkoop in het algemeen geen bruikbare executiemaatregel meer zou zijn.
4.5.
In het algemeen brengt het aanzeggen van executoriale verkoop de nodige druk mee voor een geëxecuteerde. Maar het is niet aannemelijk dat de aangezegde executoriale verkoop in dit geval primair is gericht op het uitoefenen van druk – en dus dat de executiebevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk: het voldoen van de schuld van [eiseres] aan [gedaagde] . Voor dit oordeel zijn de volgende redenen.
4.6.
Niet in geschil is dat de [adres 1] reeds in augustus 2024 te koop stond. [gedaagde] heeft [eiseres] in augustus de tijd gegeven tot 1 december 2024 om de woning zelf te verkopen, zonder dat zij verdere executoriale maatregelen zou nemen (2.4). Tot een koop is het echter niet gekomen, ondanks dat er meerdere biedingen zijn uitgebracht (zie 2.8). [eiseres] was het niet eens met de verkoopstrategie van de makelaar, waarna de verkoopadvertentie van de [adres 1] in december 2024 weer van Funda is afgehaald. Het is duidelijk dat [eiseres] in de tussentijd wel stappen heeft ondernomen om de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst te kunnen verkopen, bijvoorbeeld door de huurders van de woning uit te kopen. Zij stelt dat er nu afspraken zijn met ‘makelaars’ en dat er stappen zijn gezet om een ‘marktconforme prijs’ te realiseren, maar zij heeft niet concreet onderbouwd dat de drie reeds eerder gebrachte biedingen niet marktconform zouden zijn, en dat nu sprake zou zijn van daadwerkelijke onderhandelingen met kopers, die (significant) meer zouden bieden dan € 530.000,- (zie 2.8).
4.7.
Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde] belang bij, en recht op tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 augustus 2024, ter voldoening van haar vordering op [eiseres] . Van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken, zodat de gevorderde schorsing/opschorting van het vonnis zal worden afgewezen.
4.8.
Als in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] begroot op:
€ 714,00 griffierecht
€ 1.107,00 salaris advocaat
€ 178,00 nakosten
€ 1.999,00 totaal.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.999,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening, indien dit vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
type:
coll: | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|