|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2025:9673 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 02-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | 23/362 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | WW-uitkering. Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich op het standpunt mocht stellen dat er sprake is van een dringende reden is voor het ontslag en dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv mocht terecht besluiten dat eiser weliswaar recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/362
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering). Met een besluit van 11 mei 2022 heeft het Uwv besloten dat eiser recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald.
2. Met een besluit van 22 november 2022 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit bij de rechtbank Amsterdam. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Eiser was op zitting aanwezig. Het Uwv is - met voorafgaand bericht van afmelding - niet verschenen.
Standpunt partijen
5. Eiser betwist dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarin het eerdere ontslag van eiser is vernietigd. Het is volgens eiser niet zijn schuld dat er daarna geen nieuw dienstverband is gekomen. Eiser wijst op verschillende e-mails tussen hem en zijn ex-werkgever. Hij stelt dat daaruit duidelijk blijkt dat het Uwv ten onrechte heeft vastgesteld dat hij verkeerd of verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens eiser heeft het Uwv hier niet genoeg aandacht aan besteed. Tot slot voert eiser aan dat er ten onrechte geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden.
6. Het Uwv verwijst allereerst naar de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 22 / 283 WW van de rechtbank Den Haag. Deze procedure ziet eveneens op een WW-aanvraag van eiser. Het betrof een aanvraag van een paar weken voordat eiser de aanvraag in deze zaak heeft ingediend, maar de feiten en omstandigheden zijn hetzelfde. Het Uwv stelt dat het ontslag in 2007 en de vernietiging hiervan door de CRvB niet is betwist, maar het gaat in deze zaak juist om de gebeurtenissen na 2015. In deze periode is volgens het Uwv sprake van verwijtbare werkloosheid. Het UWV stelt tot slot dat de hoorplicht is nageleefd.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoorplicht
9. De rechtbank overweegt allereerst dat het Uwv gehouden is om eiser te horen voordat op het bezwaar is beslist. De rechtbank stelt vast dat er tijdens de bezwaarprocedure op 13 oktober 2022 een hoorzitting is gehouden. Eiser kreeg hier de kans om zijn standpunt naar voren te brengen. Er is dus geen sprake van een schending van de hoorplicht.
Verwijtbare werkloosheid
10. De rechtbank moet beoordelen of het niet uitbetalen van de WW-uitkering van eiser in strijd is met de wet of het recht. In de wet staat dat de werknemer de verplichting heeft om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Als een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden dan brengt het Uwv blijvend een bedrag op de uitkering in mindering, tenzij sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
11. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB moet een materiële beoordeling plaatsvinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Als tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de WW ten slotte nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt. Een dringende reden wordt onder meer aanwezig geacht wanneer een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever of op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.
12. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 12 april 2022 vastgesteld dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast heeft het Uwv zelf onderzoek gedaan. Het Uwv heeft vastgesteld dat de werkgever aan eiser verschillende passende functies in schaal 12 heeft aangeboden, onder andere bij het Openbaar Ministerie. Ook is aan eiser meermaals de functie senior adviseur bedrijfsvoering aangeboden. Eiser heeft deze functies niet geaccepteerd, omdat hij vond dat re-integratie op het niveau waarop hij werkte voor het ontslag in 2007 niet passend was. Hij zou zonder dat ontslag namelijk omhoog zijn gegaan in functie en loon. De ex-werkgever vond de functies wel passend. In februari 2020 is aan eiser medegedeeld dat hij kon starten als Coördinerend Specialistisch Adviseur Bedrijfsvoering (schaal 14). Eiser is echter niet verschenen op verschillende werkafspraken. Hierbij heeft eiser onder andere aangegeven dat hij een directeursfunctie (schaal 16) beter vond passen. De ex-werkgever heeft te kennen gegeven dat zijn de weigering om te verschijnen niet toelaatbaar is en dat in dat geval de arbeidsovereenkomst met hem zou worden ontbonden.
13. Eiser is in de periode van 15 maart 2017 tot het einde van zijn dienstverband maar één keer verschenen voor werkzaamheden. Uit de e-mails tussen eiser en zijn ex-werkgever die door eiser zijn overgelegd blijkt volgens het UWV dat hij heeft geweigerd opdrachten van zijn voormalige werkgever uit te voeren. Ook wilde eiser alleen praten op directieniveau en wilde hij niet in gesprek met de personen die zijn re-integratie begeleidden. Hij heeft te weinig aandacht besteed aan zijn verplichtingen. De ex-werkgever heeft meerdere keren te kennen gegeven dat het gedrag van eiser ontoelaatbaar was en welke gevolgen dit kan hebben.
13. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV zich op het standpunt mocht stellen dat er sprake is van een dringende reden is voor het ontslag en dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.
Conclusie en gevolgen
15. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. van de Kar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:563.
Artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WW.
Zie artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de WW.
Zie artikel 27, eerste lid, van de WW.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3469.
Zie artikel 7:678, tweede lid, onderdelen j en k, van het BW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|