|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:1231 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/3710 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ niet-woning, parkeerterrein; onroerende zaakbelasting gebruiker; wie is belastingplichtig als gebruiker bij volgtijdig gebruik; eiseres is een online parkeerapplicatie; parkeerders maken gebruik van haar applicatie om te parkeren op het parkeerterrein; wie draagt het risico en de lasten; eiseres draagt niet het risico van het niet gebruiken van de parkeerplaatsen en niet de lasten van onderhoud en daarmee is niet aannemelijk geworden dat zij gebruiker is in de zin van de onroerende zaakbelasting. | | Trefwoorden | : | perceel | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3710
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[bedrijf] B.V., te [plaats] , eiseres
(gemachtigden: mr. W. Bommel, mr. B.J.M. Morren en mr. S. Roesink),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft met de aanslag van 31 december 2024 de onroerende zaakbelasting gebruiker voor de [adres] (de onroerende zaak) over het jaar 2024 opgelegd aan eiseres. De heffingsambtenaar heeft hiermee ook de WOZ-waarde van de onroerende zaak vastgestelde op € 1.925.000,-. De onroerende zaak is een parkeerterrein.
1.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de onroerende zaakbelasting, omdat zij stelt geen gebruiker te zijn van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 8 mei 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. De heffingsambtenaar heeft hiermee de WOZ-waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 1.540.000,- maar blijft bij zijn standpunt dat eiseres terecht is aangeslagen voor de onroerende zaakbelasting gebruiker.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van eiseres en de heffingsambtenaar in de persoon van mr. H. Oderkerk.
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.
Feiten
2. Eiseres is aanbieder van een parkeerdienst, waarbij parkeerplaatsen via een app online worden aangeboden. Eiseres stelt dat de gebruikte locaties parkeergarages of parkeerterreinen zijn die eigendom zijn van derden, zij is zelf geen eigenaar.
2.1.
Op of bij de onroerende zaak staan borden waarmee aangegeven wordt dat op deze locatie geparkeerd kan worden met gebruik van de app van eiseres. Het parkeerterrein is afgesloten met een slagboom.
2.2.
Eiseres heeft een overeenkomst gesloten met de eigenaar van de onroerende zaak, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de huurder van de onroerende zaak, waaruit blijkt dat is afgesproken om een deel van de parkeerplaatsen op het parkeerterrein via eiseres aan derden beschikbaar te stellen. Uit de overeenkomst tussen de eigenaar en eiseres blijkt onder andere dat eiseres € 1.500,- aansluitkosten in rekening brengt en dat zij een vergoeding van 70% van de ontvangen bruto betalingen ontvangt.
2.3.
Uit de Algemene Voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst, blijkt dat de eigenaar het aantal parkeerplaatsen te allen tijde kan wijzigen. Ook is hierin vastgelegd dat de eigenaar verantwoordelijk is voor eventueel onderhoud, (kosten van) schoonmaak, servicekosten en de onroerende zaakbelasting eigenaar en gebruiker.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of eiseres aangemerkt kan worden als gebruiker en daarmee als degene aan wie de onroerende zaakbelasting voor het gebruikersdeel kan worden opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gebruiker is van de onroerende zaak. De onroerende zaakbelasting gebruiker is daarmee ten onrechte aan eiseres opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiseres de gebruiker voor de onroerende zaakbelasting?
5. Niet in geschil is dat eiseres geen eigenaar is van de onroerende zaak. Ook niet in geschil is dat de onroerende zaak als parkeerplaats voor korte perioden door wisselende personen wordt gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden geconcludeerd dat sprake is van volgtijdig gebruik van de onroerende zaak. Bij volgtijdig gebruik van een onroerende zaak mag degene die het perceel ter beschikking stelt voor de heffing als gebruiker worden aangemerkt, in plaats van de feitelijke gebruikers.
6. Het is in eerste instantie aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat eiseres degene is die de onroerende zaak voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt. Bij de beoordeling wie moet worden aangemerkt als degene die de onroerende zaak ter beschikking stelt, is van belang wie het risico draagt dat de onroerende zaak al dan niet wordt verhuurd en wie de lasten van de onroerende zaak draagt.
7. De heffingsambtenaar stelt dat blijkt dat eiseres gebruiker is, omdat de onroerende zaak als parkeerlocatie vermeld staat op de website van eiseres en omdat borden op de parkeerplaats staan waaruit blijkt dat door middel van de app van eiseres geparkeerd kan worden op deze locatie.
8. Eiseres stelt geen gebruiker te zijn. Zij stelt dat zij het recht heeft om gebruikers van haar dienst binnen te laten op het parkeerterrein, tegen betaling. Eiseres meent een dienst te verlenen, maar geen eigenaar noch gebruiker van de onroerende zaak te zijn. Zij verwijst daarbij naar de overgelegde overeenkomst en de algemene voorwaarden. Het aantal plekken dat eiseres aan derden ter beschikking kan stellen, kan te allen tijden naar nul gezet worden door de eigenaar van de onroerende zaak, aldus eiseres. Eiseres ontvangt dan geen betaling. Wanneer er wel gebruikers zijn, betalen deze een bedrag aan eiseres. Eiseres houdt hier een bedrag van in. Als er geen parkeeracties zijn, ontvangt de eigenaar geen betaling van eiseres. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat, buiten de algemene voorwaarden en de overeenkomst om, ook nog afspraken zijn gemaakt over een licentievergoeding. De eigenaar van de onroerende zaak moet € 75,- per maand betalen aan eiseres opdat de onroerende zaak via het platform van eiseres wordt aangeboden.
9. Uit wat is verklaard en de overgelegde stukken blijkt dat de eigenaar van de onroerende zaak aansluitkosten maakt en maandelijks een vergoeding betaalt aan eiseres voor gebruik van het platform van eiseres. Eiseres maakt geen kosten als, in theorie, geen parkeerders via haar app hun voertuig zouden parkeren op de onroerende zaak. De omstandigheid dat, zoals de heffingsambtenaar heeft aangevoerd, dit hoogstwaarschijnlijk niet zou voorkomen, maakt voor het vaststellen wie het risico loopt, niet uit. Het risico van het al dan niet verhuren van de onroerende zaak als parkeerlocatie ligt naar het oordeel van de rechtbank dus bij de eigenaar.
10. Blijkens de algemene voorwaarden komen schoonmaakkosten, servicekosten en de onroerende zaakbelasting (eigenaar en gebruiker) voor rekening van de eigenaar. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat ook de lasten van de onroerende zaak door de eigenaar gedragen worden.
11. Nu eiseres niet degene is die het risico van het al dan niet verhuren van de onroerende zaak draagt, en ook niet degene die de lasten draagt, is niet aannemelijk geworden dat eiseres degene is die de onroerende zaak voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt en dat zij dus de gebruiker in de zin van de WOZ is. Het argument van de heffingsambtenaar dat de uiterlijke kenmerken van de onroerende zaak doen vermoeden dat eiseres gebruiker van de onroerende zaak is, is niet van belang bij de vaststelling. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat eiseres niet de gebruiker is van de onroerende zaak. Dit betekent dat de aanslag onterecht aan eiseres is opgelegd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft de zitting bijgewoond. De vergoeding bedraagt dan in totaal (1 punt) € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.W. van de Kar, griffier.
De rechter is buiten staat deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 januari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 25 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8078 en van het Gerechtshof Den Haag van 6 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:37.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9843.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2002, ECLI:HR:2002:AF0960. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|