Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:3208 
 
Datum uitspraak:18-03-2026
Datum gepubliceerd:09-04-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:774942
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verzekeringsrecht; subrogatie. Bestaat vordering na vaststellingsovereenkomst art. 7:900 BW? Dealer en fabrikant regelen motorschade. Geen bestaande vordering bij uitkering verzekeraar; geen overgang recht. Vordering afgewezen, proceskostenveroordeling.
Trefwoorden:uitkering
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/774942 / HA ZA 25-1443


Vonnis van 18 maart 2026


in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon naar buitenlands recht

LANDSCHAFTLICHE BRANDKASSE HANNOVER h.o.d.n. VGH VERSICHERUNGEN

te Hannover (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: VGH,
advocaat: mr. M.C.J. Swart,

tegen


DAF TRUCKS N.V.,
te Eindhoven,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DAF
advocaat: mr. J.M.M. Menu.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van VGH met producties 1 t/m 25,
- de conclusie van antwoord van DAF met producties 1 t/m 8,
- het tussenvonnis van 19 november 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald,
- het verzoek tot rectificatie van VGH,
- de akte aanvullende producties 26 t/m 30 van VGH,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.
VGH is de verzekeraar van Fricke Holding GmbH en Fricke Nutzfahrzeuge GmbH (hierna gezamenlijk: Fricke). Fricke is dealer van DAF-trucks.


2.2.
Op 14 maart 2018 heeft Fricke aan [bedrijf] e.K. (hierna: de klant) een door DAF geproduceerde Sattelzugmaschine XF 480 FT 4x2 verkocht (hierna: de truck). Op de truck was een door DAF afgegeven garantie van toepassing.


2.3.
Eind 2020 is schade ontstaan aan de motor van de truck. In december 2020 is de truck ter reparatie bij Fricke aangeboden. Tijdens deze reparatie heeft Fricke onder meer een sproeier (injector) vervangen.


2.4.
In januari 2021 is opnieuw schade aan de motor van de truck ontstaan, terwijl de truck in Zweden reed. De truck is vervolgens gerepareerd door Nordic Truckcenter in Zweden. De kosten van deze reparatie bedroegen € 43.385,00.


2.5.
DAF heeft ter zake van deze tweede reparatie een bedrag van € 43.954,06 aan de klant vergoed. DAF heeft dit bedrag bij factuur van 3 mei 2021 bij Fricke in rekening gebracht en het bedrag op 16 juni 2021 verrekend met de tussen hen bestaande rekening-courantverhouding.


2.6.
Tussen DAF en Fricke is vervolgens discussie ontstaan over de vraag wie aansprakelijk was voor de schade die aanleiding gaf tot de tweede reparatie. In het kader van deze discussie zijn verschillende deskundigen rapportages opgesteld, onder meer door Rickert GmbH & Co. KG (16 november 2021) en Dekra Automobil GmbH (31 januari 2022), alsmede een rapport in opdracht van DAF (28 juni 2022).


2.7.
Bij brief van 26 augustus 2022 heeft Fricke haar verzekeraar VGH verzocht de schade te vergoeden onder de verzekeringsovereenkomst. VGH heeft dekking onder de verzekering erkend en op 19 oktober 2023 het bedrag van de tweede reparatie aan Fricke uitgekeerd, onder aftrek van het eigen risico van € 2.000,–.





3Het geschil


3.1.
VGH vordert, samengevat en na een wijziging van eis, dat de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad– DAF veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 33.954,06 te vermeerderen met rente en kosten.



3.2.
VGH legt aan haar vordering ten grondslag dat zij, na uitkering van de kosten van de tweede reparatie aan Fricke, in diens rechten is getreden. Zij beroept zich daarbij op subrogatie als bedoeld in § 86 Absatz 1 van het Duitse Versicherungsvertragsgesetz (VVG), op grond waarvan een vordering van de verzekeringnemer op een derde van rechtswege overgaat op de verzekeraar voor zover deze de schade vergoedt. Volgens VGH is DAF aansprakelijk voor de kosten van de tweede reparatie, omdat de motorschade niet is veroorzaakt door een onjuiste reparatie door Fricke, maar door een materiaal- of productiefout. Daarmee zou sprake zijn van een gebrek waarvoor DAF aansprakelijk is, althans waarvoor zij op grond van de afgegeven garantie dient in te staan. Ondanks die aansprakelijkheid heeft DAF de kosten van de tweede reparatie niet zelf gedragen, maar deze bij Fricke in rekening gebracht en vervolgens met de tussen partijen bestaande rekening-courantverhouding verrekend. Naar de mening van VGH ontbrak daarvoor een rechtsgrond, zodat de verrekening – en daarmee de betaling door Fricke – onverschuldigd is verricht.



3.3.
DAF voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VGH, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VGH, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VGH in de kosten van deze procedure.


3.4.
DAF legt hieraan het volgende ten grondslag. Allereerst voert DAF een processueel verweer en stelt zij dat VGH niet heeft aangetoond dat zij procesbevoegd is. Uit de dagvaarding blijkt volgens DAF niet duidelijk of VGH een rechtsvorm heeft en of zij rechtspersoonlijkheid en daarmee procesbevoegdheid bezit. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DAF daaraan toegevoegd dat haar voorkeur er primair naar uitgaat dat de rechtbank de zaak op inhoudelijke gronden afdoet en dat zij zich om die reden refereert aan het oordeel van de rechtbank.



3.5.
Daarnaast voert DAF aan dat er geen vordering (meer) bestaat waarop VGH zich kan beroepen. Zelfs indien Fricke aanvankelijk een aanspraak op DAF zou hebben gehad, is dat geschil tussen DAF en Fricke beëindigd door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 19 augustus 2022. In het kader van die regeling heeft DAF een vervangende motor aan Fricke geleverd. Daarmee hebben partijen hun geschil definitief geregeld. Een eventuele vordering van Fricke is daarmee tenietgegaan. Volgens DAF kan er dan ook geen sprake zijn van subrogatie. Voor overgang van een vordering is vereist dat op het moment van betaling door de verzekeraar nog een bestaande vordering op een derde bestaat. Indien die vordering al is vervallen door een vaststellingsovereenkomst, valt er niets meer over te dragen. De latere uitkering door VGH kan dan geen nieuwe vordering doen ontstaan, aldus DAF. Verder betwist DAF inhoudelijk dat sprake is geweest van een gebrekkig product of van een situatie die onder de garantie viel. Volgens DAF is de oorzaak van de schade gelegen in de eerdere reparatie die is uitgevoerd door Fricke. Ook om die reden ontbreekt een grondslag voor aansprakelijkheid volgens haar.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


Rechtsmacht en toepasselijk recht



4.1.
Dit is een internationale zaak, omdat VGH in Duitsland is gevestigd en DAF in Nederland. De rechtbank moet daarom eerst (ambtshalve) vaststellen of zij rechtsmacht heeft om van de vorderingen van VGH kennis te nemen. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I-bis Verordening (hierna: Brussel I-bis). Omdat DAF in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam te betwisten, heeft deze rechtbank rechtsmacht overeenkomstig artikel 26 Brussel I-bis.



4.2.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat op de relatie tussen VGH en Fricke Duits recht van toepassing is en dat VGH overeenkomstig het bepaalde in § 86 VVG is gesubrogeerd in de rechten van Fricke. In dat verband is van belang dat de rechten en verplichtingen die gelden tussen DAF en Fricke zijn neergelegd in een “DAF Dealer Agreement”. VGH baseert haar aanspraak op DAF op – zo begrijpt de rechtbank – tekortkoming (in verband met de levering van een gebrekkig product) en nakoming (van de garantieverplichtingen). De vordering is dan ook gebaseerd op een contractuele verbintenis, zodat het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van de Rome I-Verordening (hierna: Rome I). Op grond van artikel 3 Rome I is Nederlands recht van toepassing, omdat in artikel 29 van de DAF Dealer Agreement een rechtskeuze is gemaakt voor Nederlands recht.


Procesbevoegdheid VGH




4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een partij die een vordering instelt voldoende kenbaar moet maken wie zij is, zodat voor de wederpartij en de rechter duidelijk is wie als procespartij optreedt. Het gaat daarbij om de vraag of voor de wederpartij redelijkerwijs duidelijk is met welke (rechts)persoon zij procedeert. Niet vereist is dat reeds bij dagvaarding iedere onduidelijkheid over de precieze juridische aanduiding volledig is uitgesloten, mits geen misverstand kan bestaan over de identiteit van de eisende partij.



4.4.
VGH heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een akte van rectificatie genomen, waarin zij heeft verduidelijkt dat zij optreedt als Landschaftliche Brandkasse Hannover, handelend onder de naam VGH Versicherungen, een instelling naar publiekrecht met rechtspersoonlijkheid en ook procesbevoegdheid. VGH heeft dit nader onderbouwd aan de hand van een toelichting van een Duitse advocaat. Met deze precisering is de juridische entiteit achter de handelsnaam ondubbelzinnig kenbaar gemaakt. In het verzoek tot rectificatie staat vermeld dat VGH een “vennootschap naar buitenlands recht” betreft. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dit om een kennelijke verschrijving gaat en dat is bedoeld een “publiekrechtelijke rechtspersoon naar buitenlands recht”.



4.5.
Gelet op het voorgaande is het voor DAF voldoende duidelijk wie haar procespartij is. Van een partijwisseling is geen sprake, maar uitsluitend van een toelaatbare rectificatie van de partijaanduiding. Niet gesteld of gebleken is dat DAF door de aanvankelijke aanduiding of de daarop gevolgde precisering in haar belangen is geschaad of in haar verdediging is beperkt. Het verweer van DAF ten aanzien van de procesbevoegdheid van VGH wordt daarom verworpen.


Fricke en DAF hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten




4.6.
De rechtbank stelt vast dat tussen DAF en Fricke op of omstreeks 19 augustus 2022 een regeling tot stand is gekomen naar aanleiding van hun geschil over de oorzaak van de motorschade aan de truck en de financiële afwikkeling daarvan. Uit de overgelegde correspondentie, waaronder een e-mail van de heer [naam] (destijds [functie] van Fricke) van 7 december 2025, volgt dat DAF geen vergoeding van de reparatiekosten heeft aangeboden, maar wel kosteloos een zogenoemde “Longblock”-motor ter beschikking heeft gesteld. Vaststaat dat Fricke dit aanbod heeft aanvaard en dat de motor vervolgens is geleverd en door Fricke is ontvangen. Daarmee is uitvoering gegeven aan een tussen partijen bereikte regeling.


4.7.
Dat Fricke de economische waarde van de geboden oplossing als beperkt heeft ervaren (omdat geen complete motor werd geleverd en de motor slechts voor een beperkt aantal voertuigen bruikbaar was) doet aan het karakter van die regeling niet af. Een vaststellingsovereenkomst verliest haar verbindende kracht niet doordat één van partijen achteraf meent dat de overeengekomen oplossing minder gunstig is dan gehoopt.
Voor zover DAF tegen Fricke heeft gezegd dat zij zich voor haar resterende schade tot haar verzekeraar diende te wenden, betekent dat in redelijkheid niet dat partijen verdere aanspraken (via VGH) jegens DAF hebben opengehouden. Of Fricke, na uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, nog een aanspraak op VGH had is slechts relevant in de relatie tussen Fricke en VGH en impliceert geen erkenning van (verdere) aansprakelijkheid van DAF, noch het voortbestaan van een zelfstandige vordering van Fricke op DAF.


4.8.
Onder deze omstandigheden is sprake van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Partijen hebben een bestaande onzekerheid omtrent hun wederzijdse rechten en verplichtingen bindend geregeld. Voor het aannemen van een vaststellingsovereenkomst is niet vereist dat uitdrukkelijk “finale kwijting” wordt verleend. Doorslaggevend is of uit de inhoud en strekking van de afspraken volgt dat partijen hun geschil hebben willen beëindigen. Gelet op de aanvaarding van het aanbod en de feitelijke uitvoering daarvan, zonder enig kenbaar voorbehoud van verdere aanspraken jegens DAF, mocht DAF er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het geschil daarmee was afgedaan. Door het sluiten en uitvoeren van de overeenkomst zijn eventuele aanspraken van Fricke jegens DAF ter zake van de onderhavige motorschade komen te vervallen.


4.9.
Zoals hiervoor is overwogen, is op de relatie tussen VGH en Fricke Duits recht van toepassing. VGH doet een beroep op subrogatie als bedoeld in § 86 VVG. Zowel naar Duits als naar Nederlands recht gaat een vordering van de verzekeringnemer op een derde slechts over op de verzekeraar voor zover die vordering op het moment van betaling door de verzekeraar daadwerkelijk bestaat. Nu ten tijde van de uitkering door VGH op 19 oktober 2023 geen vordering van Fricke op DAF meer bestond, kon een dergelijke vordering niet op VGH overgaan. Of Fricke mogelijk nog een aanspraak jegens haar verzekeraar had, betreft uitsluitend de interne rechtsverhouding tussen Fricke en VGH en kan geen (hernieuwde) vordering jegens DAF doen ontstaan. Daarom dient de vordering te worden afgewezen.



4.10.
De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid of garantieverplichting van DAF.



4.11.
VGH is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DAF worden begroot op:










- griffierecht





2.995,00







- salaris advocaat





1.572,00


(2 punten × € 786,00)




- nakosten





178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





4.745,00











4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.











De beslissing


De rechtbank



4.13.
wijst de vorderingen van VGH af,



4.14.
veroordeelt VGH in de proceskosten van € 4.745,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als VGH niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.15.
veroordeelt VGH tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.16.
verklaart de proceskostenveroordelingen van 4.14 en 4.15 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.



Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken


Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst
Link naar deze uitspraak