Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:4672 
 
Datum uitspraak:10-04-2026
Datum gepubliceerd:05-06-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:AMS 25/407
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingswet. ETFAL. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiseres een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor een kleinschalige hondenopvang voor de duur van twee jaar. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het project niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
glastuinbouw
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/407

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W.D. de Vos),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. R. Meyer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiseres een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor een kleinschalige [bedrijf] voor de duur van twee jaar. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het project niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres is eigenaresse van het perceel [adres] en het daarachter gelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Aalsmeer, [sectie], [perceelnummer] . Sinds de aankoop van beide percelen in 2018 woont eiseres op het perceel [adres] en exploiteert zij op het daarachter gelegen perceel een kleinschalige [bedrijf], onder de naam ‘ [naam] ’.


2.1.
Eiseres heeft op 7 april 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het (legaliseren en) vestigen van een [bedrijf] voor een periode van twee jaar op de locatie [adres] in [woonplaats] . Deze aanvraag van eiseres volgt op een eerdere aanvraag van eiseres, waarin het ging om het permanent vestigen van de [bedrijf].



2.2.
Het college heeft de aanvraag van eiseres om een tijdelijke omgevingsvergunning met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen, nadat hij de eerdere aanvraag van eiseres voor het permanent vestigen van de [bedrijf] ook had afgewezen. Het college heeft de nieuwe, tijdelijke, aanvraag getoetst aan het Omgevingsplan gemeente Aalsmeer (hierna: het omgevingsplan) en het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan), als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Op het betreffende perceel geldt de bestemming ‘Gemengd – Argrarisch en Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’. De aanvraag is in strijd met artikel 5.1 van het bestemmingsplan, omdat een [bedrijf] niet is toegestaan. Volgens het college kan het project niet buitenplans worden vergund, omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het project is in strijd met de ‘Gebiedsvisie Aalsmeer 2020’, waarin de betreffende gronden zijn aangeduid als ‘glastuinbouw’. Deze gronden zijn hiermee aangewezen voor vestiging van glastuinbouwbedrijven met perspectief. Om tot een nieuw ruimtelijk kader te komen op basis waarvan nieuwe initiatieven kunnen worden afgewogen, zal een nieuwe gebiedsvisie moeten worden opgesteld. Om te voorkomen dat er (tijdelijke) ontwikkelingen plaatsvinden die de toekomstige visie zullen frustreren, is het beleidsmatig ongewenst om hierop vooruit te lopen. Daarnaast moet het project ook getoetst worden aan de ‘Omgevingsverordening NH2022’. De betreffende gronden zijn hierin aangewezen als ‘Glastuinbouwconcentratiegebied’. Het voorgestelde tijdelijke gebruik, niet zijnde een agrarisch bedrijf past hier niet binnen en ook niet binnen de mogelijkheden voor een nevenfunctie van een bestaand agrarisch bedrijf of een niet-agrarisch bedrijf. Afwijken van de omgevingsverordening is pas mogelijk wanneer een gebiedsvisie is opgesteld waarmee het gebied mogelijk ontgrenst kan worden. Tot die tijd is er geen mogelijkheid om medewerking te verlenen aan andersoortige bedrijvigheid binnen het ‘Glastuinbouwconcentratiegebied’.



2.3.
Met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college – na overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.


3.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Juridisch kader


4. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



4.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan dus ook aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.


Mocht het college de omgevingsvergunning in redelijkheid weigeren?


5. Eiseres voert aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens eiseres heeft het college geen deugdelijke motivering en afweging gegeven waarom in dit specifieke geval niet voor de duur van twee jaar medewerking zou kunnen worden verleend aan de aanvraag. Er wordt in het geheel voorbij gegaan aan het belang van eiseres bij het (nog enige tijd) legaal kunnen voortzetten van haar bedrijfsvoering. De [bedrijf] vervult een belangrijke functie voor veel bewoners van Aalsmeer. Door eiseres de ruimte te geven de opvang nog enige tijd (legaal) te kunnen voortzetten in afwachting van het kunnen vinden van een locatie elders, komt het college niet alleen aan het belang van eiseres tegemoet, maar ook aan dat van vele hondenbezitters in en rond Aalsmeer. Daar komt bij dat het belang van de gemeente bij behoud van de gronden voor glastuinbouw feitelijk ook helemaal niet wordt gediend met de weigering van de omgevingsvergunning. Ter plaatse van de gronden is reeds sprake van substantiële versnippering, zowel feitelijk als planologisch. Ten westen van het perceel van eiseres, zijn er meerdere percelen aangeduid als ‘specifieke vorm van bedrijf-grondverzetbedrijf’. Glastuinbouw is hier niet toegestaan. De gronden ten oosten van het perceel van eiseres, zijn aangeduid als ‘specifieke vorm van sport-manege 1’, zodat hier ook geen glastuinbouw is toegestaan. Op het moment dat een nieuwe visie voor het gebied wordt vastgesteld zal met deze (juridische) versnippering rekening moeten worden gehouden. Het belang van voorkomen van versnippering gaat dus niet op.



5.1.
Het college blijft bij het standpunt dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college maakt het gegeven dat er in de omgeving percelen zijn met een functieaanduiding die een ander gebruik mogelijk maken dan glastuinbouw en dat er in een verder verleden wellicht vergunningen zijn verleend voor een breder gebruik, niet dat aan het belang van voorkoming van verdere versnippering geen waarde toekomt. Dat er reeds enige versnippering heeft plaatsgevonden, vergroot juist het belang bij behoud van de niet-versnipperde gronden. De gronden die nog voor glastuinbouw (aanverwante) bedrijfsvoering beschikbaar zijn wenst het college daar zoveel mogelijk voor te behouden om te voorkomen dat deze functie in het gebied verder wordt uitgehold. Een verdere uitholling heeft namelijk tot gevolg dat het gebied als geheel minder aantrekkijk wordt voor de uitoefening van glastuinbouwactiviteiten en is daarmee tevens in strijd met de voor het gebied geformuleerde beleidsdoelen neergelegd in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 en de Omgevingsverordening NH2022.



5.2.
De rechtbank stelt vast dat het college aan de weigering van de aanvraag van eiseres om een tijdelijke [bedrijf] dezelfde motivering ten grondslag heeft gelegd als aan de weigering van de aanvraag van eiseres om een permanente vestiging van de [bedrijf]. Naar het oordeel van de rechtbank is het college hiermee onvoldoende ingegaan op de tijdelijkheid van de aanvraag. Het standpunt van het college dat versnippering ook voor twee jaar moet worden voorkomen, omdat ook het verlenen van de vergunning voor de duur van twee jaar leidt tot uitholling van het gebied wat tot gevolg heeft dat het gebied in het geheel minder aantrekkelijk wordt voor glastuinbouwactiviteiten, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank wijst daarbij op de op 13 juli 2023 – en daarmee dus van vóór de aanvraag van eiseres – door de Gemeenteraad vastgestelde procesnotitie Omgevingsvisie Aalsmeer, waarin staat dat de functie glastuinbouw niet meer de leidende functie lijkt te zijn en er onderzoek loopt naar andere bedrijfsfuncties. Het standpunt van het college dat de gedachte is om op termijn het gebied aantrekkelijk te maken voor glastuinbouw kan de rechtbank dan ook niet volgen. De rechtbank verwijst daarbij ook naar het besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Uitgangspuntennotitie [bestemmingsplan] van 27 maart 2025, waaruit in ieder geval ook blijkt dat de toekomstige invulling van het gebied onzeker is. Juist omdat ook wordt gezocht naar een invulling van het gebied anders dan glastuinbouw, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat hij het gebruik van het perceel voor twee jaar als [bedrijf] niet wil toestaan, ook gelet op het belang van eiseres daarbij. Dit levert een motiveringsgebrek op.


5.3.
Op de zitting heeft het college zich verder op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de Omgevingsverordening NH2022 en dat de provincie toestemming moet geven voor een dergelijke ontwikkeling. Daar wordt volgens het college echter pas aan toe gekomen als het college mee wil werken aan een andere planologische invulling. Omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij het gebruik van het perceel voor twee jaar als [bedrijf] niet wil toestaan, moet het college volgens de rechtbank ook een nieuwe afweging maken of een ontheffing van de provincie noodzakelijk is en of deze wordt aangevraagd.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moet nemen. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken.


6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom € 1.868,-.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.








griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
Link naar deze uitspraak