|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:3046 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | AMS 25/632 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Boete Huisvestingsweg n.a.v. hennepkwekerij. De rechtbank stelt vast dat op de machtiging tot binnentreden is aangegeven dat de politie zich mag doen vergezellen door anderen, ‘voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist’. De rechtbank is van oordeel dat de politie zich heeft mogen laten vergezellen door de toezichthouders. Het doel ‘inbeslagneming van de kwekerij’ moet naar het oordeel van de rechtbank in brede zin worden begrepen. Hieronder valt niet alleen het fysieke verwijderen van de hennepkwekerij, maar ook het beëindigen van een illegale situatie onder zowel het Wetboek van Strafvordering als de Huisvestingswet.
De rechtbank is verder van oordeel dat de boetetabel van verweerder niet onevenredig is. In tegenstelling tot wat eiser stelt, maakt de boetetabel wel onderscheid tussen eerste overtredingen en herhaalde overtredingen. Ook maakt het beleid wel onderscheid tussen de hoeveelheid planten.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de boete te hoog is. Er is geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding. Ook heeft eiser geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De enkele stelling dat hij van een bijstandsuitkering leeft en dat hij een terugvordering heeft ontvangen van bijna een ton is – zonder verdere toelichting – onvoldoende om te spreken van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de boete verlaagd moet worden. De rechtbank betrekt daarbij ook dat eiser geen inzicht heeft gegeven in de hoeveelheid geld die hij met zijn kwekerij heeft verdiend. Nu eiser geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijke omvang van dit geldelijke gewin, kan de rechtbank niet beoordelen of de boete te hoog is. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | kwekerij | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/632
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Diemen, eiser
(gemachtigde: mr. N. Rastegar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een boete die verweerder aan eiser heeft opgelegd op grond van de Huisvestingswet 2014 (hierna: de Huisvestingswet). Eiser is het niet eens met de boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de boete aan eiser heeft mogen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete aan eiser mocht opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op vraag of verweerder de bevindingen van de toezichthouders mocht gebruiken, of de boetetabel van verweerder onevenredig is en of de boete in het specifieke geval van eiser te hoog is. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 24 juni 2024 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd. Aanleiding voor de boete was een geconstateerde overtreding van de Huisvestingswet in de door eiser gehuurde woning.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de boete. Met het besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming bestreden besluit
3. Op 14 februari 2024 heeft de sociale recherche Gooi en Vechtstreek bij de politie melding gemaakt van zeer hoog energieverbruik over een langere periode op eisers adres, waar hij volgens de gemeentelijke basisadministratie alleen woonde:
1 januari 2020 - 1 januari 2021: 10.372 kWh
1 januari 2021 - 1 januari 2022: 9645 kWh
1 januari 2022 - 31 december 2022: 7176 kWh
31 december 2022 - 31 december 2023: 9142 kWh
Het landelijk gemiddelde verbruik voor een eenpersoonshuishouden is 1800 kWh per jaar.
3.1.
Op 9 april 2024 hebben ambtenaren van de politie ter hoogte van eisers adres een zeer sterke henneplucht geroken. De politie heeft hierop toezichthouders van verweerder verzocht om aan te sluiten bij een opruimingsactie.
3.2.
Op 10 april 2024 zijn twee toezichthouders van verweerder samen met de politie bij eiser binnengetreden. Grondslag voor het binnentreden was een machtiging, afgegeven door de hulpofficier van Justitie.
3.3.
In de woning van eiser werd in één van de twee slaapkamers een kweektent aangetroffen met daarin 97 hennepplanten. De kweektent was voorzien van LED-groeilampen en luchtventilatie. Ook werd in de kledingkast in de andere slaapkamer een zak met ongeveer 30 gram hennep aangetroffen.
3.4.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder een boete van € 17.500,- opgelegd aan eiser.
Mocht verweerder de bevindingen van de toezichthouders gebruiken?
4. Eiser voert aan dat de machtiging tot binnentreden alleen was verleend aan de politie voor inbeslagneming van de kwekerij. De machtiging gaf de politie weliswaar toestemming om zich te laten vergezellen door anderen, maar enkel voor zover dit nodig was voor het doel waarvoor de machtiging was verleend. De ambtenaren waren niet nodig voor de inbeslagneming van de kwekerij. Er was dus geen wettelijke grondslag voor het binnentreden door de toezichthouders en de bevindingen van het rapport mochten daarom niet worden gebruikt.
4.1.
Op de zitting hebben de gemachtigden van verweerder toegelicht dat hun toezichthouders zijn meegegaan om het feitelijk gebruik van de woning te controleren in het kader van de Huisvestingswet. De gemachtigden hebben toegelicht dat zij hierin vaak samen met de politie optrekken, omdat niet te voorspellen valt wat je achter een voordeur aantreft. Daarnaast is woningonttrekking door hennepkwekerijen een kwestie van de openbare orde en heeft verweerder hierin een handhavingstaak. Ook daarom wordt hierin samenwerking gezocht met de politie, die deze taak ook heeft.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat op de machtiging is aangegeven dat de politie zich mag doen vergezellen door anderen, ‘voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist’. Deze formulering volgt ook uit artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de politie zich heeft mogen laten vergezellen door de toezichthouders. Het doel ‘inbeslagneming van de kwekerij’ moet naar het oordeel van de rechtbank in brede zin worden begrepen. Hieronder valt niet alleen het fysieke verwijderen van de hennepkwekerij, maar ook het beëindigen van een illegale situatie onder zowel het Wetboek van Strafvordering als de Huisvestingswet. Voor dat laatste was de aanwezigheid van de toezichthouders redelijkerwijs vereist.
4.4.
De rechtbank overweegt nog dat het de voorkeur verdient om het doel van een machtiging tot binnentreden zo duidelijk mogelijk te omschrijven. Dat had in het geval van eiser beter gekund. Toch vindt de rechtbank dat in dit geval de machtiging ook grondslag gaf voor de toezichthouders om zich, op uitnodiging van en samen met de politie, toegang tot de woning te verschaffen. Verweerder mocht daarom ook de bevindingen van de toezichthouders ten grondslag leggen aan het bestreden besluit.
4.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de boetetabel van verweerder onevenredig?
5. Volgens eiser is de boetetabel, vastgelegd in het beleid van verweerder, onevenredig. Het beleid is zo opgesteld dat er geen ruimte is om de omstandigheden van het geval mee te wegen. Zo maakt het beleid geen onderscheid tussen eerste overtredingen en herhaalde overtredingen. Ook wordt er in het beleid geen onderscheid gemaakt tussen de hoeveelheid planten. Op basis van het beleid worden zowel zes planten als zeshonderd planten als bedrijfsmatige kweek gezien en geldt voor beide hoeveelheden dezelfde boete. Dit is volgens eiser ongebalanceerd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de boetetabel van verweerder niet onevenredig is. In tegenstelling tot wat eiser stelt, maakt de boetetabel wel onderscheid tussen eerste overtredingen en herhaalde overtredingen. Ook maakt het beleid wel onderscheid tussen de hoeveelheid planten. Zoals verweerder namelijk in het bestreden besluit heeft toegelicht en op zitting heeft herhaald, hanteert hij een onderscheid tussen bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige woningonttrekkingen. Daarbij heeft verweerder voor wat betreft hennepkwekerijen aansluiting gezocht bij de grens zoals die is geformuleerd in het strafrecht, namelijk dat een hoeveelheid van meer dan vijf planten gezien wordt als handelshoeveelheid. Naar analogie rekent verweerder daarom een kwekerij met meer dan vijf planten als bedrijfsmatige teelt. Hiermee maakt verweerder – zij het impliciet – dus wel een onderscheid naar aantal planten. Dat de grens voor dit onderscheid wordt gelegd bij vijf planten, maakt het beleid naar het oordeel van de rechtbank niet ongebalanceerd.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de boete in het specifieke geval van eiser te hoog?
6. Eiser voert aan dat de boete te hoog is. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn financiële situatie. Eiser leeft al lange tijd van een bijstandsuitkering. Hij heeft zijn woning verloren en is noodgedwongen bij zijn moeder ingetrokken, waardoor hij nu op zijn uitkering gekort wordt. Ook heeft eiser een terugvordering gekregen van bijna € 100.000 aan ten onrechte ontvangen bijstand. Eiser is bovendien pas in 2023 begonnen met het telen van hennep. Gelet op de kosten die gemoeid waren met het opzetten van de kwekerij, heeft hij er per saldo niets aan over gehouden. Verweerder werpt ten onrechte aan eiser tegen dat hij onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven, dit kan namelijk geen rol spelen bij de hoogte van een bestuurlijke boete. Eiser wijst op uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022 en 8 december 2022 en op een uitspraak van rechtbank Den Haag van 1 januari 2024.
6.1.
Uit artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) volgt dat een bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, een lagere bestuurlijke boete oplegt als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 4 augustus 2021 overwogen dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te verlagen. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat een of meer van deze omstandigheden aan de orde zijn. Een gebrek aan inzicht in het uit een overtreding genoten voordeel kan aanleiding geven om niet tot verlaging van de daarvoor opgelegde boete over te gaan, omdat niet kan worden beoordeeld of de boete onevenredig hoog is. In tegenstelling tot wat eiser stelt, kan een gebrek aan inzicht in de financiële situatie dus wel een reden zijn om niet tot matiging van de boete over te gaan.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de boete te hoog is. Er is geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding. Ook heeft eiser geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De enkele stelling dat hij van een bijstandsuitkering leeft en dat hij een terugvordering heeft ontvangen van bijna een ton is – zonder verdere toelichting – onvoldoende om te spreken van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de boete verlaagd moet worden. De rechtbank betrekt daarbij ook dat eiser geen inzicht heeft gegeven in de hoeveelheid geld die hij met zijn kwekerij heeft verdiend. Zijn stelling dat hij pas in 2023 is begonnen met de kwekerij en dat hij er financieel niets aan heeft overgehouden volgt de rechtbank niet, gelet op het feit dat het energieverbruik in eisers woning al vanaf 2020 zeer hoog was. Bovendien heeft eiser op 10 april 2023 tegenover de toezichthouders verklaard dat hij al heel lang gedwongen is om hennep te telen vanwege een huurverhoging. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser op dat moment al gedurende een langere periode hennep teelde, met het oog op geldelijk gewin. Nu eiser geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijke omvang van dit geldelijke gewin, kan de rechtbank niet beoordelen of de boete te hoog is.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de boete van € 17.500,- in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBROT:2022:11396.
ECLI:NL:RBROT:2022:11546.
ECLI:NL:RBDHA:2024:34.
ECLI:NL:RVS:2021:1725.
Onder 4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|