|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:2133 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/2427 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Eiser heeft geen recht op een bijverdienpremie die aan hem is toegekend op grond van de Participatiewet (Pw) en de nadere regels bij de Re-integratieverordening Pw van de gemeente Amsterdam. Beroep gegrond vanwege ondeugdelijke grondslag. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2427
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. R. Meinen en mr M.M. Janssens),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een bijverdienpremie die aan eiser is toegekend op grond van de Participatiewet (Pw) en de nadere regels bij de Re-integratieverordening Pw van de gemeente Amsterdam. Volgens verweerder is de bijverdienpremie ten onrechte toegekend. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen wel in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Het primaire besluit van 28 november 2024 komt te vervallen. Verweerder zal de bijverdienpremie van
€ 3.151,- van eiser terugvorderen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
4. Met het primaire besluit is aan eiser een bijverdienpremie toegekend. Het gaat om een bedrag van € 3.151,-. In het primaire besluit is toegelicht dat het bedrag eenmalig is en geen invloed heeft op de hoogte van de bijstandsuitkering. De premie is toegekend omdat eiser tot en met 31 oktober 2024 inkomsten had uit werk.
5. Op 5 december 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser bestrijdt dat hij werkzaamheden heeft verricht en hij verzoekt verweerder om zijn (huidige) bijstandsaanvraag toe te kennen.
6. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft op andere gronden dan de bezwaargronden beslist. Volgens verweerder is uit onderzoek gebleken dat eiser in de periode vanaf 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 geen recht had op bijstand. In deze periode kon eiser daarom geen premie opbouwen. Wegens een fout in het systeem van verweerder is de bijverdienpremie ten onrechte aan eiser uitgekeerd. Verweerder vordert dit bedrag van eiser terug. Eiser ontvangt hierover een apart bericht.
Het standpunt van eiser
7. Eiser voert in beroep aan dat hij wel recht heeft op een bijverdienpremie. Deze premie is immers aan hem toegekend op basis van de gegevens die hij heeft aangeleverd bij verweerder in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek. Op basis van deze gegevens heeft verweerder geconcludeerd dat sprake is van inkomsten waarbij hij recht heeft op een bijverdienpremie.
Het oordeel van de rechtbank
8. Op de zitting is besproken dat verweerder geen terugvorderingsbesluit ten aanzien van de bijverdienpremie heeft genomen. Eiser heeft het bedrag uit eigen beweging aan verweerder terugbetaald. De rechtbank laat de beroepsgronden van eiser die gaan over de terugvordering van de bijverdienpremie daarom onbesproken.
9. De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en dat deze niet berust op een deugdelijke grondslag. De rechtbank licht dat hierna toe.
10. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser in de periode vanaf 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 geen recht heeft op bijstand. In deze periode kan eiser daarom geen premie opbouwen. Deze motivering is onjuist. Uit een besluit van 25 september 2024 volgt dat verweerder het recht op bijstand over de genoemde periode heeft herzien. Het recht op bijstand is gekort en de bijstand is over de genoemde periode deels teruggevorderd.
11. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser al dan niet recht heeft op een bijverdienpremie. De rechtbank beoordeelt die vraag aan de hand van de voorwaarden die daarvoor gelden en dat staat los van het oordeel van de rechtbank in het beroep van eiser met zaaknummer AMS 24/7787.
12. De rechtbank oordeelt dat eiser geen recht heeft op de bijverdienpremie gelet op hetgeen hierover staat vermeld in artikel 2.6 van Nadere regels bij de Re-integratieverordening Pw van de gemeente Amsterdam. Eiser heeft niet parttime gewerkt als werknemer of als zelfstandig ondernemer. Eiser deed klusjes voor zijn familie en vrienden die hij van tevoren had moeten opgeven. Dat is een geheel andere situatie dan waarvoor een bijverdienpremie bij parttimewerk dan wel de deeltijd uitstroompremie bij parttimewerk is bedoeld.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 31, tweede lid, onder j, van de Pw en de artikelen 2.6 en 2.7 van Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet.
De rechtbank doet in het beroep met zaaknummer AMS 24/7787 eveneens op 3 maart 2026 uitspraak. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|